kinderen en jongeren
Leerpad A: normale of typische ontwikkeling
1. Nature Nurture
Nature= erfelijke eigenschappen (maturatie)
Nurture= omgevingsinvloeden (biologisch zoals drugs, sociaal zoals
opvoedingsstijl, maatschappelijke factoren)
Opvoeding = doorgeven van waarden en normen. Waarden: uitgangspunt (bv
rekening houden met anderen, ergens niet op tijd geraken). Normen:
omgangsvormen (bv: de ander verwittigen te laat te komen).
Moet leiden tot een volwassen mens die verantwoordelijkheid kan dragen
voor eigen daden.
Rijping:
Wanneer weet je of de hersenstam oké is? Als de kinderen reflex a, b, c of d
hebben.
Naarmate je ouder wordt, verdwijnt onwillekeurige motoriek en neemt
willekeurige motoriek over.
Baby’s worden bij de geboorte gescreend op reflexen. Zo kan je vroegtijdig
ingrijpen.
2 belangrijke termen van rijping CZS:
Myelinisatie: biologische proces waarbij een beschermend, isolerend laagje
(myeline) wordt gevormd rondom de uitlopers van zenuwcellen, de zogenaamde
axonen.
Synaptogenese: biologische proces waarbij nieuwe synapsen, de
verbindingspunten tussen zenuwcellen (neuronen), in het zenuwstelsel worden
gevormd.
Taalontwikkeling:
Vóór 9 maanden kunnen baby’s alle soorten taal
2. Theoretische kaders
Neuromaturatietheorie: rijpingstheorie (Gesell & McGraw)
- Ze geloofden dat je CZS kan observeren door het motorisch gedrag van
kinderen in kaart te brengen.
- Rijpingsproces = heel lineair (eerst het één, dan het ander. Bv. hoofd
oprichten, zitten, staan, stappen,…).
- Ontwikkeling ligt grotendeels vast en verloopt volgens vaste stappen
- Motorische mijlpalen werden beschreven (100 baby’s observeren). Bv: de
meeste kunnen zitten op 9 maanden (gemiddelde op 100)
, - Mijlpalen hebben normatief karakter iedereen van 9 maand zou moeten
kunnen zitten. Indien niet: je bent afwijkend van de curve. Misschien
afwijkende ontwikkeling?
- Ze maakten gebruik van cross-sectioneel (=observationele studie waarbij
gegevens van een populatie op één specifiek moment in de tijd worden
verzameld) en beschrijvend onderzoek = hun fout geweest
Afgeleide wetmatigheden (=pincipes en ethische kaders die niet
letterlijk in wetboeken staan, maar wel de basis vormen van
kwaliteitsvolle zorg):
1. cephalo-caudale ontwikkeling: kinderen ontwikkelen van cephalo (hoofd) naar
caudaal (staart). Eerst hoofdcontrole, rompcontrole, zitten, staan, stappen.
2. proximo-distale ontwikkeling: thv de romp naar thv vingers. Eerst organen,
wervelkolom en romp, dan controle over schouders, bovenarmen, ellebogen,
polsen en handen.
3. flexie-extensie ontwikkeling: eerst flexie, dan extensie naarmate ouder
worden.
4. functionele asymmetrie: linkerhand doet iets anders dan rechterhand. Bv
voorkeur voor rechterhand. Iedereen is asymmetrisch.
5. intra-individuele variatie: schommelingen of veranderingen binnen één en
hetzelfde individu in de loop van de tijd of tussen verschillende domeinen (zoals
iemands sterke en zwakke punten). Bv wiskundig sterk, maar zwak in taal.
6. onomkeerbaarheid in ontwikkeling: eenmaal dat je kan zitten, kan je niet meer
afleren om te zitten (tenzij er een letsel ontstaat)
7. onderlinge afhankelijkheid: het ene beïnvloedt het ander. Als je kan zitten gaat
de wereld van 2d naar 3d. ze kijken anders naar dingen… .
8. afnemende snelheid: in het begin leren ze enorm veel, vanaf 2j leert hij steeds
trager.
9. stootsgewijze ontwikkeling: heel lang niks doen en dan opeens ‘alles’ kunnen.
Rijpingstheorie:
Deze curve toont wie een vertraagde of
afwijkende ontwikkeling heeft.
Grootste groep kinderen gaat handen naar
middenlijn brengen op 9 maanden. De
kinderen die dit nog niet kunnen bevinden
zich links in de curve.
Rechts: onderscheid zich van de grootste
groep, de norm (sneller dan 9 maand).
Onderzoek largo:
- Variatie in ontwikkeling te wijten aan omgevingsspecifieke kenmerken. Bv:
kindje is op motorisch vlak 2 jaar verder. Hij is niet perse hoogbegaafd.
