1 Lesdoelstellingen: Thema 1.1.: Wat is recht?
1.1 1.1.Wat is recht?
1.2 1.2.De student kan onderstaande termen betreffende soorten recht toelichten en verduidelijken
aan de hand van een voorbeeld: Internationaal recht, nationaal recht.
1.3 1.3.De student kan onderstaande termen betreffende soorten recht toelichten en verduidelijken
aan de hand van een voorbeeld: publiekrecht en privaatrecht
Juridische thema’s
, 2
2 Lesdoelstellingen Thema: 2.1. Federale organisatie België
2.1 Je kan de term federale staat toelichten en het verschil met een éénheidsstaat (unitaire staat)
verduidelijken.
2.2 Je kan de termen gemeenschappen en gewesten toelichten en de verschillende gewesten en
gemeenschappen ook benoemen.
2.3 Je kent de belangrijkste bevoegdheden voor een sociaal werker op federaal, gemeenschaps- en
gewestniveau
Juridische thema’s
, 3
2.4 Je kan de term scheiding der machten omschrijven en de belangrijke kenmerken ervan toelichten.
De scheiding der machten moet als doel hebben de vrijheid van de burgers te vergroten en controle op de
overheidsapparaten mogelijk te maken.
We hebben 3 machten:
● De wetgevende macht (Koning en Parlement)
● De uitvoerende macht (Koning en regering)
.● De rechterlijke macht (Hoven en rechtbanken)
Dit om te voorkomen dat 1 persoon alle macht heeft. Ook kunnen ze elkaar op deze manier controleren.
Dit systeem bestaat op alle niveau ’s gemeenschappen, gewesten en federale overheid.
Vb: Indien de Uitvoerende macht zijn werk niet goed doet kan de wetgevende macht hen op de vingers tikken,
of indien de wetgevende macht wetgeving maakt die tegen bepaalde rechten van de burger ingaat kan de
rechterlijke macht hen terugfluiten.
2.5 Je kan de scheiding der machten toepassen op de federale overheid.
De overheid is in drie onafhankelijke takken verdeeld:
1.Wetgevende macht: Deze tak is verantwoordelijk voor het maken van wetten.
2.Uitvoerende macht: Deze tak voert de wetten uit en is verantwoordelijk voor het dagelijks bestuur van de
overheid.
3.Rechterlijke macht: Deze tak interpreteert de wetten en zorgt ervoor dat ze correct worden toegepast. Dit omvat
de rechtbanken en rechters, die bevoegd zijn om geschillen op te lossen en de grondwettigheid van wetten te
beoordelen.
Door deze scheiding kan elke tak zijn eigen functies vervullen en elkaar in balans houden, wat bijdraagt aan de
democratische controle en de bescherming van de rechten van de burgers.
2.6 Je kan de termen representatieve democratie, parlementaire democratie en directe democratie
toelichten en verduidelijken aan de hand van een voorbeeld
Representatieve democratie: wil zeggen dat de personen die voor ons wetgeving maken door ons zijn
gekozen tijdens verkiezingen. Wij kiezen mensen waarvan wij vinden dat zij gelijkaardige ideeën hebben als
ons en dus voor ons wetgeving mogen maken. Deze mensen noemen we volksvertegenwoordigers.
Bv: De Verenigde Staten. In dit systeem kiezen burgers vertegenwoordigers om hen te vertegenwoordigen in de
wetgevende macht. Burgers stemmen op kandidaten voor het Congres (de Senaat en het Huis van Afgevaardigden),
evenals voor staats- en lokale ambtenaren. De gekozen vertegenwoordigers maken en stemmen over wetten en
beleid namens de burgers. vertegenwoordigers zijn verantwoordelijk voor hun acties en kunnen in de volgende
verkiezingen worden afgezet als de kiezers niet tevreden zijn.
Parlementaire democratie: wil zeggen dat de verkozen volksvertegenwoordigers wetgeving maken in het parlement.
Dit is een instituut dat we hebben gecreëerd waar volksvertegenwoordigers werken en wetgeving maken. Vele
andere landen hebben een gelijkaardig systeem met hier en daar verschillende namen of werkwijzen
Directe democratie: het hele volk beslist mee over de wetgeving in het land. = Gaan stemmen / stemrecht
Vb: Een voorbeeld van een parlementaire democratie is het Verenigd Koninkrijk. In dit systeem is het
parlement de hoogste autoriteit en bestaat het uit twee kamers: het Lagerhuis en het Hogerhuis. Burgers
stemmen voor leden van het Lagerhuis, die hun vertegenwoordigers zijn. De regering wordt gevormd door de
politieke partij of coalitie die de meeste zetels in het Lagerhuis heeft. De leider van die partij wordt de premier.
De regering is verantwoordelijk voor het parlement en kan worden afgezet door een motie van wantrouwen.
Juridische thema’s