Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 93 pages
Summary

Samenvatting Macro economie II | VUB | 2025/2026

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 93 pages

Samenvatting van Macro economie II aan de Vrije Universiteit Brussel voor het academiejaar 2025/2026. Het document is gebaseerd op de slides gegeven door de docent door het jaar.

Content preview

Samenvatting Macro economie II (2026)

DEEL 1: Basisconcepten in de Macro-Economie

Hoofdstuk 1: Nationaal inkomen
1.1 Aanbod van goederen en diensten
Bbp = totale bestedingen aan de goederen en diensten geproduceerd in een land

Productie vereist twee productiefactoren: arbeid (L) en kapitaal (K)

• Arbeid: fysieke en mentale inspanning van werknemers
• Kapitaal: productiefabrieken, IT-infrastructuur, enz.

Productie vereist twee productiefactoren: arbeid en kapitaal. De productiefunctie:

➔ Y = F(K, L) (L = arbeid en K = kapitaal)

Gangbare eigenschappen van productiefuncties (3):

1. Constante schaalopbrengsten: een verdubbeling van beide inputs verdubbelt de output



2. Positieve marginale producten: een verhoging van een input verhoogt de output



3. Afnemende marginale producten: de toename in productie door het verhogen van arbeid of
kapitaal daalt naarmate de arbeids- of kapitaalvoorraad hoger is




Cobb-Douglas-productiefunctie:




waarbij:

• A = totale factorproductiviteit (technologie)
• α = kapitaalaandeel in het inkomen (typisch ≈ 0,25)
• 1 − α = arbeidsaandeel in het inkomen (typisch ≈ 0,75)
➔ Deze productiefunctie voldoet aan zowel constante schaalopbrengsten als afnemende marginale
producten.

,1.2 Inkomen over de productiefactoren

De waarde van de geproduceerde goederen en diensten, uitgedrukt in het bbp, is gelijk aan het totale
nationaal inkomen. Dit inkomen wordt verdeeld over de eigenaars van de productiefactoren, namelijk
werknemers (arbeid) en kapitaaleigenaars. De verdeling van het nationaal inkomen kan worden
opgesplitst in twee componenten: het arbeidsaandeel en het kapitaalaandeel.

Empirische meting:

• het aandeel van arbeid en kapitaal in het nationaal inkomen is constant over de tijd.
• In ontwikkelde landen lijkt dit sinds de Tweede Wereldoorlog ongeveer te kloppen.
• Sommige economen beweren echter dat technologische ontwikkeling (vb. AI) deze stabiliteit in
de toekomst zal veranderen.

Theoretische modellen:

Wat bepaalt de verdeling van het nationaal inkomen over de productiefactoren?

1. Het weerspiegelt de marginale producten van arbeid en kapitaal in de productiefunctie.
Kapitaalinkomen = MPK × K Arbeidsinkomen = MPL × L

Cobb-Douglas-productiefunctie:
Kapitaalinkomen = αY Arbeidsinkomen = (1 − α)Y


2. Het wordt niet alleen bepaald door productiviteit, maar ook door machtsdynamieken en politieke
krachten.

Er bestaat een afwijking a tussen de opbrengsten voor kapitaal en arbeid en hun respectieve marginale
producten:

Kapitaalinkomen = (MPK × a) × K

Arbeidsinkomen = (MPL × 1/a) × L

- Als a > 1, zal kapitaal hoger worden vergoed dan zijn MPK zou voorspellen. Omgekeerd zal de
vergoeding van arbeid lager zijn dan zijn MPL zou voorspellen.
- Als a < 1, geldt de omgekeerde redenering.

1.3 Vraag naar goederen en productiefactoren
- Geaggregeerd aanbod van goederen en diensten (Y ) moet een corresponderende geaggregeerde
vraag naar goederen en diensten hebben.
- Geaggregeerde vraag wordt opgesplitst in consumptie C, investeringen I, overheidsbestedingen G
en netto-export NX.
- In macro-economisch evenwicht moet gelden:
➔ geaggregeerd aanbod = geaggregeerde vraag

Gesloten economie:

Y=C+I+G
waarbij:

Y = productie (geaggregeerd aanbod) I = investeringen

C = consumptie G = overheidsbestedingen

, Open economie:

Y = C + I + G + NX
• NX > 0: export > import, geaggregeerd binnenlands aanbod > geaggregeerde binnenlandse vraag
• NX < 0: export < import, geaggregeerd binnenlands aanbod < geaggregeerde binnenlandse vraag

1.4 Belangrijkste conclusies
Geaggregeerd aanbod Y wordt gebruikt voor consumptie C, investeringen I, overheidsbestedingen G en
netto-export NX:

Y = C + I + G + NX
Verdeling van het nationaal inkomen over productiefactoren:

• Geaggregeerd aanbod = nationaal inkomen
• Nationaal inkomen wordt toegewezen aan arbeid en kapitaal

, Hoofdstuk 2 : Het Monetaire Systeem
2.1 Wat is geld?
Geld = de voorraad activa die gemakkelijk kan worden gebruikt om financiële transacties te verrichten.

In de moderne tijd heeft de geldhoeveelheid twee componenten:

1. Chartaal geld C: bankbiljetten en munten (wat men fysiek kan vasthouden)
2. Bankdeposito’s D: betaalrekeningen, sommige soorten spaarrekeningen, . . .

Cruciaal: activa zoals woningen, aandelen, kunstcollecties, . . . kunnen niet worden gebruikt om transacties
te verrichten, en worden daarom niet als geld beschouwd!

De geldhoeveelheid wordt in macro-economische data gemeten met drie indicatoren:

• M1 = chartaal geld + cheques + bankdeposito’s + spaardeposito’s
• M2 = M1 + termijndeposito’s + geldmarktfondsen
• M3 = M2 + lange termijn deposito’s
➔ M1 en M2 zijn de meest gebruikte maatstaven

2.2 Geldcreatie – fractioneel reservebankieren
De geldhoeveelheid wordt geleverd door de som van chartaal geld C en bankdeposito’s D:

M=C+D
Belangrijke kenmerken van het moderne monetaire systeem:

• We leven momenteel in een fiat-gebaseerd systeem: de geldhoeveelheid wordt niet gedekt door een
grondstof (zoals goud).
• In een dergelijk systeem is de geldhoeveelheid M het resultaat van interacties tussen centrale banken
(monetair beleid) en commerciële banken.
➔ Endogene geldcreatie

Endogene geldcreatie kan worden geïllustreerd aan de hand van de balansen van drie actoren:

1. Huishoudens (’Households’)
= de uiteindelijke houders van de geldhoeveelheid (M) dit maakt deel uit van hun activa. Zij houden
een fractie van hun geld aan als bankdeposito’s (D), en een fractie als chartaal geld (C).

Chartaal geld-depositoverhouding :




2. Commerciële banken (’Commercial banks’)

= Verstrekken leningen aan huishoudens, de overheid en bedrijven. Door dit te doen, creëren ze
bankdeposito’s (D). Vandaar – leningen (L) creëren deposito’s (D): wanneer een bank een lening (L)
verstrekt, wordt een overeenkomstig bankdeposito (D) gecreëerd.

➔ Endogene geldcreatie

Document information

Study
Uploaded on
May 12, 2026
Number of pages
93
Written in
2025/2026
Type
Summary
$18.98

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Sold
2
Followers
0
Items
1
Last sold
2 months ago


Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions