Politieke geschiedenis van België
Hoofdstuk 1: Inleiding
WAAROM POLITIEKE GESCHIEDENIS?
Pro
- Begrijpen van eigen geschiedenis en instellingen
o Path dependencies: het fenomeen dat vanaf wanneer iets er
is, blijft het en is het moeilijk weg te krijgen
Bv: parlement, koningshuis en andere instituties
- Relevant voor wie met Belgische bronnen werkt
- Vak met lange traditie
Contra
- België is een klein land
o 1830: 4mln inwoners – vandaag: 12mln
- Valkuil van het methodologisch nationalisme
o Perspectief van het land wordt vaak genomen als uitgangspunt
bij onderzoek
o Henri Pirenne (1862-1935)
‘Histoire de Belgiquee’
Wou nagaan hoe het idee van Belgische natie doorheen
de eeuwen was ontwikkeld
België was microkosmos tussen Germaanse en
Romaanse cultuur die ontmoeten in België 2-
taligheid is de essentie van Belgische identiteit
2-taligheid moest niet leiden tot oorlog
‘geschiedenis van Europa’
- Politiek is moeilijk te definiëren
AFBAKENING VAN POLITIEKE GESCHIEDENIS
- Oorspronkelijk een focus op elites en instituties
o Koningshuizen, parlementen, …
- 1929: Annales-school
o Als reactie op historisch realisme
o Focus op sociale en economische geschiedenis
o Braudel: Longue durée, moyenne durée, temps événementiel
(=hier en nu)
1
, o Kwam kritiek op in jaren 20
- 1960s: New Political History
o Tegen de marginalisering van politiek als concept het besef
van nood aan verbreding
Bv: sociale/ culturele context van elites en instituties, rol
van kiezers en achterban
o Kreeg ook kritiek in de jaren 60: er is nood aan meer aandacht
aan het ene onderwerp en minder aan het andere
- Turns in de jaren 1980
o Linguistic turn: aandacht voor taal en retoriek
o Material turn: aandacht voor fysieke architectuur van het
politiek bedrijf
Bv: Engels
o Spatial turn: aandacht voor manier waarop politiek de ruimte
vormgeeft
Stad of platteland geeft impact op de kiesresultaten
o Emotional turn: aandacht voor emotionele regimes
Wat is acceptabel?
- Turns vandaag; eclectische politieke geschiedenis
o methodologisch pluralisme: geen echte richtinggevende
standaard die zegt hoe je iets moet doen
NARRATIEVE SJABLONEN VOOR BELGSICHE GESCHIEDENIS
= Een kader om een verhaal te schrijven, strategie om het verleden te
begrijpen
- Pro-Belgisch sjabloon: een verhaal die België schetst als ‘schone
slaapster’ en zich voorstelt als ‘modelland’, ‘klein maar dapper’,
slagveld van Europa’
- Anti-Belgisch sjabloon: auteur die tegen België zijn en het land
voorstellen als ‘artificieel’, ‘schandaalland’
- Wetenschappelijke afstand: ironisch/ contingent, breuklijnenmodel
o Breuklijnmodel: de theorie om Belgische geschiedenis op een
wetenschappelijke manier te structureren
BREUKLIJNENMODEL
- Ideologisch/ levensbeschouwelijk
o Conflict tussen liberalen en conservatisme in 19e eeuw
- Sociaal-economisch
- Taalkundig: Nederlandstaligen en Franstaligen na WOI
- Bemerkingen
o Te veel focus op conflict?
2
, o Wat met nieuwe breuklijnen?
Materieel/ immaterieel; pro-migratie/ antimigratie)
o Wat met leefmilieu, vrouwen, corruptie?
