Samenvatting
persoonlijkheidspsychologie
HOC’s (15 vragen examen):
1. Inleiding tot persoonlijkheidstheorieën
1.1 Wat is persoonlijkheid?
Woord komt van “persona”
o Latijns voor “masker”
o Mensen droegen maskers tijdens een theatervoorstelling, hier speelden ze
vaak de rol die ze speelde tijdens hun leven, een soort façade
Persoonlijkheid = een patroon van relatief permanente karaktertrekken
(traits) en unieke kenmerken die zowel voor consistentie als individualiteit
zorgen in het gedrag van een persoon
o Traits (trekken) --> vb sociaal, extravert, plichtsbewust, … (iedereen heeft
een uniek aantal combinaties van trekken)
Consistentie over tijd
Individuele verschillen in gedrag
Stabiliteit over situaties (vb je bent niet alleen thuis plichtsbewust)
o Kenmerken
Unieke kwaliteiten (bv. temperament, intelligentie)
1.2 Wat is een theorie?
Definitie theorie
o Een set van gerelateerde veronderstellingen die wetenschappers toelaten
om op basis van logisch deductief redeneren testbare hypotheses te
formuleren
Theorie is verwant met, maar verschillend van
o Speculatie
Theorie moet verbonden worden aan empirische data en wetenschap
o Hypothese
Specifiek vermoeden dat kan getest worden aan de hand van een
wetenschappelijke methode
o Taxonomie
Classificatie (systeem) volgens natuurlijke relaties
Waarom bestaan er meerdere theorieën?
Verschillende persoonlijke achtergronden
o Ervaringen tijdens de kindertijd
o Interpersoonlijke relaties
Verschillende filosofische oriëntaties
Data die gekozen wordt om te observeren is verschillend
Unieke manieren om naar de wereld te kijken
1
,De persoonlijkheid van theoretici en hun theorieën over persoonlijkheid
‘Psychology of Science’ (psychologie van de wetenschap)
o De empirische studie van het wetenschappelijk denken en gedrag
(inclusief theorie constructie) van een wetenschapper
De persoonlijkheden en de psychologie van verschillende theoretici beïnvloedt
de aard van de theorieën die ze ontwikkelen
Wat maakt een theorie zinvol: criteria voor het evalueren / beoordelen van een
theorie
Genereert onderzoek
o Brengt onderzoek voort
Is falsifieerbaar
o Te verifiëren, controleren
Organiseert gekende data
Leidt handelen
o Praktisch
Is intern consistent
Is spaarzaam
o Niet complexer dan noodzakelijk is
Aan al deze kenmerken moet een theorie zeker voldoen!!!
1.3 Dimensies voor een ‘concept’ over de mensheid
Determinisme (alles ligt al vast) vs. vrije keuze
Pessimisme vs. optimisme
Causaliteit (gedrag uitleggen door te kijken naar het verleden) vs.
teleologie (gedrag uitleggen door te kijken naar de toekomstige doelen van
de mens)
Bewuste vs. onbewuste determinanten van gedrag
Biologische vs. sociale invloeden op persoonlijkheid
Individualiteit (iedereen heeft zijn unieke combinaties van trekken) vs.
similariteit (gelijkenis vb overal ter wereld vind je mensen die extravert of
introvert zijn)
1.4 Onderzoek naar persoonlijkheidstheorieën
Moet onderzoek genereren
o Theorie geeft betekenis aan data
o Data komen voort uit onderzoek ontworpen om hypotheses te testen die
afgeleid zijn van de theorie
Systematische observaties
o Predicties (voorspellingen) zijn consistent en accuraat
Twee empirische criteria voor meetinstrumenten
o Betrouwbaarheid (reliability)
Consistentie van het meten
Validiteit:
o Construct Validiteit (= mate waarin een test een hypothetisch construct
meet)
Convergerend (hoog correleren)
Divergerend (laag correleren)
2
, Discriminant (kan een test mensen onderscheiden?)
o Predictieve validiteit (kan een test toekomstig gedrag voorspellen)
1.5 Niet-Westerse benaderingen
Boeddhistische persoonlijkheidstheorie
o Niet-theïstisch (geen geloof ultiem wezen)
o Individuele verlichting, beëindigen lijden
o 4 “edele” waarheden en het achtvoudige pad
o Nirvana (een staat van niet zelf zijn) en karma
Chinese persoonlijkheidstheorie
o Confucianisme
o Collectivistisch
Islamitische persoonlijkheidstheorie
o Collectivistisch
o Nafs, qalb, roh, + a’ql
2. Freud (1856-1939)
Freud: wetenschappelijke basis voor onderdrukking van herinneringen uit de
kindertijd?
