Inleiding tot de economie
Micro Economie: Hoofdstuk 1: Algemeen kader
Micro-economie: beheer van het huishouden
- Analyse van de economische beslissingen van individuele
gezinnen en ondernemingen
- Coördinatie van deze beslissingen gebeurt via markt
Economie: een wetenschap (economics) die het economisch gebeuren
handelen (economy) probeert te verklaren
Economische wetenschap in drie basisvragen
1) Wat wordt geproduceerd
2) Hoe wordt het geproduceerd
- heeft ook voor grote breuken gezorgd
o Ontstaan van machines, maar ook slavernij
3) Wie krijgt het geproduceerde
- Kan totaal ander antwoord zijn
- Grote ongelijkheid of verdeeld?
- Welke ongelijkheid wordt geaccepteerd?
Productie/ output: alles waardoor goederen en diensten gecreëerd
worden op de gepaste plaats en tijd mogelijk van de kopers
- Goederen, diensten, onderwijs
PRODUCTIE
Drie verschillende bedrijfstakken
1) Primaire sector
- Alle productie die voortkomt uit veeteelt en tuinbouw
- Landbouw: industriële gewassen (vlasteelt), katoenteelt, veeteelt,
tuinbouw
- Bosbouw, jacht, visvangst
2) Secundaire factor
- Extractieve nijverheid: mijnbouw, steengroeven, olie- en
zandwinning, turfwinning (verwarming huizen)
- Bewerkende en verwerkende nijverheid: bouwbedrijf, nutsbedrijven
(water, gas, elektriciteit)
o Bewerkend: minimale transformatie
- = Fysische transformatie: primair en secundair gepaard (bv: zaadje
naar graan)
1
, 3) Tertiaire factor
- Geen fysische transformatie
- Handels-, transport- en distributiediensten: zorgen dat de producten
uit de 1e en 2e sector juist verplaatst worden (plaats, hoeveelheid,
tijdstip)
- Dienstverlening: producenten en consumenten hebben zekerheden,
banken, fiscaliteiten, marketing, juridische diensten, (on)roerende
goederen… nodig
4) Socialprofitsector/ nonprofit/ quartaire sector
- diensten waar winst minder belangrijk is (onderwijs,
gezondheidszorg, overheid)
HISTORISCHE VERANDERINGEN I DE PRODUCTIESTRUCTUUR
- Proxy= werkgelegenheidsstructuur
- Ancien Regime:
men werkt
vooral in
Landbouw
- De-
industrialisatie
sinds ‘70
- Landbouw en
visserij
verminderd
sinds machines
INPUTS
- Ondernemingen hebben middelen nodig om te kunnen produceren
- = wat de onderneming inzet
- Soorten:
- Lopende inputs: middelen die ondernemingen gebruiken en door de
productie opgebruikt zijn
o Grondstoffen: water en shampoo
o Hulpstoffen: elektriciteit (verdwijnen volledig)
- Productiefactoren:
2
, o Zaken nodig om een dienst te verlenen, maar niet persé op
zijn daarna
o Arbeid: aantal uren die besteed worden aan de productie van
diensten en goederen
o Land: landbouw
o Kapitaal: nodig om iets te produceren
Kapitaalgoederen: door de mens geproduceerde
middelen die je lang kan gebruiken (machines,
uitrusting, bedrijfsgebouwen)
Aankoop van nieuwe kapitaalgoederen door
ondernemingen= investering
Menselijk kapitaal: mensen moeten opgeleid zijn,
vaardigheden, scholing en ervaring hebben
HET KEUZEPROBLEEM EN OPPORTUNITEITSKOSTEN
Economische activiteiten gericht op materiele behoeftebevrediging vergt
de inzet van schaarse middelen
- In ontwikkelingslanden of AR: schaarste = absoluut: bepaalde
goederen en diensten zijn in beperkte hoeveelheden verkrijgbaar
- In ontwikkelende economieën: schaarste = eerder relatief: je
moet zoeken naar de best mogelijke aanwending van schaarste
middelen
- Kiezen = verliezen: alternatieven zijn nodig (bv stuk land voor
woningbouw)
- Absolute schaarste: er is niet zo veel aan middelen
Opportuniteitskosten: vertegenwoordigen de waarde van de verloren
gegane beste mogelijke alternatieve aanwending van middelen
Hangt af van je voorkeuren:
- boer: het niet-gerealiseerde graanveld
- ornitholoog: het niet-gerealiseerde natuurreservaat, enz.