BASISCONCEPTEN: POLITIEKE IDEOLOGIËN, NATIE EN
NATIONALISME
- Franse Revolutie: de zoektocht naar nieuwe en intellectuele morele
basis voor politieke legitimiteit
- Antwoorden in nieuwe ideologieën
o liberalisme tegen conservatisme
o nationalisme, socialisme, fascisme
- Ideologieën worden partijen (parlementaire systemen)
CONSERVATISME
- Primair gedragen door clerus/ adel: verdedigen traditionele
structuren
o Monarchie, godsdienst, gezin, verdediging van traditionele
privileges
- Ideoloog: Edmund Burke (1729-1797)
o Reflections on the Revolution in France (1790): kritiek op
maakbaarheidsgedachte
= het geloof dat de mens door rationele planning,
techniek en hard werken het eigen leven, samenleving
en omgeving naar eigen inzicht kan verbeter
LIBERALISME
- Primair gedragen door burgerij
o Idealen van Glorius Revolution, Verlichting en Franse Revolutie,
vrijheid als kernidee
- Grondwet
o Burgerrechten, trias politica
- Volkssoevereiniteit
o Parlement, kiesrecht
- Scheiding tussen kerk en staat
- 2e helft 19e eeuw: verdeeldheid tussen gematigde en radicale
groepen over gelijkheid
o Cijnskiesrecht tegen algemeen stemrecht
3
,NATIONALISME
Nationalisme (1)
- Doel: de natie versterken en vervormen
o Natie: een volk met politiek bewustzijn
- Eerder een doctrine dan een ideologie
o Free-floating ideological element: symbolen die los komen
te staan van hun oorspronkelijke sociale groep, klasse of
historische context
- Kan zich flexibel koppelen aan
o Alle ideologieën in politieke centrum
o Leidende groepen of oppositiegroepen
Nationalisme (2)
- Heeft een dynamische wisselwerking
o Van staat naar natie: de staat bevordert zelf de
natievormende principes
Leidt tot creatie van nationale identiteit binnen
bestaande landsgrenzen
Bv: GB, VS na 1776, Fr na 1789, Be na 1830
o Van natie naar staat: een nieuwe geconstrueerde nationale
identiteit wordt het uitgangspunt voor politieke eenmaking en
staatsvorming
Bv: Duitsland, Italië
Binnen een bestaande staat ontstaan er nationale
groepen die zich gelijkstellen met de bestaande staat
willen dus eigen natiestaat (seperatisme)
Bv: Habs en Otto rijk, Be in 20e eeuw
Nationalisme (3)
- Verschillende inhouden (dynamische wisselwerking, spectrum)
o Civiel of inclusief nationalisme: legt focus op verwerfbaar
liberaal burgerschap wie wetten naleeft, is lid van de natie
o Etnisch of exclusief nationalisme: legt focus op
aangeboren kenmerken wie tot hetzelfde volk behoort, is lid
van de natie
Nationalisme (4)
- Typische fasering van de ‘natie naar staat’- route
4
, o Eerst een actie van kunstenaars, schrijvers, leraren en
taalkundigen die de natie een culturele vorm geven en wakker
maken Bv: gebroeders Grimm
Romantisch of cultureel nationalisme
o Daarna een actie van politici in partijen en actiegroepen
Politiek nationalisme
- Instrumenten: onderwijs, pers, taalpolitiek, literatuur, legerdienst
Nationalisme (5)
- Nationalisme staat centraal in klassieke sociologische
theorievorming van moderniseringsprocessen
o Economisch: agrarische sector industriële sector
Nood aan samenwerking
o Politiek: Ancien régime Pacificeren van conflicten, ontstaan
van centraal staatsgezag
o Cultureel: lokaal identiteitsbesef ontstaan van translokale
publieke ruimte door onderwijsnet, media, …
Nationalisme (6)
- Nationale gemeenschapsvorming is niet de enige
o Voortbestaan van lokale en religieuze/ levensbeschouwelijke
identiteiten meerlagigheid van de identiteit
Stedelijk, provinciaal
o Ontstaan van nieuwe sociale identiteiten
Arbeidersklasse en internationale klasse
o Voortbestaan van meertaligheid
Zeker in veelvolkerenstaten en grensgebieden
o Nationale onverschilligheid
