ECONOMIE B
H0 VAN MICRO NAAR MACRO ECONOMIE
(STRUCTUUR DIA!)
Overzicht (M A C R O)
Welvaart
= ‘mate waarin mensen in hun behoeften kunnen voorzien’? ‘Hoe goed mensen het
op economisch vlak hebben’? ‘Het effect van economische activiteit op mensen’?
Consumptie? Inkomen? Productie?
Vaak doelt men impliciet op “economische activiteit”
Hoeveel consumptie of productie
Verschillend van micro-economie: CS en PS...
Wat beïnvloedt/bepaalt economische activiteit?
Veel beïnvloedende factoren
Schokken op welvaart (AI, gasprijzen, begrotingsmaatregelen…)
WAT IS MACRO ECONOMIE?
= de studie van de werking en de ontwikkeling van een economie in haar geheel
Evolutie en samenhang van aantal ‘geaggregeerde’ variabelen
Voor een economie (regio, land, landen, continent, wereld)
Economische groei, crisis, werkloosheid, saldo op de begroting…
‘STABILISATIEBELEID’
Hoe kan inflatie bestreden worden? Reactie regering bij hoge gasprijzen,
pandemie, werkloosheid bestrijden
“Macroeconomics is Economics of the economy”
INLEIDING
Micro-economische analyse
Gedragingen van individuele agenten: consumenten en producenten
Q Vij : gevraagde hoeveelheid van individu i naar goed j
V A
Aggregatie over i tot vraag Q j en aanbod Q j per markt j
Partiële analyse
“Ceteris paribus”
V V
‘Als p stijgt, daalt de individueel gevraagde hoeveelheid Q ij en ‘als p stijgt, daalt Q j
Interessant, MAAR wat met andere aggregaten?
Analyse van alle bestedingen, alle productie Q A en consumptie Q V ?
Als alle prijzen stijgt, ontvangen verkopers meer, dus stijgt hun inkomen?
Als het inkomen stijgt, kan er meer geconsumeerd worden? En geproduceerd?
Of wordt er meer gespaard? Of geïnvesteerd?
Als alle prijzen stijgen, is er inflatie…
, Economie B Pagina 2
Kunnen we micro denken doortrekken naar de macro-economie + macro is ceteris non
paribus
Stel N goederen & diensten (micro)
We nemen som van transacties: PQ= p1 q1 + p2 q2 + p3 q3 +…+ p N q N
N
PQ=∑ pi qi
i=1
Als we het gedrag van elke pi qi kunnen analyseren, dan ook het geheel PQ ?
IS MACRO DE OPTELSOM VAN MICRO?
“Kan je het aggregaat (macro) begrijpen door analyse van onderliggende delen:
consumenten en producenten (micro)?”
NIET VOLLEDIG
JA - gevolg geen macro analyse nodig
Meningsverschillen NIET over meetinstrumenten, WEL over analyse (het model)
Drie redenen waarom macro meer is dan optelsom van micro (klemtoon dus belangrijk!)
DE ECONOMISCHE KRINGLOOP (verbanden tussen landen)
Verband
Markten van finale goederen en diensten
Markten van productiefactoren (arbeid en kapitaal)
Kringloop
Groepen huishoudingen (Gezinnen, bedrijven, Overheid, Buitenland)
Gesloten circuit: uitgaven van de ene vormen inkomsten van de andere
Finale goederen en diensten, productiefactoren, Geld, Verkoop van goederen en
diensten levert PQ op, daarmee productiefactoren betalen (loon, huur, pacht,
intrest, dividend,)
Veranderingen in markten van g&d hebben gevolgen voor markten van productiefactoren,
dus inkomens
Veranderingen in markten van productiefactoren (bvb productiviteit) hebben gevolgen voor
markten van g&d
Drie realiteiten: productie,
inkomens en bestedingen
, Economie B Pagina 3
DE REEËLE KRINGLLOOP
Verband tussen ‘bovenkant’ en ‘onderkant’
Inflatie heeft andere effecten dan o.b.v. micro
Het effect via inkomen werd micro-economisch verwaarloosd (c.p.)
Omdat we maar naar één markt kijken
Macro-economisch kan je dat niet verwaarlozen
Macro is dus niet de som van micro
DE WET VAN SAY (Jean Baptiste Say)
Elk aanbod creëert zijn eigen vraag’ DUS alle inkomen wordt geconsumeerd
Niet alleen consumptie
Ook sparen, hetgeen leidt tot investeringen
Illustreert dat er macro-economisch terugkoppelingseffecten zijn die micro-economisch
buiten beschouwing worden gelaten
‘Aggregatief aanbod en aggregatieve vraag zijn altijd in evenwicht’
Say reageerde op vrees: toename productie bij Industriële Revolutie zou ophouden
omdat de vraag niet zou meestijgen
‘Nationaal inkomen hangt af van productiecapaciteit’ (=aanbod)
Bij onevenwichten: het prijsmechanisme zorgt voor evenwicht
1. Als Sparen > Investeringen => Intrest past zich aan tot evenwicht
2. Als werkloosheid => loon daalt tot evenwicht
3. Onevenwichten kunnen niet lang bestaan
4. Dus: groot vertrouwen in prijsmechanisme
Maar meningverschillen…
Keynes: onevenwichten worden niet zo vanzelf weggewerkt
Gebrekkige werking van het prijsmechanisme
Crisissen kunnen lang aanhouden
Voorbeelden:
Loondaling kan zorgen voor evenwicht, maar zorgt ook voor lagere
consumptie…
Mensen kunnen geld oppotten => sparen is niet gelijk aan
investeringen
GELD (bij micro geen sprake van + reeël of
nominaal)
Micro-economisch: alles is reëel: geld is neutraal
, Economie B Pagina 4
Geld(hoeveelheid) speelde geen rol
Waarde werd uitgedrukt in geldeenheden, maar enkel relatieve waardering tussen
reële grootheden relevant
Agenten zijn niet myopisch (= er is geen geldillusie)
Macro-economisch
Monetaire kringloop en reële kringloop
Tegenover elke reële transactie (goederen, diensten, productiefactoren)
Een geld- of monetaire transactie
Reële kringloop onafhankelijk van monetaire kringloop?
“Is geld neutraal?”
GELDILLUSIE (IRVING FISHER)
= tendens om te veel op nominale waarde te focussen (in plaats van op de reële waarde)
= denken dat geld meer waard is dan het echt is, omdat je inflatie of koopkracht vergeet
mee te rekenen.
Economische agenten baseren hun gedrag te veel op nominale evoluties
Gedrag: investeren, consumeren, werken...
Prijzen worden uitgedrukt in geldeenheden
Relatieve schaarste van een product (reëel) t.o.v. relatieve schaarste van geld
(monetair)
Relatieve prijswijzigingen versus inflatie
De klassieke kwantiteitswet (Fisher-vergelijking)
De totale gelduitgaven in een jaar = de totale waarde van verkochte goederen en
diensten in dat jaar.
PQ = MV
Waarde van g&d in één jaar stroom geld in 1 jaar
P het algemeen prijspeil
Q hoeveelheid verhandelde g & d (stroom g& d)
M de geldhoeveelheid (voorraad geld)
V de omloopsnelheid van het geld (aantal keer dat een euro uit M gebruikt wordt)
KOOPKRACHT BEREKENEN
Bedrag/ p (1+pi)
NEUTRALITEIT VAN GELD (op LT ja op KT Nee)
MV = PQ
Schokken in het geldcircuit
Omloopsnelheid V
Geldhoeveelheid M
Hebben geen reële effecten
= Q blijft gelijk (P wijzigt, loon wijzigt)