H1: op leven en dood → Wat is psychologie? Hoe gaan psychologen te werk om
kennis te verwerven over menselijk gedrag?
H2: Hoe ontstaat en verandert gedrag? → Hoe wordt gedrag aangeleerd en hoe
kan het veranderen?
H3: Gedragsfarmacologie → Raadsel van de overdosis
→ Placebo- en nocebo-effecten
H4: Klinische psychologie en psychopathologie → Stoornissen en behandeling
H5: Psychofarmacologie → drugs als middel en doel van onderzoek
HOOFDSTUK 1
Les 1____________________________________________________________25/09/2025
Conclusie stellingen: makkelijk aannames en intuïties hebben over psychologie
en menselijk gedrag omdat het dicht bij het dagdagelijkse leven staat → wil niet
zeggen dat ze juist zijn! → psychologie dient om zo uitspraken over menselijk
gedrag te toetsen en ze te ontkrachten
Psychologie = wetenschap van gedrag en factoren (intern: hormonen, mentaal/extern:
omgeving) die het gedrag beïnvloeden en bepalen = empirisch onderzoek
Psychologische kennis = voortdurende confrontatie en verzoening van
theorieën/hypotheses met data → zonder data = pseudowetenschap bv
grafologie, astrologie, etc
Les 2_____________________________________________________________2/10/2025
Psychologie = breed domein met vele specialismen → 2 grote categorieën:
1) Fundamentele psychologie = onderzoek naar basale mechanismen in menselijk
gedrag (empirisch onderzoek: experimenteel, correlationeel, etc)
2) Toegepaste psychologie = kennis uit wetenschappelijke psychologie toepassen
om dagdagelijkse uitdagingen aan te gaan (geen onderzoek)
→ Psychologie is dus meer dan toegepaste en fundamentele psychologie, veel
meer dan klinische psychologie, nog veel meer dan psychotherapie ≠
psychiatrie
Conclusie tafelblad: eigen subjectieve perceptie ≠ betrouwbaar → daarom
belangrijk om kennis te verwerven op een objectieve manier als we kennis willen
verwerven over de wereld waarover we preconcepties kunnen hebben!
→ Objectieve methode nodig om iets zoals onze waarneming te bestuderen = empirisch
onderzoek in psychologie
Empirische onderzoek = 5 stappen van wetenschappelijke methode + alle
verstoringen en vooroordelen zoveel mogelijk uitsluiten → zo bekomen tot
omvattende verklaringen, wetmatigheden voor gedrag en mentale processen
1. Hypothese ontwikkeling:
Hypothese gebaseerd op theorie of iets dat geobserveerd is (bv angst leidt tot
contact zoeken)
, → wetenschappelijke hypothese = toetsbaar: formuleren op manier dat het
falsifieerbaar is!!
2. Afleiden van een specifieke voorspelling:
Operationalisering = algemene hypothese vertalen in specifieke
voorspelling over wat er in een bepaalde situatie zou moeten gebeuren →
Hoe ga ik werkelijkheid manipuleren om die situatie te creëren en hoe
exact ga ik het resultaat meten?
Onafhankelijke variabele = variabele die door onderzoeker gemanipuleerd wordt
→ andere factoren zoveel mogelijk constant houden of je moet
randomiseren (gelijke verdeling mannen/vrouwen)
3. Objectieve gegevens verzamelen:
Experiment uitvoeren en data verzamelen
Afhankelijke variabele = variabele die je gaat meten om je hypothese te toetsen
4. Analyseren van de resultaten:
Verzamelde data analyseren = statistisch toetsen of er een verschil is tussen de 2
condities
5. Publiceren, bekritiseren, en repliceren van de resultaten:
Peer review door collega-onderzoekers → repliceren, verfijnen, weerleggen
3 belangrijke soorten van verklarend psychologisch onderzoek:
1) Gevalstudies = gedetailleerde studie van 1 individu → 1 casus (methode
Freud)
Conclusie video Prozac: casuïstiek = meer impact dan wetenschappelijk onderzoek
(casus boven cijfermateriaal)
→ Casuïstiek = vertrekpunt in empirische cyclus, maar NIET meer dan dat (geen
oorzaak-verband, ook niet generaliseren naar andere gevallen zonder onderzoek!!)
2) Correlationele studies = nagaan statistisch verband van 2 verschillende variabelen
- GEEN causaliteitsuitspraken
- WEL verbanduitspraken met correlatiecoëfficiënt r: -1 = negatief verband, 0 =
geen verband en +1 = positief verband
→ GEEN causale verbanden bij correlatie! Zou kunnen, maar hoeft NIET:
- Verband kan omgekeerd zijn (drank - schoolprestaties)
- Verband kan zijn omdat ze allebei gecorreleerd zijn met 3de variabele OF
allebei veroorzaakt worden door een 3de variabele (bv 2° school en
uniefprestaties)
3) Experimentele studies = werkelijkheid manipuleren in experiment om iets te zeggen
over oorzaak-gevolg (WEL causaliteit)
- Onafhankelijke variabele gemanipuleerd (controle- en experimentgroep)
- Afhankelijke variabele meten
- Storende factoren controleren door gelijkstellen in beide groepen +
randomisatie
Vertekeningen uitsluiten:
- Observator (bv tafelblad)
- Verwachting (verwachtingseffect bv ratten, gedragspriming bv zinnen over
ouderdom)
, - Confirmation bias = neiging om op zoek te gaan naar info die onze
gedachten /intuïties/hypothese zou kunnen bevestigen → goede
wetenschapper spreekt hypothese tegen!