Weinig interesse of emotionele betrokkenheid met hun
natie
o Modernisering zonder nationalisme
Nationalisme was van weinig belang in 19e eeuw bij
ontwikkeling van de Belgische economie
Nationalisme (7)
- Is de natie natuurlijk of gecreëerd
o Primadordialistische visie: de natie ‘bestaat’ eeuwig en
wordt vanaf de moderniteit ‘waker’
Idee van België als schone slaapster
o Contextualistische visie: naties zijn het product van
moderniseringsprocessen wetenschappelijke consensus
Bv: Belgisch/ Vlaams/ Waals nationalisme
5
,Nationalisme (8)
- Eigen aan moderne bestaansconditie: zowel potentieel
emanciperend als potentieel gevaarlijk
o Gemeenschapsvorming, collectieve identiteiten
Onderwijs, economische ontwikkeling, democratische
participatie
o Expansionisme, volksverhuizing, xenofobie, racisme, genocide
Hoofdstuk 2: België voor het België
was
INLEIDING
- Geschiedenis van België voor 1830
- Boeken tonen vaak vanaf 1830
o Wanneer de politiek, monarchie, … begint
- Staat-naar-natie- nationalisme
- Waterloo 1815
- Graduele ontwikkeling van ‘Belgische’ identiteitsvormende
elementen die de Belgische onafhankelijkheid in 1830-1831 zullen
ondersteunen
o Bepaalde elementen inzetten die er toe leiden dat de
Belgische onafhankelijkheid kan gebeuren
- Ontwikkeling van Proto-nationalisme
- Geen teleologisch of deterministisch perspectief
- Tegelijk: natievormingsprocessen door Franse overheid en
Nederlandse overheid
o Staat naar natie
HET VERLICHT ABSOLUTISME, DE BRABANTSE OMWENTELING EN
DE FRANSE PERIODE
DE OOSTENRIJKSE NEDERLANDEN ONDER MARIA-THERESIA (1740-1780)
- “alles voor her volk, niets door het volk”
- Periode gericht op verzoenen van traditionele absolutistische
opvattingen over koningschap met nieuwe ideeën
- Streven naar Theresiaans compromis
o Probeert de greep van overheid op lokale entiteiten van haar
rijk te versterken
o Idee dat er veranderingen stapsgewijs worden ingevoerd
o Focus op Centralisatie tegen decentraliseert van de gewesten
6
, Onder andere Brabant, Vlaanderen, Limburg, Mechelen,
Namen, Luxemburg
o Proberen om de provinciale staten minder macht te laten
hebben
Wenen: Hoge Raad voor Nederlanden en wordt
afgeschaft
Compensatie: minister wordt machtiger gemaakt
Nieuwe belastingpolitiek met idee voor vererfde
inkomsten voor nieuwe overheid
o Bestuurstaal van centrale overheid= Frans
Kasteel van Tervuren
- Karel V had minder macht op politiek vlak kreeg hobby’s: kasteel
aankleden
- Richt gebouwen op met kleine fabriekjes voor het maken van
porselein, behangpapier…
- Promoot de wetenschap
Economische bloei (vrede)
- Herinvestering belastinginkomsten, wegen, kanalen, ontginning
woeste gronden, toename huisnijverheid
- Gezondheidspolitiek: opleidingen voor medische beroepen,
afschaffing van kerkhoven
- Onderwijsverbetering vooral secundair onderwijs
- Humaner rechtssysteem
o Depreciatie tortuur: minder appreciatie vanuit Wenen
o Bouw van gevangenissen en werkhuizen
- Bv: rasphuis Gent 1772
o Gevangenis/ werkhuis
o Veroordeelde mensen moesten hier verblijven om te werken
DE OOSTENRIJKSE NEDERLANDEN ONDER JOZEF II (1780-1790)
- Verheviging van de absolutistische centralisatiepolitiek
o Idee van cohabitatie
o Wil dat Wenen centraler kan optreden gecombineerd met
absolutisme
- Wil eenheidsstaat
- Komt felle reactie op
- Seculariseringpolitiek: Vond de kerk een rem op alles
o Voert burgerlijk huwelijk in, godsdienstvrijheid,
priesteropleiding aanpassen, afschaffing contemplatieve
ordes, reglementering van geloofsbeleving
7
, - Juridisch-administratieve hervorming: 9 ‘Kreisen’ van 600
rechtbanken naar 64
- Leidt tot reactie van mensen: clerus, adel, lokale ambtelijke/
juridische elites
