3. cellen van het bindweefsel
i. extracellulaire matrix
i. bindweefsel komt in veel vormen
ii. elementair bindweefsel
iii. de extracellulaire matrix is weefselspecifiek
iv. de extracellulaire matrix biedt structuur
v. de extracellulaire matrix heeft ook een signaalfunctie
vi. integrine receptoren
vii. belangrijke signaalcascades die door ECM proteïnes geactiveerd worden
ii. cellen in bindweefsel
a. fibroblasten
i. fibroblasten produceren en moduleren ECM
ii. wat produceren fibroblasten?
iii. waarvoor zijn fibroblasten belangrijk?
iv. belangrijke signaaltransductiecascades voor de regulatie van fibroblast functie
v. TGF-𝞫 receptoren in fibroblasten en effecten
vi. de wondheling respons
b. macrofagen
i. macrofagen: grote eters
ii. plasticiteit van macrofagen
c. T cellen
i. T-lymfocyten cellen
ii. signaaltransductie in T-cellen
iii. signaal-componenten als drug-targets: immuno-suppressiva
d. mast cellen
i. case-study: misregulatie van drijvende kracht kan je ziek maken
ii. mast cellen
iii. allergiën zijn meestal IgE afhankelijk
iv. mast cellen en allergie
v. histamine vrijzetting
vi. mastcel activatie via Fc𝛆RI: Ca moet stijgen!
e. adipocyten
i. vetcellen (adipocyten)
ii. adipocyten produceren adipokines
iii. bruine vetcellen produceren warmte!
, vooraf: waarom celfysiologie?
bindweefsel komt in veel vormen
- embryonic bindweefsel: mesemchym vs muceus
- adult bindweefsel:
o proper: los vs dens: regular/irregular
o gespecialiseerd: kraakbeen, bot, vet, bloed
elementair bindweefsel
- bestaat uit netwerk proteinevezels, vloeistof (de interstitiele vloeistof) en cellen
- extracellulaire matrix (ECM): verzamelnaam voor niet-cellulaire componenten van bindweefsel
- belangrijke celtypes in bindweefsel: fibroblasten, macrofagen, mastcellen en andere types van immuuncellen.
extracellulaire matrix
1. weefselspecifiek/weefselidentiteit
o bestaat vooral uit proteinevezels: isovormen collageen-vezels, fibronectine en proteoglycanen (elastine)
o samenstelling van ECM, en vooral van proteinevezels die erin voorkomen zijn weefselspecifiek
epimysium: collageen I, unduline, tenascine, fibronectine, … = rond spierbundel
perimysium: collageen I, III, V, VI, dermatan sulfaat, decorine, fibronectine, …
basale lamina: collageen I, III, IV, laminine, fibronectine, PGs, dystroglycan, nidogen, merosine,
elastine, groeifactoren, …
individuele cel ⟶ fascikel ⟶ spierbundel
2. biedt structuur: structurele rol
o biedt structuur en stevigheid aan weefsels.
o bv. spieren: verbonden met contractiele proteines in cel, via
costameren, zodat contractiekracht spiercel wordt voortgezet naar
omliggend weefsel
o costameren = verankering IN spierbundel = laminine bindt aan
receptor in celmembraan en is via adaprotproteines verbonden met actine cytoskelet in cel en ECM
3. signaalfunctie
o interactie ECM componenten met receptoren in celmembraan activeert specifieke intracellulaire
signaaltransductiecascades die rol spelen in cel adhesie en migratie (en bij vorming en vernieuwing
weefsel), opbouwen en afbreken ECM, maar ook in cel proliferatie en cel overleving. aspect kanker is
abnormale samenstelling en interactie van ECM met cellen.
o integrinereceptoren: typische membraanreceptor: zelf geen kinase activiteit
integrine receptoren
- opgebouwd als heterodimeren
o 18 verschillende genen voor de alfa- subeenheid
o 8 verschillende genen voor de ß-subeenheid bekend in het zoogdiergenoom
o vormen essentiele verbinding tussen actine cytoskelet en ECM, maar activeren ook intracellulaire
signaaltransductiecascades
- receptor complex heeft geen kinase activiteit, maar activeert kinases.
- functie: oa voor Focal Adhesion Kinase (FAK) en familie SRC kinases → cruciale rol bij manier waarop cel zijn
‘plaats’ vindt in weefsel.