PRODUCTIEMOGELIJKHEDENCURVE OF TRANSFORMATIECURVE
Illustreert het keuzeprobleem, schaarste en opportuniteitskosten
3
, toont hoeveel we
maximaal we kunnen
produceren (bv graan en
auto) gegeven de
beschikbare
productiemiddelen
(arbeid, land, kapitaal,
input)
Bolvormige grafiek duidt op stijgende opportuniteitskosten
Als je al veel van iets hebt wordt het moeilijker om meer te krijgen
en vice versa
A: om te kunnen realiseren is er efficiëntie nodig
M: we produceren minder dan mogelijk, niet efficiënt
- Verouderde technologie
- Slechte inzet van productiefactoren
Z: nu onmogelijk te bereiken met de beschikbare productiemiddelen
- Later meer arbeidskracht en kapitaalgoederen
- Betere technologie en organisatie
Geen lineaire curve, bolt naar buiten: impact op productie auto’s is niet zo
groot, maar impact op graan wel
Opportuniteitskost van 0-D van graan is = aan A-C aan auto’s
D-H toename aan graan
- Hoeveel autos aan graan C-G van autos
- Grote opportuniteitskost voor zelfde hoeveelheid aan graan
- D aan graan heeft grotere opportuniteitskost dan 0-D
Wet van stijgende opportuniteitskosten: naarmate we veel van iets
hebben, komt er een grotere opportuniteitskost hoe meer we er van willen
hebben
Economische groei als transformatie curve naar rechtsboven verschuift
er kunnen meer auto’s en graan geproduceerd worden
4
,SPECIALISATIE
- Subsistentie- of overlevingseconomie: Elk gezin zou zelf kunnen
instaan voor zijn eigen behoeften aan levensmiddelen, kleding,
huisraad…
Leidde tot subsistentie- of overlevingseconomie:
o Weinig beschikbare middelen
o Lage kwaliteit
o Lage levenstandaard
- Specialisatie: de totale hoeveelheid arbeid wordt verdeeld over
verschillende productieactiviteiten
o Mensen konden zich specialiseren en investeringen maken om
de productie te verbeteren
Voordelen:
- Producenten ontwikkelen specifieke kennis en vaardigheden
- Gespecialiseerde werktuigen gebruikt voor de productie van
bepaalde goederen en diensten
Hogere productiehoeveelheid en verbetering van de kwaliteit
Hogere levensstandaard
Niet enkel gezinnen, maar ook regio’s en landen gaan specialiseren
- Smithian Growth: de groei die ontstaat zonder grote technische
veranderingen, mar door goede arbeidsverdeling en specialisatie
Problemen:
- Individuele producenten hebben
o Surplus aan eigen geproduceerde diensten en goederen
o Tekort aan niet zelf geproduceerde diensten en goederen
Ontwikkeling mechanismen om het te verdelen over de
verschillende leden in een gemeenschap = handel
- Coördinatieprobleem: in grotere gemeenschappen weinig of geen
rechtstreeks contact tussen consument en producent
o Oplossing?
Handel
Tradities en bevelsystemen
Zelf aangeven wat nodig is
Marktsysteem: vrije markt laten gaan
HET MARKTSYSTEEM
5
,Vrijemarkteconomie: productie en distributie van diensten en goederen
gebeurd op basis van de beslissingen van individuele ondernemingen en
gezinnen
- Ondernemingen kiezen zelf wat, hoeveel en voor wie er
geproduceerd wordt
- Gezinnen bepalen autonoom hun beroep en wat/ hoeveel ze
consumeren en sparen
Chaos? Nee= het principe van eigenbelang
- Gezinnen streven een zo hoog mogelijke welvaart na.
o Willen met hun inkomen zo goed mogelijk kunnen voorzien in
hun behoeftes om kwalitatieve diensten te kopen
o Beschikken over arbeid en kunnen eigenaar zijn van land,
natuurlijke hulpbronnen en kapitaalgoederen
o Verkopen hun arbeid aan de ondernemingen tegen de hoogst
mogelijke prijs
o Daarmee verwerven ze een inkomen, waarmee ze goederen
en diensten aankopen tegen een zo laag mogelijke prijs.
