ALGEMENE BASISPRINCIPES EN MODELLEN
WISKUNDIG DENKEN IN HET BASISONDERWIJS
Nieuwe minimumdoelen voor wiskunde vanaf 1 september 2026
Wat?
Voor wie? Op populatieniveau vs. individueel
o Populatie: de klas
o Individueel: 1 kind
Zes domeinen:
Bewerkingen
Getallenkennis
Meten en metend rekenen
Meetkunde
Wiskundige problemen en vraagstukken
Kansrekenen en statistiek
De doelen die aanbod komen in de
wiskundelessen
Inzicht: concepten begrijpen,
verbanden zien (vb. weten dat de
vermenigvuldiging de omgekeerde
bewerking van de deling is,…)
Feitelijk: feiten die de kinderen kennen en kunnen reproduceren, definities, rekenfeiten,… (vb. tafels, ¼ =
25%,…) altijd automatiseren, nooit memoriseren! (memoriseren = vanbuiten leren zonder een manier
om er toch nog achter te komen als je het vergeten bent
Kunnen: vaardigheden (vb. kunnen het cijferalgoritme toepassen, kunnen lengte meten met een
rolmeter,…)
VISIE OP GOED REKENONDERWIJS IN DE TIJD VAN DE (OVER)GROOTOUDERS?
Jarenlang stond herhalen en memoriseren centraal
MECHANISCHE WISKUNDESTROMING = TRADITIONEEL REKENONDERWIJS
Tijd van de grootouders
Nadruk op individueel oefenen en herhalen (drillen)
Veel principes uit behavioristische leertheorie
Geen plaats voor samenwerking tussen leerlingen
Kerkhove P. Didactiek wiskunde 1 Pagina 1 van 34
,Leerkracht = sterk sturend en centraal
Vastliggende standaardprocedures
Via kleine leerstapjes
Hoe-vraag staat centraal (Wat moet achtereenvolgens gedaan worden?)
Inzicht tussen onderdelen komt niet aan bod
Geen plaats voor vondsten van kinderen
Niet veel contexten
Geen context bij start nieuwe leerstof
Inoefenen via kale oefeningen, daarna toepassingen
STRUCTURALISTISCHE WISKUNDESTROMING
Gedacht vanuit wiskundige structuren
Dus niet vanuit contexten of kinderen
Beperkt contextgebruik
Beperkt in functie van toepassingen
Richten zich meer op logische structuren en abstracte begrippen
Belang van leerkracht
Leerstof op inzichtelijke en speelse wijze overbrengen
Op niveau kinderen om 'abstracte' te kunnen verteren
Wel interactie, maar in functie van wat geleerd moet worden
Kritiek:
Reeds te vroeg abstract-theoretische denkwijzen aangebracht
Intuïtie en reeds aanwezige kennis kan niet gebruikt worden
Intrensieke motivatie leerlingen kon op die manier niet aangewakkerd worden
Vaardigheden als hoofdrekenen, cijferen, ... bleek achteruit te gaan
Het toepasbare karakter van wiskunde kwam niet echt tot uiting
REALITISCHE WISKUNDESTROMING
Vakdidactische principes:
1. Context als startpunt:
Context = situatie die kinderen aanspreekt en herkenbaar is (reëel of fictief)
o Geef een voorbeeld van een context als start bij een les over het gemiddelde
Contextgebruik bij begripsvorming
o Als verkenning van nieuwe begrippen en procedures
o Geef voorbeelden van realistische contexten in een les over de millimeter
om het begrip te vormen
Contextgebruik als verwerking van de leerstof
o Toepassingssituaties
2. Krachtige hulpmiddelen en schematische voorstellingen
Kerkhove P. Didactiek wiskunde 1 Pagina 2 van 34
, Krachtige hulpmiddelen aangeboden in de vorm van materialen, schema's,
Hulp bij verschillende niveaus van opereren (C - S - A)
3. Leerlingen moeten kenniselementen en bekwaamheden zelf verwerven, ontwikkelen en
opbouwen >
Constructies komen tot stand in interactie
Reflectie is van groot belang om tot hoger niveau te komen
4. Interactie
Interactie met leerkracht o.a. onderhandelen over betekenissen
Interactie met elkaar
Ook ruimte voor zelfstandig werk
5. Samenhang en vervlechting
TRAPSGEWIJZE ONTWIKKELING VAN MENTALE HANDELINGEN VAN GALPERIN
ORIËNTATIE
Oriënteer op de taak
Wat moet ik doen? Waarom moet ik het doen? Hoe moet ik het doen?
UITVOEREN VAN DE HANDELING IN MATERIËLE DEELSTAPPEN
De leerling voert de handeling uit met het materiaal
VERBAAL ONDERSTEUNEN VAN DE HANDELING
De leerling zegt hardop wat het doet
UITVOEREN VAN DE HANDELING TERWIJL HET KIJKT NAAR HET MATERIAAL MET
ONHOORBARE INNERLIJKE SPRAAK
Ook schema’s en tekeningen op werkbladen bieden visuele ondersteuning
DE HANDELING IS VERINNERLIJKT
Het materiaal is niet meer aanwezig
Er wordt dus steeds meer ‘uit het hoofd gewerkt’
VERVOLGENS
Verkorting van de handeling: niet alle stappen meer zetten
Kerkhove P. Didactiek wiskunde 1 Pagina 3 van 34
, Beheersing van de handeling: automatisatie
Transfer: handeling toepassen in nieuwe situaties
WE BESPREKEN DRIE DIDACTISCHE MODELLEN
CSA-MODEL
Concreet – schematisch – abstract
Concreet:
o Materiaal uit de realiteit = realia
o Didactisch materiaal
Schematisch:
o Ook wel modellen genoemd
IJSBERGMODEL
Formele topje van de ijsberg
↑
Schematische weergaven
↑
Betekenisvolle contexten
HANDELINGSMODEL
Het handelingsniveau waarop de leerling rekent is het uitgangspunt voor de nieuwe instructie.
Handelingsniveaus van concreet naar abstract
Handelen in de werkelijkheid met concrete materialen binnen een
betekenisvolle context
o Handelen = met concreet materiaal gaan uitvoeren
Door afbeeldingen van contexten te gebruiken
Door met didactische materialen te handelen
Door modellen of schema's in te zetten
Bewerking 'kaal' maken
Op elk niveau leerlingen laten verwoorden!
Ook de leerkracht kan verwoorden.
Kerkhove P. Didactiek wiskunde 1 Pagina 4 van 34