INLEIDING
H1: GESCHIEDENIS & CONCEPTUALISERING VAN HET PUBLIEK
1.1 WAT IS EEN (MEDIA)PUBLIEK?
MEDIA-ERVARING IS GELAAGD
Mediagebruik is complex om volledig te vatten, maar centraal in onze mediaomgeving
Vb.: alle studenten die in de aula zitten en luisteren naar de prof is een openbaar collectief publiek
PUBLIEK = ONTVANGER
Transmissiemodel: Zender – kanaal/ruis – ontvanger model van Shannon & Weaver (1949)
Uit zich in idee van massapubliek: publiek als
o Monolithisch: geen onderscheid tussen leeftijd, gender, communities, etc. in hoe mensen iets begrijpen
o Absorberend: de informatie (vb. gewelddadige games…) wordt rechtstreeks opgenomen (maken je
gewelddadig)
Injectienaaldtheorie van Harold Lasswel (1972): de informatie en de zender staan centraal
o Media-inhoud wordt rechtstreeks “geïnjecteerd” in het publiek, geen ruimte voor interpretatie
Conclusie: publiek als ‘ontvanger’ = passieve interpretatie van het publiek
PUBLIEK = BEDENKER VAN BETEKENIS
Interactiemodel: encoding/decoding
model van Stuart Hall (1980)
De ontvanger en betekenisgeving en
staan centraal
Publiek geeft zelf betekenis aan media
1
, Uit zich in idee van feedback. Publiek als partij die ook informatie terugspeelt aan de zender
Maar ‘feedback’ is niet altijd op hetzelfde moment
o Face to face: feedback gebeurt meteen en rechtstreeks vb. gesprek
o Analoog gemedieerd: feedback gebeurt uitgesteld en onrechtstreeks vb. kijkcijfers
o Digitaal gemedieerd: feedback gebeurt meteen/uitgesteld en rechtstreeks/onrechtstreeks vb. clickcijfers
of comments
Conclusie: publiek als ‘betekenisgever’ = actievere interpretatie van het publiek
THE MEDIA GAP
= wanneer feedback loop tussen zender en ontvanger niet op hetzelfde moment plaatsvindt
= gaat over de tijd tussen zender en ontvanger, tussen het produceren van de boodschap door de zender, en het ontvangen
van de boodschappen door het publiek (in hun living, gemediatiseerd)
Bv een brief is 1 op 1, maar komt pas 24 uur later aan (100 000 sec); Live Televisie bereikt soms tot 1 miljoen kijker
binnen de seconde; Een film/ een boek duurt veel langer tot het een publiek bereikt
! hoe groter het publiek, hoe groter de mogelijke delay
Vandaag
(!) digitale en sociale media hebben vandaag een grote invloed op de tijd tussen het zenden en ontvangen van
content
hebben vaak op 1 seconden miljoenen bereik; en vaak ook onmiddellijke feedback (bv comment, like) > dit
verkleint de media gap
PUBLIEK = GEBRUIKER VAN TECHNOLOGIE
Een betekenisvolle & context-afhankelijke interactie tussen zender en ontvanger
Dubbele articulatie v. media = inhoud en technologie (Silverstone, 1990)
De context waarin media gebruikt worden & betekenis krijgen staat centraal
Uit zich in de idee van media als socio-technisch construct:
o Technologie vormt en wordt gevormd door ons gebruik ervan
o De context bepaalt mee hoe gebruikers die technologie vormgeven
De private context: gezinsleven, opvoeding, vrienden, etc.
De sociale context: maatschappelijke normen, economische en politieke context, etc.
2
,CONSTRUCTIVISME ALS LENS OM NAAR ‘HET PUBLIEK’ TE KIJKEN
Het publiek krijgt betekenis via context: er is niet 1 homogeen publiek
‘Het publiek’ is…
- Abstract: het publiek is te groot om te ‘kennen’ > we theoretiseren het publiek
- Contingent: het publiek ontstaat in specifieke situaties die veranderlijk zijn
- Context-afhankelijk (situated): welke betekenis het concept ‘publiek’ krijgt is afhankelijk van de historische,
institutionele of academische context waarin die betekenis wordt gegeven
IMAGINAIRE AUDIENCE
“Audiences may be imagined empirically, theoretically, or politically, but in all cases the product is a fiction, which serves the
needs of the imagining institution.”
