slikken en slokdarmmotiliteit
- de slikbeweging: 3 fasen
o het orale stadium
o het faryngeale stadium
o het oesofagale stadium
de faryngo-oesofagale sfincter (UOS)
het slokdarmlichaam
de LOS of gastro-oesofagale sfincter
o bezenuwing van de slokdarm
algemene bezenuwing van de slokdarm
de regeling van de LOS in rust
de slikbeweging in het gladde spierceldeel van de slokdarm
de LOS relaxatie tijdens het slikken
o spontane relaxaties van de LOS
o de pyrosis en achalasie
- maagmotiliteit
o maagmotiliteit in nuchtere toestand
o maagmootiliteit na inname van voedsel
de proximale maag
de maagexpansie
maagopslag
de distale maag
o mengen en malen van het voedsel
o maagontleding
- dundarmmotiliteit
- colonmotiliteit
o motoriek van de dikke darm
o postprandiale versus interdigestieve activiteit
- anorectale motiliteit en defaecatie
- galblaas en sfincter van Oddi
o de galblaasmotiliteit
o sfincter van Oddi
, algemene inleiding
extrinsieke innervatie – afferent/efferent
- adrenerg zenuwstelsel
o orthosympaticus
o neuronen die contact maken met darm liggen buiten de darm
o NT: adrenaline
- cholinerg zenuwstelsel
o n. vagus parasympaticus
90% sensibele of afferente zenuwen
10% motorische of efferente zenuwen maken direct contact met neuronen ENS
o NT: acetylcholine
o sacrale PS banan voornamelijk motorisch
o cellichamen in sacrale ruggemerg of ganglia naast rectum in kleine bekken
- parasympatische innervatie:
o = synaps met excitatorische en inhibitorische neuronen in plexi
o functie: stimulatie van motiliteit en secreties
o excitatorisch
n. vagus (X)
acetylcholine & substance P
o inhibitorisch: NO & VIP, ATP, PACAP
n. hypoglossus: belangrijk bij het sllikken
submucosa anatomie van de intrinsieke innervatie
- indeling enterisch zenuwstelsel: “little brain of the gut”
o muscularis mucosae
o submucosa: plexus van Meissner
o circulaire spierlaag: myenterische plexus van Auerbach
o longitudinale spierlaag
o serosa
peristaltische reflex
- = basis van hele motiliteit doorheen gastrointestinale tractus
- ⟶ belangrijk: reflexboog: via tryptofaan serotonine produceren
o 70% van alle serotonine zitten in darm
- 1. voedsel ⟶ cellen scheiden serotonine af ⟶ activatie intrinsiek
afferent neuron ⟶ distaal van bolus (naar anaal toe) relaxatie zodat er
plaats is voor bolus ⟶ inhibitor motorneuron (NO en VIP)
- 2. excitatoir motorneuron = stimulerend ⟶ gaat Ach- substance P vrijzetten ⟶ spiercontractie
interstitiële cellen van Cajal
= pacemakers van darm = spontane flux-genererende activiteit
- bepalen frequentie darmcontracties
- netwerk gladde spiercellen connecteren, verbonden via gap junctions → elektrisch syncytium ⟶ overgebracht naar
spiercellen ⟶ aan top slow waves kan spier samentrekken als er stimulus is om contractie te veroorzaken
- als er geen ICC zijn → geen slow wave activiteit → verstoorde motiliteit
o (w/wv muizen zijn mutante muizen)
alleen als er AP optreedt tijdens slow wave contraheert spiercel
o frequentie van slow waves (bepaald door ICC) varieert sterk: 3/min in de maag, 10-12/min in
de dunne darm
o enkel als NT vrijstelling tijdens slow wave krijg je AP ⟶ Ca influx ⟶ contractie
gladde spiercellenn en ICCs
- depolarisatie: stimulatie door: uitrekking, acetylcholine, parasympatisch
- hyperpolarisatie: stimulatie door: noradrenaline, sympatisch