DE SOCIALE PSYCHOLOGIE
1.1 STUDIEOBJECT VAN DE SOCIALE PSYCHOLOGIE
1.1.1 GEBIEDSOMSCHRIJVING
SOCIALE PSYCHOLOGIE (GORDON ALLPORT) = de wetenschappelijke studie van
de manier waarop de gedachten, gevoelens en handelingen van de mensen
beïnvloed worden door de feitelijke, voorgestelde of geïmpliceerde aanwezigheid
van andere mensen.
EEN WETENSCHAPPELIJKE STUDIE:
- In tegenstelling tot intuïtieve kennis of het gezond verstand
- Beweringen die empirisch getoetst (= feiten verzamelen en analyseren) kunnen
worden
DRIE ONDERZOEKSMETHODES:
Beschrijvende methode:
- Gevalstudie (= één specifiek geval, persoon of situatie wordt onderzocht)
- Doel: gedetailleerde observatie
- Geen verbanden tussen variabelen
- Geen manipulatie van variabelen
- Nauwgezetter en systematischer dan de intuïtieve benadering
- Beperking: subjectiviteit
- Vb. Een onderzoeker observeert en beschrijft het gedrag van studenten in de
bibliotheek, zoals hoeveel tijd ze besteden aan studeren versus socialiseren.
Correlationele methode (verkennende methode):
- Samenhang tussen variabelen uitgedrukt in een correlatie
- Toont geen oorzakelijk verband aan
- Geen manipulatie van variabelen
- Vb. Een studie onderzoekt de relatie tussen het aantal uren dat studenten
studeren en hun cijfers. De onderzoekers vinden een positieve correlatie: hoe
meer uren studeren, hoe hoger de cijfers.
Experimentele methode (verklarende methode):
- Maakt het mogelijk om te onderzoeken of een bepaalde variabele invloed heeft op
een andere
- Afhankelijke variabele: te meten variabele
- Onafhankelijke variabele: manipulatie of verandering van de variabele
- Experimentele en controle groep
- Causaal (oorzaak-gevolg) verband aantonen
- Vb. Een onderzoeker voert een experiment uit waarbij ze twee groepen studenten
blootstelt aan verschillende studiemethoden (bv. samenvatten versus herhalen)
om te zien welke methode effectiever is voor het leren van nieuwe informatie.
,EMPIRISCHE CYCLUS = een proces dat wetenschappers volgen om kennis op te
bouwen en hypotheses te toetsen.
1) Toevallige vaststellingen (leidt tot vaste overtuigingen bij intuïtieve
mensenkennis): Je merkt iets op in de werkelijkheid zonder dat je er specifiek naar
op zoek was.
2) Voorlopige hypothese: Op basis van deze observaties formuleer je een
voorlopige hypothese, een idee over wat er aan de hand zou kunnen zijn.
3) Concrete voorspellingen: Je maakt specifieke voorspellingen die voortvloeien
uit je hypothese; wat zou je verwachten als je hypothese klopt?
4) Gerichte observaties: Je voert gericht onderzoek of observaties uit om deze
voorspellingen te testen.
5) Eventueel bijgestelde hypothesen: Op basis van de resultaten van je
observaties kun je je hypothese bijstellen, bevestigen of verwerpen, waarna de
cyclus opnieuw kan beginnen.
GEDACHTEN, GEVOELENS EN HANDELINGEN VAN MENSEN:
ABC-model:
Affectieve component
Behaviour of gedragscomponent
Cognitief component
Innerlijke gedragsaspecten -> objectief observeerbaar: Hoewel gedachten en
gevoelens intern zijn, kunnen ze op bepaalde manieren worden waargenomen en
gemeten.
Directe weg:
Vb. feitelijke keuze maken: Je kunt mensen vragen om een keuze te maken uit
verschillende opties. Dit geeft directe informatie over hun voorkeuren of beslissingen.
Indirecte weg:
Vb. beoordelen van uitspraken: Mensen kunnen gevraagd worden om uitspraken te
beoordelen, wat inzicht kan geven in hun attitudes of overtuigingen. Dit kan bijvoorbeeld
door hen te laten aangeven hoe sterk ze het eens of oneens zijn met bepaalde stellingen.
Voorbeeld: autoritarisme:
Wat voor invloed een autoritair persoon heeft op een groep.
- Direct: Mensen vragen om een bepaalde autoritaire keuze te maken.
- Indirect: Mensen laten reageren op stellingen die verband houden met
autoritarisme om hun houding te peilen.
FEITELIJKE, VOORGESTELDE OF GEÏMPLICEERDE AANWEZIGHEID VAN ANDEREN:
Feitelijke aanwezigheid: Het gedrag, de emoties en gedachten van iemand worden
beïnvloed door een persoon die momenteel in de kamer aanwezig is.
, - Vb. Je doet je best in de les omdat de docent toekijkt.
Voorgestelde aanwezigheid: Het gedrag wordt beïnvloed door mensen die niet fysiek
aanwezig zijn, maar wel in gedachten of voorstellen worden meegenomen.
- Vb. Je kiest een outfit voor de onthaaldag, omdat je wilt dat je klasgenoten je leuk
vinden, ook al zijn ze nog niet in de kamer.
Impliciete aanwezigheid: Gedrag, emoties of gedachten worden beïnvloed door
iemand die daar bewust op wil aansturen, zelfs als diegene niet direct in de buurt is.
- Vb. Je koopt een bepaald merk schoenen omdat een bekende voetballer die
draagt, zelfs als je hem niet persoonlijk kent.
AANVULLINGEN OP DEFINITIE ALLPORT:
- Ook hoe we zelf actief inspelen op anderen
- Bewuste (intentionele) beïnvloeding en onbewuste beïnvloeding
Conclusie: het gaat niet om een specifiek gedrag, elk gedrag kan sociaal zijn. Het gaat
om de wijze waarop naar het gedrag wordt gekeken.
1.1.2 DE EIGEN INVALSHOEK VAN DE SOCIALE PSYCHOLOGIE
ONDERSCHEID MET DE SOCIOLOGIE:
- Sociologie = studie van een groep.
- Sociale psychologie = studie van een individu in een sociale context.
VERBAND MET PSYCHOLOGIËN:
Persoonlijkheidspsychologie ↔ Sociale Psychologie
Hoe mensen zich in groepen gedragen hangt af van hun persoonlijkheid.
Algemene Psychologie ↔ Sociale Psychologie
Basisprincipes zoals leren en emoties helpen begrijpen hoe mensen in sociale situaties
reageren.
Ontwikkelingspsychologie ↔ Sociale Psychologie
Sociale vaardigheden en relaties ontwikkelen zich door interacties met anderen.
Sociologie ↔ Sociale Psychologie
Sociale structuren en culturele normen beïnvloeden individueel gedrag in sociale
contexten.
1.2 ENKELE BELANGRIJKE EVOLUTIES
1.2.1 KENMERKEN VAN BIJ HET ONTSTAAN
EEN STERKE EXPERIMENTELE TRADITIE:
- Op een eenduidige manier aantonen welke factoren invloed hebben
- Storende variabelen kunnen onder controle worden gehouden
- Experiment van Norman Triplett (1898):
Eerste sociaal psychologisch experiment
Sociale invloed op de prestaties van een individu
Het opwinden van een visspoel: sneller wanneer er mensen toekijken of niet?