Management accounting 1
Basisboek bedrijfseconomie
Hoofdstuk 11 kostenstructuur
Constante kosten of vaste kosten: zijn kosten die niet veranderen als de productie toe-
of afneemt.
Variabele kosten: zijn kosten die veranderen als de productie varieert.
Kostenfunctie: K: c+v*q
Break-even-punt: totale opbrengst= totale kosten. Dus de omzet (afzet) waarbij de
totale opbrengst gelijk is aan de totale kosten, waardoor winst noch verlies wordt
gemaakt.
BEP= C/ (p-v)
C= constante kosten
P = verkoopprijs
V= variabele kosten per stuk
Break-even-omzet verander je de verkoopprijs in verkoopprijs*aantal (geld, euro’s)
Veiligheidsmarge= (begrote omzet- break-evenomzet) / begrote omzet x 100
Veiligheidsmarge: het percentage (aantal) waarmee de omzet (afzet) maximaal mag
afnemen opdat nog juist geen verlies wordt geleden.
Hoofdstuk 12
Direct costing:
variabele kosten worden toegerekend aan het product
Vaste kosten gaan rechtstreeks naar de resultatenrekening
Gericht op korte termijn
Voor interne verslaggeving
Absorption consting ook wel full costing genoemd of integrale kostencalculatie
variabele kosten worden toegerekend aan het product
Vaste kosten gaan rechtstreeks naar de resultatenrekening
Gericht op lange termijn
Voor externe verslaggeving
AC methode
Verkoopresultaat afzet x (verkoopprijs – kostprijs)
Bezettingsresultaat W-N x C/N +
Netto bedrijfsresultaat (NBR)
,DC methode
Omzet afzet x verkoopprijs
Bij de afzet behorende var. Kosten afzet x variabele kosten per eenheid -
Dekkingsbijdrage
Totale vaste kosten (van de periode): -
Netto bedrijfsresultaat (NBR)
Kostprijs = C/N + V/W
Als je het verschil moet uitleggen dan zit het in de vaste kosten.
Dus vaste kosten x eenheid product.
Bezettingsresultaat= (W-N)xC/N= bij – is onderbezetting bij + overbezetting
Hoofdstuk 13 indirecte kosten
Primitieve opslagmethode wordt slechts een opslag percentage gehanteerd.
Verfijnde opslagmethode is nauwkeuriger in het leggen van verbanden tussen
indirecte kosten en de opslag basis, door de indirecte kosten eerst te splitsen en
vervolgens opslagen te hanteren.
Hoofdstuk 14 budgettering en verschillenanalyse
Een budget is een planning uitgedrukt in geld.
Kostenbudgetten kunnen worden gesteld:
Vooraf:
Ex-ante budget of voorcalculatorisch budget (standaard kostprijs belangrijk)
Voorlopig budget
Vastgesteld o.b.v. geplande productie
Achteraf:
Ex-post budget of nacalculatorisch budget
Achteraf definitief budget
Vastgesteld o.b.v. werkelijke productie
>>> uitgangspunt verschillenanalyse
Efficiencyverschil: (SH-WH) * SP
Hoe efficiënt ben je omgegaan met materialen.
Prijsverschil: (SP-WP) * WH
Budgetverschil: (SH-PS) – (WH * PW)
Bezettingsverschil: (WH-SH) * Vaste kosten per product
Efficiencyverschil + Prijsverschil + Bezettingsverschil = Budgetverschil
, Vaste kosten
Efficiencyverschil: (SH-WH)*SP
Maar prijsverschil kan NIET zijn (SP-WP)*WH
Maar bij vaste kosten moet er namelijk ook een bezettingsresultaat berekend worden
Stap 1 (W-N)+(C/N)
Syllabus
Afschrijvingsmethoden
Vast percentage van de aanschafwaarde
Afschrijvingen per jaar = (aanschafwaarde- restwaarde)/ levensduur
Vast percentage van de boekwaarde
Volgens deze methode dalen de jaarlijkse afschrijvingen, met een vast percentage van de
boekwaarde.
P= 1-wortel(R/A)^(1-levensduur)
R= restwaarde
A= aanschafprijs
Eerste jaar % van aanschafwaarde, tweede jaar (aanschafwaarde – afschrijving
voorgaande jaar) x percentage
Sum of the years digits
Elk jaar krijgt een nummer. Het nummer van jaar 1=n (totale levensduur), van jaar 2 is
n-1, van jaar 3 is n-2 etc. Hierbij is n de levensduur van het productiemiddel.
Jaarlijkse afschrijving = jaarnummer x ((aanschafprijs – restwaarde) / som van
nummers)
Afschrijvingen dalen jaarlijks met x bedrag
Totaal af te schrijven = boekwaarde- restwaarde
Afschrijving het eerste jaar = x
De vaste daling van de afschrijving per jaar = bedrag
Uitgaande van 4 jaar:
X+X-1*bedrag + x-2*bedrag+x-3*bedrag 4x-totaalbedrag = totaal af te schrijven
4x- (totaal af te schrijven + totaal bedrag)
x= voorgaand bedrag/ 4
x= afschrijving jaar 1
x-bedrag= afschrijving jaar 2
Basisboek bedrijfseconomie
Hoofdstuk 11 kostenstructuur
Constante kosten of vaste kosten: zijn kosten die niet veranderen als de productie toe-
of afneemt.