Door veel oefening leert hij dit sneller (omgevingsfactoren).
- Variatie niet noodzakelijk indicatief voor pathologische ontwikkeling. Bv:
bram sprak tot 2 jaar niet
Dynamic system theorie (huidige kader)
, - Ontwikkeling is flexibel en wordt beïnvloed door veel factoren en
ervaringen
- Zegt dat de ontwikkeling van een kind niet vooraf helemaal vastligt.
Een kind ontwikkelt zich stap voor stap door de samenwerking van
verschillende dingen: het lichaam van het kind, emoties en motivatie,
ervaringen, de omgeving (ouders, school, speelgoed, …)
- Gaan deels akkoord met mijlpaaldenken. Ze bepalen niet alleen de
ontwikkeling.
- Ontwikkeling gebeurt dus voortdurend en verandert door wat een kind
elke dag meemaakt
- Ontwikkelingsmijlpalen zijn belangrijk, maar bepalen niet alles: elk kind
ontwikkelt zich op zijn eigen tempo.
Interne factoren:
- Fysionomie (lichaamsbouw) kind (groot hoofd, korte beentjes, lenig kind,
…)
- Informatie verwerkend systeem (hersenen)
- Input systeem (zintuigen)
- Uitvoerend systeem (spieren en gewrichten)
Externe systemen:
- Omgeving (ruimte, maxi cosie, park,…)
- Opvoeders
- Sociale context
- Bv: mama gaf eten met lepel op 2 jaar bang dat parket vuil zou zijn
kind heeft probleem in ontwikkeling
Al deze factoren beïnvloeden elkaar.
Bijvoorbeeld: een mama geeft haar kind op 2 jaar nog eten met een lepel omdat
ze bang is dat de vloer vuil wordt. Daardoor krijgt het kind minder oefenkansen
om zelfstandig te leren eten, wat invloed kan hebben op de ontwikkeling.
Primitieve reflexen
WETEN WAT EEN KIND KAN PER ZOVEEL MAAND
Reflex: iets wat gebeurt zonder nadenken. Bv: hete pot laten vallen.
Altijd buiten de wil om (bv als je met je ogen open wil niezen, lukt niet)
Heeft altijd dezelfde vorm (bv op patella met hamer, gaat altijd op
dezelfde manier naar boven)
Reflex is snel: je kan niet traag je ogen toe doen, niet traag je benen
omhoog doen
Doel: je beschermen
Aangeboren
Verworven reflex: direct lopen bij zien slang
Simpel
Niet beïnvloed door omgeving
Reactie: alles wat een baby doet tot ongeveer 0-6 maanden. Een baby doet die
niet bewust om een doel te bereiken, maar gewoon om te doen.
, Niet altijd oproepbaar. De reactie gebeurt niet elke keer hetzelfde of
wanneer jij het wil uitlokken
Leeftijdsgebonden: baby heeft zuigreflex. Sommige reflexen horen bij een
bepaalde leeftijd en verdwijnen later weer.
Complex: Er werken veel systemen samen, zoals hersenen, spieren en
zintuigen.
Grote variabiliteit: sommige kinderen hebben pittige reacties, ene is
vroeger, andere is later
Beinvloed door omgeving: De omgeving heeft invloed op hoe een baby
reageert en ontwikkelt.
Bijvoorbeeld door stimulatie, contact met ouders, ruimte om te bewegen…
Bewegen onwillekeurig, wenen onwillekeurig. Erna neemt de cortex het over en
wordt het willekeurig.
Reacties/reflexen tot 6 maand (zie voorbeelden ZST):
Grijp reflex palmair/plantair
Plantair: wrijven op bal van de voet, kleine tenen gaan sluiten
Palmair: pinkzijde prikkel aanbieden, vingers gaan dicht behalve duim
= restant Darwin. Omdat we afstammen van apen. Wij die aan bomen
hangen om ons te gaan beschermen.
= geen duimoppositie. Duim beweegt niet mee.
Na ongeveer het eerste levensjaar verdwijnt deze reflex en kan je ze
niet meer uitlokken.
Symmetrisch: links en rechts hetzelfde
Palmair: plantair:
Moro reactie/’reflex’
Neemt baby vast in je armen. Rug ligt naar beneden. Doen alsof je
baby laat vallen. Baby heeft gevoel van verandering zwaartekracht.
Automatisch reactie armen spreiden, vingers spreiden (extensie),
daarna armen en benen in flexie en dan wenen. Armen moeten van
volledig gespreid weer naar middenlijn komen.
Is een schrikreactie
Alarm reflex
Komt vaak sterker of langer voor bij premature kinderen en CP.
Doel: je gevoelig maken voor gevaar. Productie adrenaline.
Moet symmetrisch zijn aan beide kanten