TE KENNEN: handboek module 2 en 3
Examen: 40% MC en 60% open vragen
= Beleggings- en financieringsverrichtingen via beurs (= financiële markt)
• Module 2: Financiële verrichtingen: beurs
• Module 3: Financiële verrichtingen: bank
= Beleggings- en financieringsverrichtingen via bank + werking bank
Belegging → iemand die geld te veel heeft
Financiering → iemand die geld te weinig heeft
Bank en beurs brengen deze 2 personen met elkaar in contact
Beurs = financiële markt
MODULE 2: FINANCIËLE VERRICHTINGEN
HOOFDSTUK 1: FINANCIËLE MARKTEN
Punt 2 in boek ook kennen, maar minder belangrijk (niet in pwp)
1. ALGEMEEN
Wat is een financiële markt ?
Financiële markt = beurs = markt voor financiële producten (vooral obligaties en aandelen)
Markt = plaats waar kopers en verkopers met elkaar in contact komen
Financiële producten worden verhandeld
Obligaties
Aandelen (2 belangrijkste)
FINANCIEEL SYSTEEM ( waar gelden stromen tussen partijen, dit is het schema hierboven)
Spaartekorten : geven meer geld uit dan dat er binnenkomt <->
Spaaroverschotten → beleggers → kopers van financiële producten
- Instutionele beleggers : instituties bv pensioenfondsen, heel veel geld te beleggen
- Particuliere beleggers : heel veel mensen, relatief weinig geld
Bedrijven en overheid hebben geld tekort
→ Deze gaan obligaties uitgeven
→ Obligaties → VV : schulden, als je dit uitgeeft, dan heb je schulden
1
, → Aandelen → EV : geen schulden
3 beperkingen:
- We doen hier alsof banken niet bestaan, dan zouden bedrijven of overheid ook bij de bank
kunnen lenen
- Eigenlijk naast bedrijven en overheid zijn er ook de gezinnen (particulieren) die geld nodig
hebben. (je kunt als gezin geen aandelen, obligaties uitgeven)
- Eigenlijk is schema verkeerd, bedrijven kunnen obligaties en aandelen uitgeven, maar de
overheid niet, kan wel obligaties uitgeven, maar geen aandelen, want je kan geen mede-
eigenaar worde van de Belgische overheid
Spaartekorten invullen met financiering
Verschillen tussen obligaties en aandelen:
- Uitbetaling bij faling emittent: = uitgever obligatie/aandeel (= bedrijf)
1. Obligaties (is immers VV, dus schulden)
2. Aandelen (is immers EV, dus geen schulden)
- Opbrengst:
Obligaties: ‘Vooraf vastgelegd’ (= coupon)
Aandelen: ‘Niet vooraf vastgelegd’ (= dividend)
- Looptijd:
Obligaties: eindige looptijd (veelal 5 à 10 jaar)
Aandelen: oneindige looptijd
Emittent = degene die de obligatie of aandeel uitgeeft (bv het bedrijf beeckaert)
→ Beeckaert kan in faling gaan → gaat over bedrijf, want overheid kan niet failliet gaan
→ Overheid kan niet failliet gaan
Faling
- Curator, probeert zoveel mogelijk geld te herstellen, een pot geld samenstellen,
achterstallige lonen betalen bv. Of diegene die obligaties gekocht hebben geheel of
gedeeltelijk terugbetalen, de geldpot wordt eerst gebruikt om obligaties terug te betalen,
want dit zijn schulden en daarom worden die als eerste terugbetaald.
- Dus aandelen meer risicovol.
Opbrengst:
- Obligaties: vooraf vastgelegd, vooraf wordt gezegd hoe de opbrengst er zal uitzien of hoe ze
wordt berekend = coupon
- Aandelen: niet vooraf vastgelegd, afhankelijk hoe het gaat met het bedrijf = dividend
Looptijd;
- Obligaties : lopen ooit af, hebben een vervaldag, wanneer je uw geld terugkrijgt
2
, - Aandelen: oneindige looptijd, je krijgt uw geld nooit terug, geen vervaldag. Emittent gaat
nooit uw geld terugbetalen. Je hoopt dat de koers stijgt en dat je uw aandelen kan verkopen
aan een andere belegger.
