FLC De fasen waarin een gezin zich
bevindt (alleenstaand, jong koppel,
gezin met kinderen…) die invloed
hebben op koopgedrag.
DMU De groep mensen binnen een
organisatie die samen beslissen over
een aankoop (gebruiker, koper,
beïnvloeder…).
Buyer persona Een gedetailleerde beschrijving van
jouw ideale klant, gebaseerd op
data.
USP Wat jouw product uniek maakt
tegenover de concurrentie.
ESP De emotie die je product verkoopt,
naast de functionaliteit (bv.
veiligheid, status, plezier).
XSP De ervaring rond het product die je
verkoopt (bv. luxe-unboxing, snelle
service).
Cause-related marketing Marketing waarbij een merk zich
koppelt aan een goed doel om
samen impact te maken.
Intern zoeken Zoeken in je eigen geheugen naar
informatie over een merk of product.
Ongoing search Doorlopend info verzamelen over
een productcategorie omdat je erin
geïnteresseerd bent, ook als je niet
direct wil kopen.
De evoked set De kleine selectie merken die je
spontaan overweegt bij een
aankoop.
, Begrippenlijst marketingcommunicatie
Vuistregels Snelle, eenvoudige denkregels om
beslissingen te nemen (bv. “duur =
beter”).
Affect referral Beslissen op basis van een
algemeen gevoel over een merk in
plaats van feiten.
Cognitieve dissonantie Twijfel of spijt na een aankoop (“heb
ik wel juist gekozen?”).
Innovators De allereersten die nieuwe
producten testen.
Early adopters Trendgevoelige kopers die snel
volgen na innovators.
Early mayority Het grote middensegment dat wacht
tot een product bewezen is.
Late mayority Achterblijvers die pas kopen omdat
het niet meer te vermijden is.
Laggards De allerlaatsten die nieuwe
technologie of trends oppikken.
FMCG Producten die snel verbruikt worden
en vaak opnieuw gekocht worden
(bv. shampoo, frisdrank).
Me-too-products Producten die bijna identiek zijn aan
een succesvol product, maar
goedkoper of van een ander merk.
Woordmerk Een merknaam in pure tekstvorm.
Beeldmerk Een symbool of icoon dat een merk
voorstelt zonder woorden.