Casus (zie bv. Chu, 1997): Prof. Ross Cheit (politieke wetenschappen)
o 1992: zijn zuster belt hem dat zijn neefje bij een koor gaat
o Ross is onverklaarbaar niet blij, maar gespannen
o Weken die volgen wordt hij depressief etc.
o Herinnert zich plots seksueel misbruik door de beheerder van het koor
waar hij als kind bij was
o Blijkt waar na objectief onderzoek
o Schuldige gearresteerd in 1994 (misbruik vond plaats 1967/1968)
2.1 Overzicht psychoanalytische theorie
Psychodynamische theorieën:
o Psychoanalyse–
De methode die Freud toepaste bij de behandeling van psychische
stoornissen
o Psychoanalytische theorie
De persoonlijkheidstheorie van Freud
Wat maakt deze theorie interessant?
o Bouwstenen: Seks en agressie
o Verspreid door een toegewijde groep
o Briljante taal (Goethe prijs voor literatuur)
Kon zijn ideeën goed verkopen met zijn taal
3
, 2.2 Biografie van Freud
Geboren in Freiberg (Moravia; nu Pribor in Tsjechië) in 1856
Bracht grootste deel van zijn leven (80 jaar) door in Wenen (Oostenrijk)
Was de oudste zoon van acht kinderen (favoriet van zijn moeder)
Studeerde geneeskunde, specialisatie in psychiatrie; interesse voor
wetenschap
Bestudeerde ‘hysterie’ samen met Charcot & Breuer (cf. gevalsstudie Anna O.)
Studies over hysterie (1895)
Verliet de verleidingstheorie in 1897 en verving deze door het Oedipus
complex
Schreef in 1900 Interpretation of Dreams
Ontwikkelde na 1900 een internationale aanhang
Uit Oostenrijk verdreven door de Nazi’s in 1938
Overleden in Londen in 1939
Video van Freud:
o Belang van inrichting van het huis voor zijn theorie
Alle beeldjes zijn oud, antiek, ze komen vaak uit opgravingen
verwijst naar het uitgraven wat verborgen was maar dan heel
voorzichtig
2.3 Freud’s model van de geest
Niveaus van het mentale leven
Onbewuste
o Buiten bewustzijn
Omvat driften en instincten
Is alleen indirect/onrechtstreeks gekend
o Twee bronnen van onbewuste processen
Repressie (verdrukking)
Fylogenetische gave
Voorbewuste
o Niet in bewustzijn aanwezig, maar kan het
worden
Bewuste
o Mentale leven dat direct beschikbaar is,
speelt een beperkte rol
Niveaus van bewustzijn
Bewustzijn
o Hersenprocessen waarvan we bewust zijn (bv. nadenken over hoe iets op
te lossen of aan wat denk je nu?)
Niet-bewuste
o Alle processen in de hersenen die buiten het bewustzijn omgaan (bv.
hartslag, ademen, controle interne organen)
Voorbewuste
4
persoonlijkheidspsychologie
HOC’s (15 vragen examen):
1. Inleiding tot persoonlijkheidstheorieën
1.1 Wat is persoonlijkheid?
Woord komt van “persona”
o Latijns voor “masker”
o Mensen droegen maskers tijdens een theatervoorstelling, hier speelden ze
vaak de rol die ze speelde tijdens hun leven, een soort façade
Persoonlijkheid = een patroon van relatief permanente karaktertrekken
(traits) en unieke kenmerken die zowel voor consistentie als individualiteit
zorgen in het gedrag van een persoon
o Traits (trekken) --> vb sociaal, extravert, plichtsbewust, … (iedereen heeft
een uniek aantal combinaties van trekken)
Consistentie over tijd
Individuele verschillen in gedrag
Stabiliteit over situaties (vb je bent niet alleen thuis plichtsbewust)
o Kenmerken
Unieke kwaliteiten (bv. temperament, intelligentie)
1.2 Wat is een theorie?
Definitie theorie
o Een set van gerelateerde veronderstellingen die wetenschappers toelaten
om op basis van logisch deductief redeneren testbare hypotheses te
formuleren
Theorie is verwant met, maar verschillend van
o Speculatie
Theorie moet verbonden worden aan empirische data en wetenschap
o Hypothese
Specifiek vermoeden dat kan getest worden aan de hand van een
wetenschappelijke methode
o Taxonomie
Classificatie (systeem) volgens natuurlijke relaties
Waarom bestaan er meerdere theorieën?
Verschillende persoonlijke achtergronden
o Ervaringen tijdens de kindertijd
o Interpersoonlijke relaties
Verschillende filosofische oriëntaties
Data die gekozen wordt om te observeren is verschillend
Unieke manieren om naar de wereld te kijken
1
,De persoonlijkheid van theoretici en hun theorieën over persoonlijkheid
‘Psychology of Science’ (psychologie van de wetenschap)
o De empirische studie van het wetenschappelijk denken en gedrag
(inclusief theorie constructie) van een wetenschapper
De persoonlijkheden en de psychologie van verschillende theoretici beïnvloedt
de aard van de theorieën die ze ontwikkelen
Wat maakt een theorie zinvol: criteria voor het evalueren / beoordelen van een
theorie
Genereert onderzoek
o Brengt onderzoek voort
Is falsifieerbaar
o Te verifiëren, controleren
Organiseert gekende data
Leidt handelen
o Praktisch
Is intern consistent
Is spaarzaam
o Niet complexer dan noodzakelijk is
Aan al deze kenmerken moet een theorie zeker voldoen!!!