Variabele kosten: zijn kosten die veranderen als de productie varieert.
Kostenfunctie: K: c+v*q
Break-even-punt: totale opbrengst= totale kosten. Dus de omzet (afzet) waarbij de
totale opbrengst gelijk is aan de totale kosten, waardoor winst noch verlies wordt
gemaakt.
BEP= C/ (p-v)
C= constante kosten
P = verkoopprijs
V= variabele kosten per stuk
Break-even-omzet verander je de verkoopprijs in verkoopprijs*aantal (geld, euro’s)
Veiligheidsmarge= (begrote omzet- break-evenomzet) / begrote omzet x 100
Veiligheidsmarge: het percentage (aantal) waarmee de omzet (afzet) maximaal mag
afnemen opdat nog juist geen verlies wordt geleden.
Hoofdstuk 12
Direct costing:
variabele kosten worden toegerekend aan het product
Vaste kosten gaan rechtstreeks naar de resultatenrekening
Gericht op korte termijn
Voor interne verslaggeving
Absorption consting ook wel full costing genoemd of integrale kostencalculatie
variabele kosten worden toegerekend aan het product
Vaste kosten gaan rechtstreeks naar de resultatenrekening
Gericht op lange termijn
Voor externe verslaggeving
AC methode
Verkoopresultaat afzet x (verkoopprijs – kostprijs)
Bezettingsresultaat W-N x C/N +
Netto bedrijfsresultaat (NBR)
,DC methode
Omzet afzet x verkoopprijs
Bij de afzet behorende var. Kosten afzet x variabele kosten per eenheid -
Dekkingsbijdrage
Totale vaste kosten (van de periode): -
Netto bedrijfsresultaat (NBR)
Kostprijs = C/N + V/W
Als je het verschil moet uitleggen dan zit het in de vaste kosten.
Dus vaste kosten x eenheid product.
Bezettingsresultaat= (W-N)xC/N= bij – is onderbezetting bij + overbezetting
Hoofdstuk 13 indirecte kosten
Primitieve opslagmethode wordt slechts een opslag percentage gehanteerd.
Verfijnde opslagmethode is nauwkeuriger in het leggen van verbanden tussen
indirecte kosten en de opslag basis, door de indirecte kosten eerst te splitsen en
vervolgens opslagen te hanteren.
Hoofdstuk 14 budgettering en verschillenanalyse
Een budget is een planning uitgedrukt in geld.
Kostenbudgetten kunnen worden gesteld:
Vooraf:
Ex-ante budget of voorcalculatorisch budget (standaard kostprijs belangrijk)
Voorlopig budget
Vastgesteld o.b.v. geplande productie
Achteraf:
Ex-post budget of nacalculatorisch budget
Achteraf definitief budget
Vastgesteld o.b.v. werkelijke productie
>>> uitgangspunt verschillenanalyse
Efficiencyverschil: (SH-WH) * SP
Hoe efficiënt ben je omgegaan met materialen.
Prijsverschil: (SP-WP) * WH
Budgetverschil: (SH-PS) – (WH * PW)
Bezettingsverschil: (WH-SH) * Vaste kosten per product
Efficiencyverschil + Prijsverschil + Bezettingsverschil = Budgetverschil
, Vaste kosten
Efficiencyverschil: (SH-WH)*SP
Maar prijsverschil kan NIET zijn (SP-WP)*WH
Maar bij vaste kosten moet er namelijk ook een bezettingsresultaat berekend worden
Stap 1 (W-N)+(C/N)
Syllabus
Afschrijvingsmethoden
Vast percentage van de aanschafwaarde
Afschrijvingen per jaar = (aanschafwaarde- restwaarde)/ levensduur
Vast percentage van de boekwaarde
Volgens deze methode dalen de jaarlijkse afschrijvingen, met een vast percentage van de
boekwaarde.
P= 1-wortel(R/A)^(1-levensduur)
R= restwaarde
A= aanschafprijs
Eerste jaar % van aanschafwaarde, tweede jaar (aanschafwaarde – afschrijving
voorgaande jaar) x percentage
Sum of the years digits
Elk jaar krijgt een nummer. Het nummer van jaar 1=n (totale levensduur), van jaar 2 is
n-1, van jaar 3 is n-2 etc. Hierbij is n de levensduur van het productiemiddel.
Jaarlijkse afschrijving = jaarnummer x ((aanschafprijs – restwaarde) / som van
nummers)
Afschrijvingen dalen jaarlijks met x bedrag
Totaal af te schrijven = boekwaarde- restwaarde
Afschrijving het eerste jaar = x
De vaste daling van de afschrijving per jaar = bedrag
Uitgaande van 4 jaar:
X+X-1*bedrag + x-2*bedrag+x-3*bedrag 4x-totaalbedrag = totaal af te schrijven
4x- (totaal af te schrijven + totaal bedrag)
x= voorgaand bedrag/ 4
x= afschrijving jaar 1
x-bedrag= afschrijving jaar 2