- Ondernemingen streven een zo hoog mogelijke winst na.
o Bezitten niets
o Kopen arbeid, land… aan van de gezinnen tegen een zo laag
mogelijke prijs
o Daarmee produceren ze goederen en diensten die ze proberen
te verkopen tegen een zo hoog mogelijke prijs.
o Anders failliet
- Financiële instelling
zijn ook belangrijk
- Ook buitenland en
overheid
- Kopers en
verkopers in contact streven naar eigenbelang één prijs =
waardevolle informatie voor gezinnen en ondernemingen:
- Éénprijs komt tot stand waar ondernemingen willen verkopen en
consumenten willen betalen
1) Prijsstijging van een product wijst op tekort
a. Aangezet om minder te kopen
2) Prijsdaling wijst op overschot
6
, a. Aangezet om meer te consumeren
Prijzen geven signalen zodat de productie van ondernemingen wordt
afgestemd op de behoeften van de gezinnen
= prijzen in marktsysteem hebben een signaalfunctie zodat de productie
van ondernemingen wordt afgestemd op de behoeften van de gezinnen
CONCEPTEN
Overheid= federaal, sociale zekerheid, gemeenschappen en gewesten,
provincies, gemeenten
- Zorgt voor veiligheid (politie, brandweer) economie stort in elkaar
zonder
- Voert wetten en regelementen uit:
o Bescherming eigendomsrechten
o Ordent en beperkt werking vrije markt
- Inkomensherverdeling
o Belasting, subsidies…
- Deelname aan productieproces gemengde economie
Productie twee soorten goederen:
1) Private goederen
- Consumptie door 1 persoon, sluit andere uit (cinema ticket)
- Geschikt voor private transacties verkoop tegen een prijs die
kosten dekt en winst mogelijk maakt (private toe-eigening)
2) Publieke goederen
- Consumptie door 1 persoon, sluit andere niet uit (landsverdediging)
- Moeilijk om bepaalde prijs aan te rekenen
- Gefinancierd via belastingen
Economische agenten= personen of instellingen die beslissingen nemen
wat betreft de omvang van de productie, consumptie, sparen
- 3 soorten
o Gezin
o Ondernemingen
o Overheid
7
, Intermediaire goederen= de output van heel wat ondernemingen vormt
tevens de input van andere bedrijven (bv softwareonderneming heeft
elektriciteit nodig)
- Veel goederen kunnen voor productie en consumptie gebruikt
worden
o Bv groenten en fruit
- Bestemd door eindgebruiker= consumptie
- Verwerkt door de conserveindustrie
Hoofdstuk 2: Vraag, aanbod en marktevenwicht
INLEIDING
- Al 2 markten belicht:
o De outputmarkt: markt waarin goederen en diensten worden
verhandeld
Dingen kopen
o De factormarkt: markt waar de productiefactoren worden
verhandeld
Arbeid en kapitaal
Andere markten: grondstoffen, geld, aandelen, Definitie van een ‘markt’:
o Vrijwillige ruil tussen 2 partijen: kopers en verkopers
o Uit eigenbelang: na de ruil zijn beide partijen er beter aan toe
o Uit deze interactie vloeit een marktprijs voort, waartegen
goederen, diensten en productiefactoren worden verhandeld
= evenwichtsprijs: gevraagde hoeveelheid = aangeboden hoeveelheid
- Enkele kenmerken van de markt:
o Oorspronkelijk: concreet gelokaliseerd op een bepaalde plaats
en op een bepaald tijdstip voor de plaatselijke
gemeenschap, bv. Leuvense weekmarkt op vrijdag;
o Dankzij regelmatiger en goedkoper vervoer en communicatie
ontstaan regionale en internationale markten.