- Conservatieve Statisten (rechten van traditionele staten
waarborgen) onder leiding van Van de Noot
o Hervormingen worden genegeerd, belasting wordt geweigerd,
oprichting van burgerwacht pleitten voor volkssoevereiniteit
Soevereiniteit van de standenvertegenwoordiging
- Progressieve Vonckisten onder leiding van Vonck
o Pleiten tegen absolutisme, voor verregaande politieke
vertegenwoordiging van de bourgeoisie (republikanisme)
o Tegen het feit dat vorst alles kan beslissen
- Leidt tot paradoxen
o Paradox 1: zowel anti-Verlichte als verlichte groepen tegen
Jozef II
o Paradox 2: de mensen die het meest profiteerde helemaal niet
gerepresenteerd werden van de protesten
Ging bij Vonckisten iet over de armere groepen
Bij Vonck: Bourgeoisie/ Statisten: de adel
- Eerste monsterverbond 1789: coalitie tussen Vonckisten en Statisten
o Strategisch gericht tegen 1 vijand (Jozef II)
o Samenwerking leidt to Brabantse omwenteling
Revolution Brabançonne
- Bracht retorische bindmiddelen: vrijheid, volkssoevereiniteit,
gehechtheid aan lokale identiteit, besef van translokale identiteit
- Vonckisten richten bijkomende organisatie: Pro aris et focis (Voor
altaar en haard)
o Gewapend comité, trekt veel deserteurs aan van Oostenrijks
leger
- Vonckisten en Statisten verklaren Brabant onafhankelijk in Breda
- Leger van Statisten verslaan het Oostenrijks leger
o succes door Oostenrijkse oorlog met Ottomaanse rijk
o Vlaanderen, Henegouwen, Limburg en Namen volgen Brabant
en verklaren zich onafhankelijk
BRABANTSE OMWENTELING
- Leidt voor 1j tot een nieuw land
- Etats belgiques unis (Verenigde Nederlandsche Staten) jan-dec 1790
- Federatie van de onafhankelijke gewesten
o Richten eigen nationale symboliek op (munt, vlag)
8
Hoofdstuk 1: Inleiding
WAAROM POLITIEKE GESCHIEDENIS?
Pro
- Begrijpen van eigen geschiedenis en instellingen
o Path dependencies: het fenomeen dat vanaf wanneer iets er
is, blijft het en is het moeilijk weg te krijgen
Bv: parlement, koningshuis en andere instituties
- Relevant voor wie met Belgische bronnen werkt
- Vak met lange traditie
Contra
- België is een klein land
o 1830: 4mln inwoners – vandaag: 12mln
- Valkuil van het methodologisch nationalisme
o Perspectief van het land wordt vaak genomen als uitgangspunt
bij onderzoek
o Henri Pirenne (1862-1935)
‘Histoire de Belgiquee’
Wou nagaan hoe het idee van Belgische natie doorheen
de eeuwen was ontwikkeld
België was microkosmos tussen Germaanse en
Romaanse cultuur die ontmoeten in België 2-
taligheid is de essentie van Belgische identiteit
2-taligheid moest niet leiden tot oorlog
‘geschiedenis van Europa’
- Politiek is moeilijk te definiëren
AFBAKENING VAN POLITIEKE GESCHIEDENIS
- Oorspronkelijk een focus op elites en instituties
o Koningshuizen, parlementen, …
- 1929: Annales-school
o Als reactie op historisch realisme
o Focus op sociale en economische geschiedenis
o Braudel: Longue durée, moyenne durée, temps événementiel
(=hier en nu)
1
, o Kwam kritiek op in jaren 20
- 1960s: New Political History
o Tegen de marginalisering van politiek als concept het besef
van nood aan verbreding
Bv: sociale/ culturele context van elites en instituties, rol
van kiezers en achterban
o Kreeg ook kritiek in de jaren 60: er is nood aan meer aandacht
aan het ene onderwerp en minder aan het andere
- Turns in de jaren 1980
o Linguistic turn: aandacht voor taal en retoriek
o Material turn: aandacht voor fysieke architectuur van het
politiek bedrijf
Bv: Engels
o Spatial turn: aandacht voor manier waarop politiek de ruimte
vormgeeft
Stad of platteland geeft impact op de kiesresultaten
o Emotional turn: aandacht voor emotionele regimes
Wat is acceptabel?