→ Oplossen door (dubbel-)blinding (wel moeilijk voor tijdens therapie)
Belangrijk voor validiteit van onderzoek:
1) Interne validiteit = effect toegeschreven aan onafhankelijke variabele en
andere onderzoeker verkrijgt dezelfde resultaten (bv experiment naamletter
effect: rekening houden met factor = algemene voorkoming letter!)
2) Externe validiteit = conclusies uit onderzoek ook generaliseren
→ om interne validiteit te waarborgen, externe validiteit onder druk: real
life omstandigheden anders dan in medicatietrial!
Vertekeningen vermijden: kunnen onderzoek niet blootleggen = ware bedoeling
onderzoek maskeren = misleiding: Misleiding mag NIET, tenzij: noodzakelijk om
onderzoek op valide wijze te doen EN geen schade door misleiding → Na afloop
mensen volledige debriefen (ethisch belangrijk)
Les 3_____________________________________________________________9/10/2025
Moderne psychologie ontwikkelt uit verschillende tegengestelde tradities:
1. STRUCTURALISME = ontdekken van basisstructuren van geest en het denken
→ Geïnspireerd door chemie (PSE): alle bouwstenen organiseren
Bewustzijn ontleden in waarneming, aandacht, herinnering, etc mbv
methode introspectie (bv stimuli laten zien en proefpersonen zeggen alles
wat in hen opkwam) → Necker kubus (stimulus): kubus op 2 manieren
zien!
Wilhelm Wundt en Titchener
Kritiek = simplistisch en subjectief (waarneming niet betrouwbaar) →
introspectie niet meer gebruikt maar wel inhoud (mentale processen
ontleden)
2. FUNCTIONALISME = mentale processen te begrijpen in termen van hun adaptief
doel en functie
→ Geïnspireerd door biologie (evolutieleer Darwin): cognitieve processen
gevormd door rol in aanpassing omgeving
William James
→ Ontstaan van toegepaste psychologie en invloed op behaviorisme
3. GESTALT-PSYCHOLOGIE = geïnteresseerd in hoe we “perceptuele gehelen”
construeren
Grondlegger = Köhler en Koffka
→ Visuele waarneming
→ Reactie tegen structuralisme (geheel meer dan de som van de delen) bv
tafelblad
bv experiment apen: te klein om aan banaan te komen, eerst niet door wat te doen,
dan opeens plots inzicht (plots inzicht niet terugbrengen tot leerervaring of andere
afzonderlijke stukjes, maar meer dan dat)
4. BEHAVIORISME = bestudeerde psychologie enkel en alleen vanuit direct
observeerbare gebeurtenissen (niet mentale processen op voorgrond, maar gedrag)
→ Beïnvloedt door fysica/ingenieurswetenschappen
Skinner: wetenschap objectief (mentale processen NIET observeren, gedrag wel
Pavlov) → wel wetmatigheden en NIET theorie want was niet
wetenschappelijk genoeg
, James Watson: idee dat alles is aangeleerd (mens als tabula rasa waar ervaring
alles opschrijft)
Invloed op opvoeding, angstklachten = grondslag gedragstherapie
5. PSYCHOANALYSE = stelde dat het mentale (en gedrag) het gevolg zijn van
conflicten in het onbewuste
Sigmund Freud → 1ste keer onbewuste centraal! (niet echt
wetenschappelijke theorieën omdat ze niet falsifieerbaar zijn): mentale
ervaringen/emoties/gedrag veroorzaakt door onbewuste processen
(conflicten) die uiten in rare gedachten, angst, vreemd gedrag etc
Bv ontrafelen van alle processen die tussenkomen bij visuele waarneming waarvan
veel onbewust zijn
→ Invloed huidige psychologie waar ook onbewuste processen centraal
staan
Hedendaags:
COGNITIEVE = mentale processen als modulaire informatieverwerking
(computermetafoor: mentale begrijpen zoals je computer begrijpt)
→ informatieverwerking: input (stimuli), informatieverwerkingstappen
(aandacht, geheugen, bewuste redeneerprocessen), output (gedrag,
bewuste gewaarwording)
S-O-R psychologie (S = binnenkomende info, O = organisme, R = respons)
→ Invloed van behaviorisme (S → R zonder O), structuralisme en
psychoanalyse
Belangrijkste basisdomeinen in psychologie vandaag:
1) Biologische psychologie (psychofarmacologie, gedragswetenschappen,
evolutionair psychologie)
2) Ontwikkelingspsychologie (hoe ontwikkelt taal, geheugen, cognitieve vermogens?)
3) Psychonomie (hoe waarneming, geheugen?: algemene kennis basis vermogens)
4) Klinische psychologie (afwijking in gedrag, psychisch lijden)
5) Persoonlijkheidspsychologie (individuele verschillen: intelligentie, temperament)
6) Socioculturele psychologie (invloed sociale omgeving op gedrag)
7) Methodenleer (kwantitatieve psychologie + ontwikkelen van methoden voor
onderzoek, data/wiskundig modulering)
HOOFDSTUK 2
Leren = centraal in ontwikkeling = fundamentele capaciteit
Leren = proces waar enige ervaring met situaties/prikkels leidt tot verandering in gedrag
en/of mentale processen → leren NIET rechtstreeks observeerbaar (afleiden
verandering)
Gedragsverandering NIET door: organische factor (fysiek groeien)
tijdelijke verandering (naald in vinger en wegtrekken)
WEL door: ervaring + blijvende verandering
→ Definitie vroeger leren = verandering gedrag tgv ervaring (behaviorisme) dus
als er niks veranderd is in gedrag dan is er niks geleerd? FOUT → experiment
Edward Tolman = grondlegger cognitieve psychologie:
Ratten in doolhof met 14 keuzepunten (links/rechts) en 3 groepen ratten:
1. Eten op het einde
2. Nooit eten op het einde