We kennen het publiek niet de manier om naar een publiek te kijken kan op verschillende manieren en is context-
afhankelijk
DRIE THEORETISCHE MODELLEN VAN HET MEDIAPUBLIEK
- Uitkomst: Wat zijn de effecten van media op het publiek (als ontvanger)? (geen focus op het publiek maar op de
media-effecten)
- Massa: Wie is er deel van het publiek? Hoe groot is het publiek? (vaak kwanti)
- Agents: Wat doet het publiek zelf met media? Hoe worden media(inhouden) geïnterpreteerd?
1.2 EEN KORTE GESCHIEDENIS VAN DE EERSTE PUBLIEKEN
“Van real-time interactie naar… een hyper-gepersonaliseerde media-ervaring”
Oude Grieken & Romeinen (700 v.C. – 1400 n.C.): Het ‘publieke’ publiek
o Focus op real-time events: een massa wordt aangesproken in dezelfde ruimte en tijd
o Mondelinge communicatie (retoriek)
Publiek kwam samen op marktplein
Niet enkel entertainment, ook roddels, politiek, oorlog…
Aanwezig zijn = automatisch participant zijn
o Publiek = actieve en participerende burgers
De Nieuwe Tijd (vanaf 1400): Komst van de boekdrukkunst (1440)
o Scheiding tussen de zender en ontvanger in afstand en tijd (media gap)
Eerste keer dat mensen niet fysiek samen moeten zijn om te communiceren
3
, Lezers lezen hetzelfde boek, dezelfde boodschap, maar zijn gescheiden door tijd en afstand
Boeken kunnen gelezen worden in de verre toekomst nog grotere media gap
o Publiek = verspreid en onzichtbaar (virtueel) voor de schrijver/zender
19e eeuw: ‘Het publiek’ werd negatief afgebeeld als de menigte: ‘the crowd’
o De psychopathologie van de massa
> ervan uitgaan dat mensen zich in een massa anders (gewelddadig) gaan gedragen dan wnnr ze
alleen zijn (negatieve perceptie van het publiek)
> Negatieve connotatie van de massa
o ‘Het publiek’ in publieke ruimten wordt geassocieerd met:
Opstandig, gewelddadig
Lage sociale klasse: “the working class”
Verlies van individuele persoonlijkheid en agency
Geleid door collectiviteit (vs. Rede)
20e eeuw: Publiek met ‘vrije tijd’ & de opkomst van bewegend beeld: verdeling in culturele activiteiten per sociale
klasse
SAMENHANG SOCIO-POLITIEKE MACHTSSTRUCTUREN
Wie het publiek definieert, bepaalt hoe hun rol in de mediaomgeving wordt begrepen
Sommige perspectieven benadrukken de invloed van het mediagebruikers en hun rol in de interpretatie en
verspreiding van media inhoud
Sommige perspectieven benadrukken de invloed van mediamakers en hun rol in het beïnvloeden van passieve
mediagebruikers
1.3 HET MEDIAPUBLIEK EN NOTIES VAN MACHT
STRUCTUUR & AGENCY (GIDDENS, 1987)
Structuur = een type van sociaal gedrag of een set van interacties of relaties
tussen mensen dat gereproduceerd worden over de tijd heen. Meestal
institutioneel. Bv.: de Kerk, het onderwijs, kapitalisme, sociale
mediaplatformen…
= dingen die je doet zonder er bewust over na te denken zonder expliciete
afspraken, onuitgeschreven regels
Agency = handelingen en eigen beslissingen van het individu binnen dit systeem.
Met deze acties voeden individuen zowel de verandering maar zeker ook de
reproductie van het systeem. Bv. Door te betalen (kapitalisme); les te volgen
(schoolsysteem)
= mensen houden systemen in stand door hun gedrag
Debat: de vraag wordt gesteld of menselijk gedrag wordt bepaald door sociale structuren of wordt ingegeven door
individuele autonomie. Sommige visies benadrukken dat structuren de handelingen waarover individuen beschikken sterk
beperken, of ‘structureren’
4