- Turns vandaag; eclectische politieke geschiedenis
o methodologisch pluralisme: geen echte richtinggevende
standaard die zegt hoe je iets moet doen
NARRATIEVE SJABLONEN VOOR BELGSICHE GESCHIEDENIS
= Een kader om een verhaal te schrijven, strategie om het verleden te
begrijpen
- Pro-Belgisch sjabloon: een verhaal die België schetst als ‘schone
slaapster’ en zich voorstelt als ‘modelland’, ‘klein maar dapper’,
slagveld van Europa’
- Anti-Belgisch sjabloon: auteur die tegen België zijn en het land
voorstellen als ‘artificieel’, ‘schandaalland’
- Wetenschappelijke afstand: ironisch/ contingent, breuklijnenmodel
o Breuklijnmodel: de theorie om Belgische geschiedenis op een
wetenschappelijke manier te structureren
BREUKLIJNENMODEL
- Ideologisch/ levensbeschouwelijk
o Conflict tussen liberalen en conservatisme in 19e eeuw
- Sociaal-economisch
- Taalkundig: Nederlandstaligen en Franstaligen na WOI
- Bemerkingen
o Te veel focus op conflict?
2
, o Wat met nieuwe breuklijnen?
Materieel/ immaterieel; pro-migratie/ antimigratie)
o Wat met leefmilieu, vrouwen, corruptie?
BASISCONCEPTEN: POLITIEKE IDEOLOGIËN, NATIE EN
NATIONALISME
- Franse Revolutie: de zoektocht naar nieuwe en intellectuele morele
basis voor politieke legitimiteit
- Antwoorden in nieuwe ideologieën
o liberalisme tegen conservatisme
o nationalisme, socialisme, fascisme
- Ideologieën worden partijen (parlementaire systemen)
CONSERVATISME
- Primair gedragen door clerus/ adel: verdedigen traditionele
structuren
o Monarchie, godsdienst, gezin, verdediging van traditionele
privileges
- Ideoloog: Edmund Burke (1729-1797)
o Reflections on the Revolution in France (1790): kritiek op
maakbaarheidsgedachte
= het geloof dat de mens door rationele planning,
techniek en hard werken het eigen leven, samenleving
en omgeving naar eigen inzicht kan verbeter
LIBERALISME
- Primair gedragen door burgerij
o Idealen van Glorius Revolution, Verlichting en Franse Revolutie,
vrijheid als kernidee
- Grondwet
o Burgerrechten, trias politica
- Volkssoevereiniteit
o Parlement, kiesrecht
- Scheiding tussen kerk en staat
- 2e helft 19e eeuw: verdeeldheid tussen gematigde en radicale
groepen over gelijkheid
o Cijnskiesrecht tegen algemeen stemrecht
3
,NATIONALISME
Nationalisme (1)
- Doel: de natie versterken en vervormen
o Natie: een volk met politiek bewustzijn
- Eerder een doctrine dan een ideologie
o Free-floating ideological element: symbolen die los komen
te staan van hun oorspronkelijke sociale groep, klasse of
historische context
- Kan zich flexibel koppelen aan
o Alle ideologieën in politieke centrum
o Leidende groepen of oppositiegroepen
Nationalisme (2)
- Heeft een dynamische wisselwerking
o Van staat naar natie: de staat bevordert zelf de
natievormende principes
Leidt tot creatie van nationale identiteit binnen
bestaande landsgrenzen
Bv: GB, VS na 1776, Fr na 1789, Be na 1830
o Van natie naar staat: een nieuwe geconstrueerde nationale
identiteit wordt het uitgangspunt voor politieke eenmaking en
staatsvorming
Bv: Duitsland, Italië
Binnen een bestaande staat ontstaan er nationale
groepen die zich gelijkstellen met de bestaande staat
willen dus eigen natiestaat (seperatisme)
Bv: Habs en Otto rijk, Be in 20e eeuw
Nationalisme (3)
- Verschillende inhouden (dynamische wisselwerking, spectrum)
o Civiel of inclusief nationalisme: legt focus op verwerfbaar