o Deze internationale markten worden virtueel:
Tijdloos: want 24 uur op 24, bv. wisselmarkten, beurzen;
8
Micro Economie: Hoofdstuk 1: Algemeen kader
Micro-economie: beheer van het huishouden
- Analyse van de economische beslissingen van individuele
gezinnen en ondernemingen
- Coördinatie van deze beslissingen gebeurt via markt
Economie: een wetenschap (economics) die het economisch gebeuren
handelen (economy) probeert te verklaren
Economische wetenschap in drie basisvragen
1) Wat wordt geproduceerd
2) Hoe wordt het geproduceerd
- heeft ook voor grote breuken gezorgd
o Ontstaan van machines, maar ook slavernij
3) Wie krijgt het geproduceerde
- Kan totaal ander antwoord zijn
- Grote ongelijkheid of verdeeld?
- Welke ongelijkheid wordt geaccepteerd?
Productie/ output: alles waardoor goederen en diensten gecreëerd
worden op de gepaste plaats en tijd mogelijk van de kopers
- Goederen, diensten, onderwijs
PRODUCTIE
Drie verschillende bedrijfstakken
1) Primaire sector
- Alle productie die voortkomt uit veeteelt en tuinbouw
- Landbouw: industriële gewassen (vlasteelt), katoenteelt, veeteelt,
tuinbouw
- Bosbouw, jacht, visvangst
2) Secundaire factor
- Extractieve nijverheid: mijnbouw, steengroeven, olie- en
zandwinning, turfwinning (verwarming huizen)
- Bewerkende en verwerkende nijverheid: bouwbedrijf, nutsbedrijven
(water, gas, elektriciteit)
o Bewerkend: minimale transformatie
- = Fysische transformatie: primair en secundair gepaard (bv: zaadje
naar graan)
1
, 3) Tertiaire factor
- Geen fysische transformatie
- Handels-, transport- en distributiediensten: zorgen dat de producten
uit de 1e en 2e sector juist verplaatst worden (plaats, hoeveelheid,
tijdstip)
- Dienstverlening: producenten en consumenten hebben zekerheden,
banken, fiscaliteiten, marketing, juridische diensten, (on)roerende
goederen… nodig
4) Socialprofitsector/ nonprofit/ quartaire sector
- diensten waar winst minder belangrijk is (onderwijs,
gezondheidszorg, overheid)
HISTORISCHE VERANDERINGEN I DE PRODUCTIESTRUCTUUR
- Proxy= werkgelegenheidsstructuur
- Ancien Regime:
men werkt
vooral in
Landbouw
- De-
industrialisatie
sinds ‘70
- Landbouw en
visserij
verminderd
sinds machines
INPUTS
- Ondernemingen hebben middelen nodig om te kunnen produceren
- = wat de onderneming inzet
- Soorten:
- Lopende inputs: middelen die ondernemingen gebruiken en door de
productie opgebruikt zijn
o Grondstoffen: water en shampoo
o Hulpstoffen: elektriciteit (verdwijnen volledig)
- Productiefactoren:
2
, o Zaken nodig om een dienst te verlenen, maar niet persé op
zijn daarna
o Arbeid: aantal uren die besteed worden aan de productie van
diensten en goederen
o Land: landbouw
o Kapitaal: nodig om iets te produceren
Kapitaalgoederen: door de mens geproduceerde
middelen die je lang kan gebruiken (machines,
uitrusting, bedrijfsgebouwen)
Aankoop van nieuwe kapitaalgoederen door
ondernemingen= investering
Menselijk kapitaal: mensen moeten opgeleid zijn,
vaardigheden, scholing en ervaring hebben
HET KEUZEPROBLEEM EN OPPORTUNITEITSKOSTEN
Economische activiteiten gericht op materiele behoeftebevrediging vergt
de inzet van schaarse middelen
- In ontwikkelingslanden of AR: schaarste = absoluut: bepaalde
goederen en diensten zijn in beperkte hoeveelheden verkrijgbaar
- In ontwikkelende economieën: schaarste = eerder relatief: je
moet zoeken naar de best mogelijke aanwending van schaarste
middelen
- Kiezen = verliezen: alternatieven zijn nodig (bv stuk land voor
woningbouw)
- Absolute schaarste: er is niet zo veel aan middelen
Opportuniteitskosten: vertegenwoordigen de waarde van de verloren
gegane beste mogelijke alternatieve aanwending van middelen
Hangt af van je voorkeuren:
- boer: het niet-gerealiseerde graanveld
- ornitholoog: het niet-gerealiseerde natuurreservaat, enz.
