● Als het eerder geschreven is kan men ook wel “ supra “ gebruiken dit verwijst
naar “zie hoger”.
● Als je verder wilt schrijven gebruikt men “infra” dit verwijst naar “ zie verder “.
○ Vergelijk: mensen die het zelfde denken als u
○ Contra: mensen denken het tegenovergestelde
○ Zie: punten die je behandelt maar niet zelf hebt verwerkt
○ Zie ook: zelfde probleem die je ook zelf behandelt maar ruimer
● Er bestaat geen onderscheid tussen voetnoot en bibliografie.
● Je schrijft eerst de achternaam van de auteur en dan de initialen van de
voornaam, altijd in HOOFDLETTERS
● Online bronnen heb je geen garantie in tegenstelling tot een boek ( altijd
datum bij verwijzing zetten )
,deel 2: wetgeving (51 dia’s – 15 dia’s oefeningen)
1. Wetgeving als primaire rechtsbron
● Wetgeving = belangrijkste bron om casussen op te lossen.
● Formele bronnen van het recht:
1. Wetgeving
2. Rechtspraak
3. Rechtsleer
4. Algemene rechtsbeginselen
5. Gewoonte/gebruiken
6. Billijkheid
2. Materiële en formele wet
● Materiële wet
○ Algemeen bindende rechtsregel (voor iedereen of een bepaalde groep).
○ Uitgevaardigd door een bevoegd overheidsorgaan (kan ook uitvoerende
macht zijn).
○ Voorbeeld: een KB is materiële wet.
● Formele wet
○ Komt van de wetgevende macht (federaal parlement of deelstaten).
○ Elke beslissing van wetgevende macht = formele wet.
○ Voorbeeld: een begrotingswet is formele wet, maar niet materieel (want
geen algemeen bindende regel).
Belangrijk:
● Een wet kan materieel, formeel, beide of geen van beide zijn.
● Decreten en ordonnanties van deelstaten staan gelijk aan federale wetten (niet
lager).
3. Toetsing door hoven
● Grondwettelijk Hof
○ Toetst formele wetten, decreten, ordonnanties aan de Grondwet.
○ Niet bevoegd voor KB’s of MB’s (materiële wetten).
○ Vooral bij discriminatiekwesties.
○ Art. 1 & 26 Bijzondere Wet op het Grondwettelijk Hof.
● Hof van Cassatie
○ Toetst materiële wetten: bekijkt of een rechter het recht correct toepaste.
○ Geen derde aanleg, geen feitenbeoordeling.
○ Art. 608 Ger.W.
4. Soorten geschreven recht
● Recht van openbare orde → art. 1.3, 4e lid BW
○ Fundamenteel voor maatschappij (bv. huwelijk).
○ Altijd dwingend → partijen kunnen er niet van afwijken.
● Dwingend recht → art. 1.3, 5e lid BW
○ Beschermt de zwakkere partij.
○ Contractuele afwijking = nietig.
● Aanvullend recht
○ Partijen mogen afwijken.
○ Geldt enkel als partijen zelf niets regelen.
, 5. Hiërarchie van normen
● Federale wetten, decreten, ordonnanties (zelfde niveau, maar andere
bevoegdheden).
● Lagere norm moet in overeenstemming zijn met hogere norm, zo niet kan de
rechter ze in een concreet geschil buiten toepassing laten of kunnen bepaalde
rechtbanken de lagere norm vernietigen.
Regel: Lex specialis derogat generali
● Specifieke wet gaat voor op algemene wet.
vindplaats van wetgeving
● Officieel Analoog: Belgisch Staatsblad (BS)
● Digitaal: via juridat.be of belgielex.be
● Officieus digitaal Databanken: jura, strada,… Betalend
● Officieus analoog Papieren wetboeken: VRG codex (examen!)
6. Belgisch Staatsblad & werking van wetten
PAV principe bij toepassing van een wet:
1. Pertinentie: is de wet relevant voor het probleem?
2. Actueel: is de wet al in werking?
3. Van toepassing: geldt de wet op de plaats van de feiten?
Inwerkingtreding:
● Algemeen: 10 dagen na publicatie (art. 190 GW).
● Uitzondering: wet kan eigen datum kiezen.
● Eerbiedigende werking: oude contracten blijven onder oude wet.
● Strafrecht:
○ Zwaardere strafwet → geen retroactiviteit.
○ Mildere strafwet → wél retroactief (art. 7 EVRM).
○ Interpretatieve wetten: verduidelijken oude wet, werken terug (retroactief).