1. TERMINOLOGIE
Dementie is geen op zichzelf staande ziekte, maar een syndroom dat wordt gekenmerkt door een
combinatie van symptomen zoals geheugenverlies, desoriëntatie en gedragsveranderingen. Deze
symptomen zijn het gevolg van verschillende onderliggende aandoeningen, waaronder de ziekte van
Alzheimer, vasculaire dementie, frontotemporale dementie en Lewy body-dementie
Enkele veelvoorkomende termen in de context van dementie zijn:
• Afasie: een taalstoornis waarbij het vermogen om te spreken, begrijpen, lezen of schrijven is
aangetast.
• Agnosie: het onvermogen om objecten, geluiden of geuren te herkennen, ondanks intacte
zintuigen.
• Apraxie: moeilijkheden met het uitvoeren van doelgerichte handelingen, ondanks een intact
motorisch systeem.
• MCI (Mild Cognitive Impairment): een milde vorm van geheugenverlies die een voorstadium van
dementie kan zijn, maar ook stabiel kan blijven of zelfs verbeteren.
• MMSE (Mini-Mental State Examination): een veelgebruikte test bij het vermoeden van dementie,
met een score tussen 1 en 30; hoe hoger de score, hoe beter de cognitieve vaardigheden.
• MOCA (Montreal Cognitive Assessment): een kort screeningsinstrument voor het evalueren van
cognitieve achteruitgang, bestaande uit 30 vragen die ongeveer tien minuten in beslag nemen.
2. ICF KIJK OP DEMENTIE
Dementie vanuit het ICF-perspectief vraagt speciale aandacht voor de interactie tussen
gezondheidstoestand, functies en structuren, activiteiten en participatie, en persoonlijke en externe
factoren. Het wordt primair benaderd vanuit cognitieve functies zoals geheugen, oriëntatie en het
vermogen om te plannen en organiseren.
In de vroege stadia van dementie komen beperkingen op het gebied van mentale functies en
gedragsveranderingen voor, maar na verloop van tijd heeft het ook sterke gevolgen voor de
activiteiten en sociale participatie van de persoon. Dit kan leiden tot verminderde zelfstandigheid in
zelfzorg, moeilijkheden in sociale relaties en het deelnemen aan maatschappelijke activiteiten.
Het ICF-model benadrukt ook de rol van externe factoren, zoals de mantelzorgers, sociale
ondersteuning en een aangepaste woonomgeving. Daarnaast wordt gekeken naar persoonlijke
factoren zoals copingvaardigheden, levensgeschiedenis en persoonlijkheidskenmerken, die invloed
hebben op hoe iemand met dementie zijn beperkingen ervaart en ermee omgaat. Het ICF biedt zo een
holistische benadering van dementie, waarbij niet alleen medische, maar ook sociale en persoonlijke
aspecten centraal staan.
In de volgende paragrafen wordt dieper ingegaan op de verschillende ICF-componenten in relatie tot
dementie.
1
, 3. ETHIOLOGIE
De meest voorkomende vormen van dementie:
- Ziekte van Alzheimer: Verantwoordelijk voor ongeveer 65% van alle dementiegevallen.
Kenmerkend zijn ophopingen van amyloïde- en tau-eiwitten in de hersenen, wat leidt tot het
afsterven van zenuwcellen, vooral in gebieden die belangrijk zijn voor het geheugen.
- Vasculaire dementie: Ongeveer 17% van de gevallen. Ontstaat door schade aan de bloedvaten in
de hersenen, vaak als gevolg van beroertes of chronische doorbloedingsstoornissen.
- Frontotemporale dementie (FTD): Ongeveer 2% van de gevallen. Treft voornamelijk de frontale en
temporale hersengebieden, wat resulteert in veranderingen in gedrag en taalvaardigheden.
- Lewy body-dementie: Ongeveer 4% van de gevallen. Gekenmerkt door de aanwezigheid van
abnormale eiwitophopingen (Lewy bodies) in de hersencellen, wat leidt tot fluctuaties in
cognitieve functies en motorische symptomen.
Leeftijd is de belangrijkste risicofactor voor dementie, met andere factoren zoals een ongezonde leefstijl,
hoge bloeddruk, diabetes en erfelijkheid die ook bijdragen. Het aanpassen van risicofactoren, zoals een
gezonde levensstijl, kan het risico verlagen. Dementie is chronisch, progressief en onomkeerbaar, met
zowel psychische als lichamelijke, sociale en maatschappelijke gevolgen. De symptomen variëren
afhankelijk van de vorm van dementie.
In de opleiding orthopedagogie leren studenten in het tweede jaar over de diagnostiek van dementie, en
kunnen ze zich in het derde jaar verder specialiseren, met focus op het verbeteren van de levenskwaliteit
en veiligheid van mensen met dementie.
4.PREVENTIE
PRIMAIRE PREVENTIE
Primaire preventie richt zich op het voorkomen of uitstellen van dementie door risicofactoren aan te
pakken voordat er cognitieve achteruitgang optreedt. In Vlaanderen ligt de nadruk op het bevorderen van
een hersengezonde levensstijl. Risicofactoren zoals fysieke inactiviteit, roken, ongezonde voeding en
sociale isolatie worden aangepakt via campagnes zoals 'SaniMemorix' en initiatieven van het
Expertisecentrum Dementie Vlaanderen. Deze stimuleren actieve beweging, gezonde voeding en sociale
contacten om het risico op dementie te verlagen.