PRODUCTIEMOGELIJKHEDENCURVE OF TRANSFORMATIECURVE
Illustreert het keuzeprobleem, schaarste en opportuniteitskosten
3
, toont hoeveel we
maximaal we kunnen
produceren (bv graan en
auto) gegeven de
beschikbare
productiemiddelen
(arbeid, land, kapitaal,
input)
Bolvormige grafiek duidt op stijgende opportuniteitskosten
Als je al veel van iets hebt wordt het moeilijker om meer te krijgen
en vice versa
A: om te kunnen realiseren is er efficiëntie nodig
M: we produceren minder dan mogelijk, niet efficiënt
- Verouderde technologie
- Slechte inzet van productiefactoren
Z: nu onmogelijk te bereiken met de beschikbare productiemiddelen
- Later meer arbeidskracht en kapitaalgoederen
- Betere technologie en organisatie
Geen lineaire curve, bolt naar buiten: impact op productie auto’s is niet zo
groot, maar impact op graan wel
Opportuniteitskost van 0-D van graan is = aan A-C aan auto’s
D-H toename aan graan
- Hoeveel autos aan graan C-G van autos
- Grote opportuniteitskost voor zelfde hoeveelheid aan graan
- D aan graan heeft grotere opportuniteitskost dan 0-D
Wet van stijgende opportuniteitskosten: naarmate we veel van iets
hebben, komt er een grotere opportuniteitskost hoe meer we er van willen
hebben
Economische groei als transformatie curve naar rechtsboven verschuift
er kunnen meer auto’s en graan geproduceerd worden
4
,SPECIALISATIE
- Subsistentie- of overlevingseconomie: Elk gezin zou zelf kunnen
instaan voor zijn eigen behoeften aan levensmiddelen, kleding,
huisraad…
Leidde tot subsistentie- of overlevingseconomie:
o Weinig beschikbare middelen
o Lage kwaliteit
o Lage levenstandaard
- Specialisatie: de totale hoeveelheid arbeid wordt verdeeld over
verschillende productieactiviteiten
o Mensen konden zich specialiseren en investeringen maken om
de productie te verbeteren
Voordelen:
- Producenten ontwikkelen specifieke kennis en vaardigheden
- Gespecialiseerde werktuigen gebruikt voor de productie van
bepaalde goederen en diensten
Hogere productiehoeveelheid en verbetering van de kwaliteit
Hogere levensstandaard
Niet enkel gezinnen, maar ook regio’s en landen gaan specialiseren
- Smithian Growth: de groei die ontstaat zonder grote technische
veranderingen, mar door goede arbeidsverdeling en specialisatie
Problemen:
- Individuele producenten hebben
o Surplus aan eigen geproduceerde diensten en goederen
o Tekort aan niet zelf geproduceerde diensten en goederen
Ontwikkeling mechanismen om het te verdelen over de
verschillende leden in een gemeenschap = handel
- Coördinatieprobleem: in grotere gemeenschappen weinig of geen
rechtstreeks contact tussen consument en producent
o Oplossing?
Handel
Tradities en bevelsystemen
Zelf aangeven wat nodig is
Marktsysteem: vrije markt laten gaan
HET MARKTSYSTEEM
5
,Vrijemarkteconomie: productie en distributie van diensten en goederen
gebeurd op basis van de beslissingen van individuele ondernemingen en
gezinnen
- Ondernemingen kiezen zelf wat, hoeveel en voor wie er
geproduceerd wordt
- Gezinnen bepalen autonoom hun beroep en wat/ hoeveel ze
consumeren en sparen
Chaos? Nee= het principe van eigenbelang
- Gezinnen streven een zo hoog mogelijke welvaart na.
o Willen met hun inkomen zo goed mogelijk kunnen voorzien in
hun behoeftes om kwalitatieve diensten te kopen
o Beschikken over arbeid en kunnen eigenaar zijn van land,
natuurlijke hulpbronnen en kapitaalgoederen
o Verkopen hun arbeid aan de ondernemingen tegen de hoogst
mogelijke prijs
o Daarmee verwerven ze een inkomen, waarmee ze goederen
en diensten aankopen tegen een zo laag mogelijke prijs.
