Onderdeel virologie
H1: Inleiding en diagnostiek
1. Inleiding
Een virus heeft nooit als doel de persoon te doden → ze hebben de gastheer nodig om zelf te
overleven
Succesvolle virussen hebben geleerd om zo weinig mogelijk schade te veroorzaken bij de gastheer
Het woord ‘Virologie’ werd pas gebruikt wanneer we elektronmicroscopisch virussen konden zien
(1940) → veel later dan bacteriologie of parasitologie bv
Geschiedenis voorbeelden dia 8-17: polio, AIDS,…
2. Virale structuur
Virus = zeer klein (25 à 400 nm) (kleiner dan bacterieën)
→ electronenmicroscoop nodig om ze te zien
→ ultrafiltreerbaar (zo klein dat filters ze niet kunnen tegenhouden)
Bv: pokkenvirus = 300nm herpes virus = 100nm …
Eerste virus dat gevisualiseerd werd onder een microscoop = tabakmosaikvirus
→ Lichte lijnen, sooort rigiede buis
Met x stralen kan men ook de structuur van een virus goed bepalen
→ Werd ook gebruikt om structuur van DNA op te helderen
Cryo-electronmicroscopy
= elektronenmicrosocopie in heel lage temperaturen → heel fijn detail van alle
atomen in een virus
Virale structuur = enveloppe of niet + capside (eiwitmantel) + vanbinnen gentisch materiaal dat
beschermd wordt
2.1 Envelop/naakt
= lipiden dubbellaag
Vaak denkt men dat het een rigiede omslag is, maar is eerder een ‘olielaagje’
= celwand van moedercel waaruit virus geboren is
Er zijn genvelopeerde en naakte virussen
Vaak zijn naakte virussen steviger (omgekeerde van wat men zou denken)
Want als je de eveloppe kapot maakt (bv met zeep of alcoholgel), wordt het virus
ook beschadigd en is het niet meer infectieus
Niet geenvelopeerde virussen zijn veel resistenter
, 2.2 Capside
2.2.1 Helicaal
= Meest eenvoudige vorm
- Capside opgebouwd uit 1 viruseiwit
- Dakpansgewijs als een helix rond het genetisch materiaal
- Gebeurt zonder veel energie
- Assemblage quasi automatisch
Vb 1: tabaksmozaiekvirus
→ helicale structuur vormt een ‘rigiede buis’
Vb 2: ebolavirus
→ vormt geen rigiede buis, maar eerder een flexiebele slang
2.2.2 Icosahedraal
= vorm van de meest bekende virussen
= Geometrische structuur = heel stevig, kan heel wat druk weerstaan
Erin: 5 en 6 voudige symmetrie
(zoals een voetbal)
Bv adenovirus, herpesvirus, papillomavirus
2.2.3 Complex
= alles wat niet helicaal of icosahedraal is
Bv pokkenvirus
Of T-bacteriofaag → Gemaakt met minimum aan genetisch materiaal
Pootjes, hals en hoofd met genetisch materiaal
→ W met naaldje geinjecteerd in een bacterie
2.3 Genoom
= gentisch materiaal in het midden
• DNA OF RNA
• dubbelstrengig (ds) / enkelstrengig (ss)
• lineair / circulair
• 1 stuk / segmentair
,1.
DNA genoom structuren:
Meestal dubbelstrenging zoals bv het herpesvirus
Maar ook uitzonderingen van enkelstrenging DNA virus zoals bv het parvovirus B19
RNA genoom structuren:
Meestal enkelstrengig zoals bv het mazelenvirus
Maar ook uitzonderingen van dubbelstrengige RNA virus zoals bv het rotavirus (diarrheevirus)
De meeste virussen zijn RNA virussen
2.
Circulaire genoomstructuur
Circulair dsDNA: papillomavirus
Ciruclair ssRNA : plant viroid
Hepatitis B virus (HBV)
In het capside: onvolledig dubbesltrengig virus, waarbij de enkelstreng
korter is dan het circulair gedeelte
I
n de cel wanneer het zich vermenigvuldigd, is het dubbelstrengig
In de natuur in een capside maar deels dubbesltrengig
3.
Segmentaire genoomstructuur
= Genetisch materiaal bestaat uit mini chromosomen
Bv: rotavirus,
griepvirus → 8 segmenten: kan dan genetisch materiaal uitwiseeln met andere
griepvirussen om zich te vernieuwen → pandemieën
Gesegmenteerde genomen kunnen dus reasorteren → uitwisseling van genetisch materiaal
Als 1 cel w geinfecteerd door 2 virussen met gesegmenteerd genetisch materiaal → nieuwe
combinaties worden gevormd
Samengevat:
, Virus taxonomie: ICTV
Virussen w opgedeeld in families door het
internationaal comitee of taxonomy of
viruses
→ Nomenclatuur van de virussen
Classificatie obv genetisch materiaal:
3. Virale replicatiecyclus
Wat doen virussen?
Ze hebben een cel nodig om zich te kunnen vermenigvuldigen → obligate parasieten (kunnen itt
bacterieen niet overleven zonder gastheercel)
Discussie of dat virussen ‘leven’ of niet
Virale replicatiecyclus:
• Binding aan cellulaire receptor
• Binnendringen in doelwitcel
• Ontmanteling van het virus
• Synthese ‘vroege’ eiwitten
• Viraal DNA/RNA replicatie
• Synthese ‘late’ eiwitten
• Assemblage nieuwe virions
• Vrijzetting nieuwe virions
3.1 Binding aan cellulaire receptor
= Belangrijkste stap
Bepaalt of virus succes gaat hebben of niet
Receptor = molecule op gastheercel waaraan het virus blijft hangen
Vroeger dacht men dat het een sleutel slot mechanisme was, maar het is
ingewikkelder dan dat
De receptor werd niet gemaakt om virussen binnen te laten, het heeft andere functies
Het virus misbruikt het gewoon