SECUNDAIRE PREVENTIE
Secundaire preventie richt zich op het vroegtijdig detecteren van dementie of cognitieve achteruitgang om
verdere verslechtering te vertragen. Vroegtijdige opsporing via huisartspraktijken, geheugencentra en
multidisciplinaire teams is essentieel. In Vlaanderen wordt gewerkt aan netwerken van Dementie
ReferentieArtsen (DRA) om huisartsen te ondersteunen bij de diagnose. Ondanks deze initiatieven duurt
het gemiddeld meer dan twee jaar om een formele diagnose te stellen, vooral bij jongere mensen, wat
wijst op een kloof tussen het beleidsdoel van vroege detectie en de praktijk in de eerstelijnszorg.
TERTIARE PREVENTIE
Tertiaire preventie richt zich op het minimaliseren van de gevolgen van dementie en het ondersteunen van
zowel de persoon met dementie als de mantelzorger. Initiatieven zoals familiegroepen, psycho-educatie
en mantelzorgondersteuning door organisaties zoals Samana zijn belangrijk. Toch voelen mantelzorgers
zich vaak onvoldoende ondersteund. Er is een oproep voor betere financiële ondersteuning en structurele
inspraak in het zorgproces. Studies tonen aan dat zorgplanning, zoals gesprekken over levenseindezorg,
2
, vaak niet wordt gevoerd. Ondanks beleidsinspanningen op het gebied van primaire preventie, blijft
secundaire en tertiaire preventie achter in de praktijk, vooral wat betreft vroege detectie, zorgplanning en
mantelzorgondersteuning. Verdere investeringen in eerstelijnszorg en mantelzorgondersteuning zijn
nodig.
5. PREVALENTIE
Dementie is wereldwijd een groeiende volksgezondheidsuitdaging. De Wereldgezondheidsorganisatie
(WHO) beschouwt het als een topprioriteit, met elke vier seconden een nieuwe diagnose dementie, wat
neerkomt op ongeveer 10 miljoen nieuwe gevallen per jaar. Wereldwijd leven momenteel naar schatting
50 miljoen mensen met dementie, en dit aantal zal naar verwachting tegen 2050 verdrievoudigen tot
ongeveer 152 miljoen. De meest voorkomende vorm van dementie is de ziekte van Alzheimer (ongeveer
70% van de gevallen), gevolgd door vasculaire dementie (20%), Lewy body-dementie (5–10%) en
frontotemporale dementie, die vaak voorkomt bij mensen jonger dan 65 jaar.
5.1 DEMENTIE IN BELGIË
In België stijgt het aantal mensen met dementie sterk, voornamelijk door de vergrijzing. In 2020 waren
er naar schatting 152.000 mensen met dementie in Vlaanderen en Brussel, en ongeveer 202.402 in
heel België. Elk jaar komen er zo'n 52.100 nieuwe gevallen bij, wat neerkomt op gemiddeld 143 per
dag. Tegen 2030 wordt verwacht dat het aantal mensen met dementie in België meer dan 250.000 zal
zijn, en dit aantal zou tegen 2070 zelfs verdubbelen.
Dementie treft vooral ouderen: ongeveer 10% van de 65-plussers, meer dan 20% van de 80-plussers
en ruim 40% van de 90-plussers leven met deze aandoening. De kans om dementie te ontwikkelen in
de loop van het leven is ongeveer 1 op 5. Bovendien wordt verwacht dat in 2025 het aantal mensen
met jongdementie (voor de leeftijd van 65 jaar) in Vlaanderen op zo'n 4.464 zal liggen, waarvan
slechts een minderheid (ongeveer 1.800) een formele diagnose krijgt.
5.2 DIAGNOSTISCH ONDERZOEK BIJ DEMENTIE
Bij het stellen van een diagnose is er een multidisciplinaire aanpak nodig, met medische ne
psychosociale aspecten.
COGNITIEVE SCREENINGINSTRUMENTEN
Verschillende testen om het cognitief functioneren van ouderen in kaart te brengen:
- Mini-mental state examination
o Een veelgebruikte test die verschillende cognitieve domeinen evalueert: oriëntatie,
geheugen, aandacht, taal en visueel-constructieve vaardigheden. De MMSE bestaat uit
11 items en wordt gescoord op 30 punten. Een score van 24 of lager kan wijzen op
cognitieve achteruitgang, al is de interpretatie steeds afhankelijk van contextuele
factoren zoals tijdstip, stemming en gezondheid.
- Kloktekentest
o Deze test beoordeelt het vermogen van een persoon om een klok te tekenen met een
aangegeven tijd. Ze meet onder meer visueel-ruimtelijk inzicht en executieve functies en
is minder afhankelijk van taalvaardigheid, waardoor ze vaak complementair aan de
MMSE wordt gebruikt.
- Observatielijst voor Vroege Symptomen van Dementie (OLD)
3