- Ondernemingen streven een zo hoog mogelijke winst na.
o Bezitten niets
o Kopen arbeid, land… aan van de gezinnen tegen een zo laag
mogelijke prijs
o Daarmee produceren ze goederen en diensten die ze proberen
te verkopen tegen een zo hoog mogelijke prijs.
o Anders failliet
- Financiële instelling
zijn ook belangrijk
- Ook buitenland en
overheid
- Kopers en
verkopers in contact streven naar eigenbelang één prijs =
waardevolle informatie voor gezinnen en ondernemingen:
- Éénprijs komt tot stand waar ondernemingen willen verkopen en
consumenten willen betalen
1) Prijsstijging van een product wijst op tekort
a. Aangezet om minder te kopen
2) Prijsdaling wijst op overschot
6
, a. Aangezet om meer te consumeren
Prijzen geven signalen zodat de productie van ondernemingen wordt
afgestemd op de behoeften van de gezinnen
= prijzen in marktsysteem hebben een signaalfunctie zodat de productie
van ondernemingen wordt afgestemd op de behoeften van de gezinnen
CONCEPTEN
Overheid= federaal, sociale zekerheid, gemeenschappen en gewesten,
provincies, gemeenten
- Zorgt voor veiligheid (politie, brandweer) economie stort in elkaar
zonder
- Voert wetten en regelementen uit:
o Bescherming eigendomsrechten
o Ordent en beperkt werking vrije markt
- Inkomensherverdeling
o Belasting, subsidies…
- Deelname aan productieproces gemengde economie
Productie twee soorten goederen:
1) Private goederen
- Consumptie door 1 persoon, sluit andere uit (cinema ticket)
- Geschikt voor private transacties verkoop tegen een prijs die
kosten dekt en winst mogelijk maakt (private toe-eigening)
2) Publieke goederen
- Consumptie door 1 persoon, sluit andere niet uit (landsverdediging)
- Moeilijk om bepaalde prijs aan te rekenen
- Gefinancierd via belastingen
Economische agenten= personen of instellingen die beslissingen nemen
wat betreft de omvang van de productie, consumptie, sparen
- 3 soorten
o Gezin
o Ondernemingen
o Overheid
7
, Intermediaire goederen= de output van heel wat ondernemingen vormt
tevens de input van andere bedrijven (bv softwareonderneming heeft
elektriciteit nodig)
- Veel goederen kunnen voor productie en consumptie gebruikt
worden
o Bv groenten en fruit
- Bestemd door eindgebruiker= consumptie
- Verwerkt door de conserveindustrie
Hoofdstuk 2: Vraag, aanbod en marktevenwicht
INLEIDING
- Al 2 markten belicht:
o De outputmarkt: markt waarin goederen en diensten worden
verhandeld
Dingen kopen
o De factormarkt: markt waar de productiefactoren worden
verhandeld
Arbeid en kapitaal
Andere markten: grondstoffen, geld, aandelen, Definitie van een ‘markt’:
o Vrijwillige ruil tussen 2 partijen: kopers en verkopers
o Uit eigenbelang: na de ruil zijn beide partijen er beter aan toe
o Uit deze interactie vloeit een marktprijs voort, waartegen
goederen, diensten en productiefactoren worden verhandeld
= evenwichtsprijs: gevraagde hoeveelheid = aangeboden hoeveelheid
- Enkele kenmerken van de markt:
o Oorspronkelijk: concreet gelokaliseerd op een bepaalde plaats
en op een bepaald tijdstip voor de plaatselijke
gemeenschap, bv. Leuvense weekmarkt op vrijdag;
o Dankzij regelmatiger en goedkoper vervoer en communicatie
ontstaan regionale en internationale markten.
o Deze internationale markten worden virtueel:
Tijdloos: want 24 uur op 24, bv. wisselmarkten, beurzen;
8