1.3 Dimensies voor een ‘concept’ over de mensheid
Determinisme (alles ligt al vast) vs. vrije keuze
Pessimisme vs. optimisme
Causaliteit (gedrag uitleggen door te kijken naar het verleden) vs.
teleologie (gedrag uitleggen door te kijken naar de toekomstige doelen van
de mens)
Bewuste vs. onbewuste determinanten van gedrag
Biologische vs. sociale invloeden op persoonlijkheid
Individualiteit (iedereen heeft zijn unieke combinaties van trekken) vs.
similariteit (gelijkenis vb overal ter wereld vind je mensen die extravert of
introvert zijn)
1.4 Onderzoek naar persoonlijkheidstheorieën
Moet onderzoek genereren
o Theorie geeft betekenis aan data
o Data komen voort uit onderzoek ontworpen om hypotheses te testen die
afgeleid zijn van de theorie
Systematische observaties
o Predicties (voorspellingen) zijn consistent en accuraat
Twee empirische criteria voor meetinstrumenten
o Betrouwbaarheid (reliability)
Consistentie van het meten
Validiteit:
o Construct Validiteit (= mate waarin een test een hypothetisch construct
meet)
Convergerend (hoog correleren)
Divergerend (laag correleren)
2
, Discriminant (kan een test mensen onderscheiden?)
o Predictieve validiteit (kan een test toekomstig gedrag voorspellen)
1.5 Niet-Westerse benaderingen
Boeddhistische persoonlijkheidstheorie
o Niet-theïstisch (geen geloof ultiem wezen)
o Individuele verlichting, beëindigen lijden
o 4 “edele” waarheden en het achtvoudige pad
o Nirvana (een staat van niet zelf zijn) en karma
Chinese persoonlijkheidstheorie
o Confucianisme
o Collectivistisch
Islamitische persoonlijkheidstheorie
o Collectivistisch
o Nafs, qalb, roh, + a’ql
2. Freud (1856-1939)
Freud: wetenschappelijke basis voor onderdrukking van herinneringen uit de
kindertijd?
Casus (zie bv. Chu, 1997): Prof. Ross Cheit (politieke wetenschappen)
o 1992: zijn zuster belt hem dat zijn neefje bij een koor gaat
o Ross is onverklaarbaar niet blij, maar gespannen
o Weken die volgen wordt hij depressief etc.
o Herinnert zich plots seksueel misbruik door de beheerder van het koor
waar hij als kind bij was
o Blijkt waar na objectief onderzoek
o Schuldige gearresteerd in 1994 (misbruik vond plaats 1967/1968)
2.1 Overzicht psychoanalytische theorie
Psychodynamische theorieën:
o Psychoanalyse–
De methode die Freud toepaste bij de behandeling van psychische
stoornissen
o Psychoanalytische theorie
De persoonlijkheidstheorie van Freud
Wat maakt deze theorie interessant?
o Bouwstenen: Seks en agressie
o Verspreid door een toegewijde groep
o Briljante taal (Goethe prijs voor literatuur)
Kon zijn ideeën goed verkopen met zijn taal
3
, 2.2 Biografie van Freud
Geboren in Freiberg (Moravia; nu Pribor in Tsjechië) in 1856
Bracht grootste deel van zijn leven (80 jaar) door in Wenen (Oostenrijk)
Was de oudste zoon van acht kinderen (favoriet van zijn moeder)
Studeerde geneeskunde, specialisatie in psychiatrie; interesse voor
wetenschap
Bestudeerde ‘hysterie’ samen met Charcot & Breuer (cf. gevalsstudie Anna O.)
Studies over hysterie (1895)
Verliet de verleidingstheorie in 1897 en verving deze door het Oedipus
complex
Schreef in 1900 Interpretation of Dreams
Ontwikkelde na 1900 een internationale aanhang
Uit Oostenrijk verdreven door de Nazi’s in 1938
Overleden in Londen in 1939
Video van Freud:
o Belang van inrichting van het huis voor zijn theorie
Alle beeldjes zijn oud, antiek, ze komen vaak uit opgravingen
verwijst naar het uitgraven wat verborgen was maar dan heel
voorzichtig
2.3 Freud’s model van de geest
Niveaus van het mentale leven
Onbewuste
o Buiten bewustzijn
Omvat driften en instincten
Is alleen indirect/onrechtstreeks gekend
o Twee bronnen van onbewuste processen
Repressie (verdrukking)
Fylogenetische gave
Voorbewuste
o Niet in bewustzijn aanwezig, maar kan het
worden
Bewuste
o Mentale leven dat direct beschikbaar is,
speelt een beperkte rol
Niveaus van bewustzijn
Bewustzijn
o Hersenprocessen waarvan we bewust zijn (bv. nadenken over hoe iets op
te lossen of aan wat denk je nu?)
Niet-bewuste
o Alle processen in de hersenen die buiten het bewustzijn omgaan (bv.
hartslag, ademen, controle interne organen)
Voorbewuste
4