BALANS
Passief:
• Eigen vermogen → = aandelen : komt tot stand door het uitgeven van aandelen
• Vreemd vermogen
o Obligaties
o Bankleningen / Bankschulden
o Handelsschulden: Het bedrijf moet pas betalen binnen 1 maand bv
2. VOORDELEN FINANCIËLE MARKTEN
1. Beurs zorgt voor het kanaliseren van kapitaaloverschotten en tekorten. (de te beleggen
middelen van vele vaak kleine beleggers worden gebundeld om e kunnen voorzien in de grote
financiële behoeften van de onderneming.)
2. De beurs zorgt voor een transparante prijsvorming.
3. Beurs biedt referentiekader voor belegger
4. Door de beurs worden transactiekosten en tijdskosten beperkt. (zou veel meer tijd innemen als
je zelf op zoek moest gaan naar een belegger)
5. Beurs laat risicospreiding toe.
3. SOORTEN
Types van financiële markten
A. PRIMAIRE MARKT ↔ SECUNDAIRE MARKT
Levensloop financieel product
Emissie = de gebeurtenis van de uitgifte = uitgifte
Ja kan uw obligatie verkopen aan iemand anders → verhandeling → gebeurt op de secundaire
markt
Emissie vindt plaats op de primaire markt
Primaire markt; dan is de verkoper altijd de emittent
Secundaire markt; dan is de verkoper niet de emittent, dat is altijd tussen 2 beleggers, koper en
verkoper zijn altijd beleggers
→ Wat als een bedrijf aandelen aankoopt?
→ Dan gebeurt het wel, op de secundaire markt.
→ Kan zijn dat bedrijf op secundaire markt gaan handelen, bedrijven met geld te veel
die eigen aandelen kopen. (hoef je niet te weten eigenlijk)
→ Bedrijven kunnen eigen aandelen kopen
B. GELDMARKT ↔ KAPITAALMARKT
restlooptijd ≤ 1 jr → verhandeld op de geldmarkt : bv obligatie 3 mnd
restlooptijd > 1 jr → wordt verhandeld op de kapitaalmarkt : Vb. obligatie 5 jr
VOORBEELD EXAMENVRAAG
3
, C. CONCRETE MARKT ↔ ABSTRACTE MARKT (BEURS)
Concrete markt → financiële markt waarbij kopers en verkopers fysiek elkaar ontmoeten in een huis
(= vloerhandel)
Abstracte markt → waar handelaars niet in eenzelfde gebouw zitten, maar verspreid over heel de
wereld, maar hebben contact online (= geen vloerhandel)
Vroeger waren alle markten concrete markten
D. PRIJSGEDREVEN MARKT ↔ ORDERGEDREVEN MARKT
Order = verzoek om FP te kopen of te verkopen
PRIJSGEDREVEN MARKT → prijs staat centraal, handel verloopt via tussenpersoon : de marktmaker
(Deze partij stelt/afficheert continu prijzen vast waartegen beleggers kunnen handelen. De prijs is er
dus vóór de order.) (Nasdac, Europees perspectief minder belangrijk, Goldman Sachs)
• Biedkoers: De prijs die de marktmaker biedt om te kopen. (De belegger verkoopt hiertegen).
• Laatkoers: De prijs waartegen de marktmaker wil verkopen. (De belegger koopt hiertegen).
De Spread: De laatkoers is altijd hoger dan de biedkoers. Het verschil hiertussen is de 'spread', de
winstmarge voor de Market Maker.
ORDERGEDREVEN MARKT → bepalen de orders van alle kopers en verkopers samen de prijs. Geen
marktmaker. De prijs (p) komt tot stand waar Vraag & aanbod gelijk zijn aan elkaar. (Euronext
Brussel)
=> dit wordt later uitgelegd
4