Inhoud
1. Inleiding tot de arbeids- en organisatiepsychologie.................4
1.1. Inleiding.............................................................................................4
1.1.1. De arbeidspsychologie.................................................................4
1.1.2. De organisatiepsychologie...........................................................5
1.2. De geschiedenis en de toekomst van A&O psychologie....................7
1.2.1. Vandaag.......................................................................................8
2. Waarom is het goed voor ons om te gaan werken?.................10
2.1. Inleiding...........................................................................................10
2.2. De invloed van werk op onze gezondheid.......................................10
2.2.1. Voordelen van werk...................................................................10
2.2.2. Werkgeluk..................................................................................10
2.3. Werkbaar werk.................................................................................12
2.3.1. Waarom is werkbaar werk belangrijk?.......................................12
2.3.2. Wie is verantwoordelijk voor werkbaar werk?............................13
3. Motivatie: de sleutel tot gedragsverandering........................13
3.1. Inleiding...........................................................................................13
3.2. Een korte geschiedenis van motivatie: van drift naar zelfbeschikking
................................................................................................................14
3.2.1. Het mechanische tijdperk: mensen worden gedreven door
instincten en driften (begin 20ste eeuw)...............................................14
3.2.2. Het behaviorisme: de wortel en de stok (1920-1960)...............14
3.2.3. De humanistische revolutie: behoeftetheorieën (1950-1970). . .15
3.2.4. De cognitieve en inhoudelijke beweging: de denkende mens
(1960-1980).........................................................................................16
3.2.5 De Zelfdeterminatietheorie (1925-heden)..................................17
3.3. De Zelfdeterminatietheorie..............................................................17
3.4. Flexibele werkregelingen om motivatie te verhogen.......................20
3.5. Jobcrafting, organizational citizenship behavior en quiet quitting. . .21
4. Welzijn................................................................................21
4.1. Het wettelijk kader...........................................................................22
4.2. Grensoverschrijdend gedrag............................................................23
1
, 4.3.1. Pesten........................................................................................23
4.2.2. Geweld op het werk...................................................................24
4.2.3. Seksueel overschrijdend gedrag................................................24
4.3. Absenteïsme en verzuim..................................................................25
4.4. Het IGLO-model als kompas voor welzijn.........................................27
5. Diversiteit...........................................................................28
5.1. Wat is diversiteit?.............................................................................28
5.2. Diversiteit en nu?.............................................................................29
5.3. Vormen van diversiteit.....................................................................31
5.3.1. Leeftijd.......................................................................................31
5.3.2. Geslacht.....................................................................................32
5.3.3. Etniciteit....................................................................................33
5.3.4. Persoonlijkheidsverschillen: ‘The big five’.................................33
5.3.5. Intellectuele capaciteiten..........................................................33
5.3.6. Psychische kwetsbaarheid.........................................................34
6. Organisatiecultuur en -structuur...........................................35
6.1. Inleiding...........................................................................................35
6.2. Organisatiecultuur...........................................................................35
6.2.1. De corporate tribe.....................................................................35
6.2.2. Cultuur: vast of veranderlijk?.....................................................36
6.2.3. Cultuur benoemen.....................................................................36
6.2.4. Voor- en nadelen van een sterke organisatiecultuur..................37
6.2.5. Hoe ontstaat een cultuur?.........................................................37
6.2.6. Hoe wordt cultuur overgedragen?.............................................37
6.2.7. Goede en slechte culturen?.......................................................38
6.3. Organisatiestructuur........................................................................38
6.3.1. De organisatiecultuur in de BANI-wereld van vandaag..............38
6.3.2. Bepalende factoren voor een organisatiestructuur....................39
6.3.3. Risicofactoren voor een organisatiestructuur: bureaucratie en
het bottleneck fenomeen.....................................................................39
6.3.4. Gangbare organisatiestructuren................................................39
6.3.5. De impact van een organisatiestructuur op de medewerker.....41
7. Leiderschap.........................................................................41
2
, 7.1. Inleiding...........................................................................................41
7.2. Vroege visies op leiderschap...........................................................42
7.2.1. Persoonlijkheid als fundament van leiderschap.........................42
7.2.2. Leiderschap kan worden aangeleerd: de gedragsbenadering. . .43
7.2.3. Situationeel leiderschap (contingentie).....................................43
7.3. Hedendaagse visies op leiderschap.................................................44
7.3.1. Transformationeel leiderschap: leiding geven aan transformatie
.............................................................................................................44
7.3.2. Dienend leiderschap..................................................................44
7.3.3. Agile leiderschap.......................................................................45
7.4. Een aantal specifieke uitdagingen van leiderschap.........................45
7.5. Toxic leiderschap..............................................................................46
8. Motivatie............................................................................. 47
8.1. Inleiding...........................................................................................47
8.2. Ontwikkelingsfasen van een team: model van Tuckman.................47
8.3. Psychologische veiligheid: Amy Edmondson....................................47
8.4. Groepscohesie.................................................................................49
8.5. Teamrollen van Belbin......................................................................50
8.6. Frustratiemodel van Lencioni...........................................................51
8.7. Wanneer is een team nu effectief effectief?....................................53
9. Organisaties in verandering..................................................54
9.1. Inleiding...........................................................................................54
9.2. Organisaties in ontwikkeling............................................................55
9.3. Organisaties in verandering.............................................................56
9.3.1. Types van verandering...............................................................56
9.3.2. Fasen en benaderingen van verandering...................................57
9.3.3. Waarom lukken of mislukken veranderingen?...........................59
9.4. Organisatieverandering en outplacementbegeleiding.....................59
3
, 1. Inleiding tot de arbeids- en organisatiepsychologie
1.1. Inleiding
-A&O psychologie
-Kurt Lewin (1890-1947)
psycholoog en grondlegger van eerste organisatieontwikkeling
psychologie = studie van menselijk gedrag en beleving
ontstaat vanuit interactie tussen 2 polen: individu + omgeving/situatie
A&O: individu = de werkende mens, situatie = arbeidssituatie en context, nl
de organisatie
-werkcontext reikt verder dan enkel fysieke organisatie
gedrag op het werk wordt vaak beïnvloed door factoren buiten de werkcontext
gezinssituaties (bv. mantelzorg, relatiebreuk)
psychische kwetsbaarheid
culturele achtergrond
persoonlijke waarden en normen
1.1.1. De arbeidspsychologie
focus op individu (microniveau)
hoe ervaren mensen werk?
psychologische studie van werkactiviteiten, studie van gedrag, motieven, gedachten en
emoties van mensen die werken
focus op kenmerken van het werk, het individu en de wederzijdse invloed op elkaar
-5 A’s van arbeidspsychologie
1. arbeidsomstandigheden: materiële omgeving: veiligheid, inrichting, lawaai, verlichting
2. arbeidsinhoud: complexiteit van taken, variatie van taken, belasting (emotioneel, psychisch
en lichamelijk), duidelijkheid van de taken
3. arbeidsorganisatie: structuur (horizontaal en verticaal), taakverdeling, werkprocedures,
managementstijl, algemeen beleid van de organisatie
4. arbeidsverhoudingen: interpersoonlijke relaties (intern en met derden), communicatie,
samenwerking
5. arbeidsvoorwaarden: modaliteiten van uitvoering van het werk: contract, type
werkrooster, opleidingen, evaluaties
4