liberaal burgerschap wie wetten naleeft, is lid van de natie
o Etnisch of exclusief nationalisme: legt focus op
aangeboren kenmerken wie tot hetzelfde volk behoort, is lid
van de natie
Nationalisme (4)
- Typische fasering van de ‘natie naar staat’- route
4
, o Eerst een actie van kunstenaars, schrijvers, leraren en
taalkundigen die de natie een culturele vorm geven en wakker
maken Bv: gebroeders Grimm
Romantisch of cultureel nationalisme
o Daarna een actie van politici in partijen en actiegroepen
Politiek nationalisme
- Instrumenten: onderwijs, pers, taalpolitiek, literatuur, legerdienst
Nationalisme (5)
- Nationalisme staat centraal in klassieke sociologische
theorievorming van moderniseringsprocessen
o Economisch: agrarische sector industriële sector
Nood aan samenwerking
o Politiek: Ancien régime Pacificeren van conflicten, ontstaan
van centraal staatsgezag
o Cultureel: lokaal identiteitsbesef ontstaan van translokale
publieke ruimte door onderwijsnet, media, …
Nationalisme (6)
- Nationale gemeenschapsvorming is niet de enige
o Voortbestaan van lokale en religieuze/ levensbeschouwelijke
identiteiten meerlagigheid van de identiteit
Stedelijk, provinciaal
o Ontstaan van nieuwe sociale identiteiten
Arbeidersklasse en internationale klasse
o Voortbestaan van meertaligheid
Zeker in veelvolkerenstaten en grensgebieden
o Nationale onverschilligheid
Weinig interesse of emotionele betrokkenheid met hun
natie
o Modernisering zonder nationalisme
Nationalisme was van weinig belang in 19e eeuw bij
ontwikkeling van de Belgische economie
Nationalisme (7)
- Is de natie natuurlijk of gecreëerd
o Primadordialistische visie: de natie ‘bestaat’ eeuwig en
wordt vanaf de moderniteit ‘waker’
Idee van België als schone slaapster
o Contextualistische visie: naties zijn het product van
moderniseringsprocessen wetenschappelijke consensus
Bv: Belgisch/ Vlaams/ Waals nationalisme
5
,Nationalisme (8)
- Eigen aan moderne bestaansconditie: zowel potentieel
emanciperend als potentieel gevaarlijk
o Gemeenschapsvorming, collectieve identiteiten
Onderwijs, economische ontwikkeling, democratische
participatie
o Expansionisme, volksverhuizing, xenofobie, racisme, genocide
Hoofdstuk 2: België voor het België
was
INLEIDING
- Geschiedenis van België voor 1830
- Boeken tonen vaak vanaf 1830
o Wanneer de politiek, monarchie, … begint
- Staat-naar-natie- nationalisme
- Waterloo 1815
- Graduele ontwikkeling van ‘Belgische’ identiteitsvormende
elementen die de Belgische onafhankelijkheid in 1830-1831 zullen
ondersteunen
o Bepaalde elementen inzetten die er toe leiden dat de
Belgische onafhankelijkheid kan gebeuren
- Ontwikkeling van Proto-nationalisme
- Geen teleologisch of deterministisch perspectief
- Tegelijk: natievormingsprocessen door Franse overheid en
Nederlandse overheid
o Staat naar natie
HET VERLICHT ABSOLUTISME, DE BRABANTSE OMWENTELING EN
DE FRANSE PERIODE
DE OOSTENRIJKSE NEDERLANDEN ONDER MARIA-THERESIA (1740-1780)
- “alles voor her volk, niets door het volk”
- Periode gericht op verzoenen van traditionele absolutistische
opvattingen over koningschap met nieuwe ideeën
- Streven naar Theresiaans compromis
o Probeert de greep van overheid op lokale entiteiten van haar
rijk te versterken
o Idee dat er veranderingen stapsgewijs worden ingevoerd
o Focus op Centralisatie tegen decentraliseert van de gewesten
6
, Onder andere Brabant, Vlaanderen, Limburg, Mechelen,
Namen, Luxemburg
o Proberen om de provinciale staten minder macht te laten
hebben
Wenen: Hoge Raad voor Nederlanden en wordt
afgeschaft
Compensatie: minister wordt machtiger gemaakt
Nieuwe belastingpolitiek met idee voor vererfde
inkomsten voor nieuwe overheid
o Bestuurstaal van centrale overheid= Frans
Kasteel van Tervuren
- Karel V had minder macht op politiek vlak kreeg hobby’s: kasteel
aankleden
- Richt gebouwen op met kleine fabriekjes voor het maken van
porselein, behangpapier…
- Promoot de wetenschap
Economische bloei (vrede)
- Herinvestering belastinginkomsten, wegen, kanalen, ontginning
woeste gronden, toename huisnijverheid
- Gezondheidspolitiek: opleidingen voor medische beroepen,
afschaffing van kerkhoven
- Onderwijsverbetering vooral secundair onderwijs
- Humaner rechtssysteem
o Depreciatie tortuur: minder appreciatie vanuit Wenen
o Bouw van gevangenissen en werkhuizen
- Bv: rasphuis Gent 1772
o Gevangenis/ werkhuis
o Veroordeelde mensen moesten hier verblijven om te werken
DE OOSTENRIJKSE NEDERLANDEN ONDER JOZEF II (1780-1790)
- Verheviging van de absolutistische centralisatiepolitiek
o Idee van cohabitatie
o Wil dat Wenen centraler kan optreden gecombineerd met
absolutisme
- Wil eenheidsstaat
- Komt felle reactie op
- Seculariseringpolitiek: Vond de kerk een rem op alles
o Voert burgerlijk huwelijk in, godsdienstvrijheid,
priesteropleiding aanpassen, afschaffing contemplatieve
ordes, reglementering van geloofsbeleving
7
, - Juridisch-administratieve hervorming: 9 ‘Kreisen’ van 600
rechtbanken naar 64
- Leidt tot reactie van mensen: clerus, adel, lokale ambtelijke/
juridische elites
- Conservatieve Statisten (rechten van traditionele staten
waarborgen) onder leiding van Van de Noot
o Hervormingen worden genegeerd, belasting wordt geweigerd,
oprichting van burgerwacht pleitten voor volkssoevereiniteit
Soevereiniteit van de standenvertegenwoordiging
- Progressieve Vonckisten onder leiding van Vonck
o Pleiten tegen absolutisme, voor verregaande politieke
vertegenwoordiging van de bourgeoisie (republikanisme)
o Tegen het feit dat vorst alles kan beslissen
- Leidt tot paradoxen
o Paradox 1: zowel anti-Verlichte als verlichte groepen tegen
Jozef II
o Paradox 2: de mensen die het meest profiteerde helemaal niet
gerepresenteerd werden van de protesten
Ging bij Vonckisten iet over de armere groepen
Bij Vonck: Bourgeoisie/ Statisten: de adel
- Eerste monsterverbond 1789: coalitie tussen Vonckisten en Statisten
o Strategisch gericht tegen 1 vijand (Jozef II)
o Samenwerking leidt to Brabantse omwenteling
Revolution Brabançonne
- Bracht retorische bindmiddelen: vrijheid, volkssoevereiniteit,
gehechtheid aan lokale identiteit, besef van translokale identiteit
- Vonckisten richten bijkomende organisatie: Pro aris et focis (Voor
altaar en haard)
o Gewapend comité, trekt veel deserteurs aan van Oostenrijks
leger
- Vonckisten en Statisten verklaren Brabant onafhankelijk in Breda
- Leger van Statisten verslaan het Oostenrijks leger
o succes door Oostenrijkse oorlog met Ottomaanse rijk
o Vlaanderen, Henegouwen, Limburg en Namen volgen Brabant
en verklaren zich onafhankelijk
BRABANTSE OMWENTELING
- Leidt voor 1j tot een nieuw land
- Etats belgiques unis (Verenigde Nederlandsche Staten) jan-dec 1790
- Federatie van de onafhankelijke gewesten
o Richten eigen nationale symboliek op (munt, vlag)
8