bij volwassenen en ouderen
Leerpad A: neuropathologie volwassenen en ouderen
Denken van boven naar onder:
Denken
↓
Craniale zenuwen
↓
Motoriek/sensoriek
↓
Reflexen en coördinatie
Lobus frontalis Lobus Lobus pariëtalis Lobus occipitalis
temporalis
Uitvoerend Auditieve info Bijeenbrengen van Ontvangen en
systeem: Geheugen sensorische info verwerken van
redeneren Aandacht en Proprioceptie visuele info
plannen concentratie -Aansturen grove Vormen en kleur
organiseren Taalbegrip: en fijne motoriek waarneming
abstraheren Wernicke: gyrus Bewegingssnelheid
Gedrag temoralis superior en richting
Taalproductie: LINKS Agnosie
Broca: gyrus Apraxie
frontalis inferior!
LINKS
Abstraheren: een abstract maken van een voorwerp, er wordt dus iets afgeleid
van het origineel. Van een herkenbaar beeld een minder herkenbaar beeld
maken.
Gnosis: inzicht/herkenning: astereognosie (het onvermogen om voorwerpen op
tast te herkennen), prosopagnosie (onvermogen om gezichten te herkennen),
asomatognosie (lichaamsschema niet meer herkennen)
1
,Verschil kennen tussen ‘taalstoornis’ (afasie van Broca/ Wernicke) en ‘een
spraakstoornis’ (dysartrie).
Cerebellum (kleine hersenen):
- Posterieure zijde van de hersenen
- Kleiner volume i.v.m. grote hersenen, maar bevatten 70-80% meer
neuronen
- Goed beschermd tegen trauma
- 10% van alle intracraniële bloedingen is cerebellair
- HOMOLATERALE werking: Li controleert li lichaamshelft, re controleert re
lichaamshelft
- Functie: coördinatie, evenwicht en balans, spiertonus, gedragsregulatie,
reflexen, oogmotoriek
Soorten neuronen volgens de richting van impuls:
- Afferente (aanvoerende) = sensorische neuronen
receptor impuls afferent neuron impuls czs
- Efferente (afvoerende) = motorische neuronen
czs impuls efferent neuron impuls effector
- Schakelneuronen : geleiden zenuwimpulsen binnen het czs
NAH: niet-aangeboren hersenletsel:
- = Een verzamelnaam voor alle letsels aan de hersenen die ontstaan zijn
ten vroegste 6 maanden na de geboorte. Een NAH kan aan de basis
liggen van een verscheidenheid van functionele stoornissen.
- Het gebruik van de term NAH houdt geen uitspraak in over de aard en de
ernst van de beperking. Onze hersenen sturen alle lichaamsfuncties aan:
naargelang de locatie en de omvang van het letsel kunnen de stoornissen
en gevolgen zeer verscheiden zijn. De stoornissen kunnen zich bijgevolg
op diverse domeinen aftekenen:
motorische functies
waarneming van zintuiglijke prikkels (auditieve en visuele perceptie)
stem en spraak
cognitieve functies: oriëntatie, geheugen, denken en intellectuele
functies zoals oordeelsvermogen, abstractievermogen, uitvoerende
functies, intelligentie, taal en rekenen
gedrag en emoties
of allerlei combinaties van bovenstaande.
NAH wordt in de literatuur onderverdeeld in twee subgroepen: niet-degeneratief
en degeneratief.
• Een niet-degeneratief NAH kan verschillende oorzaken hebben: externe
fysieke kracht (trauma), langdurig zuurstoftekort, acute infectie, acute
intoxicatie, CVA. Een belangrijke factor bij een niet-degeneratief NAH is de
duidelijke breuk in de levenslijn.
• NAH ten gevolge van degeneratieve aandoeningen (bv. huntington,
parkinson, MS,…) wordt zelden vernoemd als NAH, alhoewel hersenletsels
prominent zijn.
Diagnose NAH:
2
, 1. Observatie
BAG: bewustzijn –adequaat-georiënteerd
2. Klinisch neurologisch onderzoek
- Test van de hogere cerebrale functies (aandacht,
abstractievermogen, gedrag, geheugen, oriëntatie, taal (afasie?), agnosie,
complex handelen (apraxie?= onvermogen om praktisch te handelen (vb:
tanden poetsen met kam)), ziekte-inzicht,…)
- Testen van hersenzenuwen (reuk, oogmotoriek (diplopie=dubbelzicht,
nystagmus?=trillende oogbewegingen), sensibiliteit en motoriek gelaat
(dysartrie?=motorische spraakstoornis die mondbewegingen en articulatie
bemoeilijkt), gehoor, tongbeweging,…)
- Testen van de motoriek (passieve tonus, actieve kracht, zitbalans,
stand (zwaartepunt boven voeten?) looppatroon, spieratrofie?,
onwillekeurige spierbewegingen?)
- Testen van de sensibiliteit (Vitale sens. : nociceptie=pijnzin, grove
tastzin, temperatuurzin,… Gnostische sens.: discriminatie, fijne tastzin,
vibratiezin, proprioceptie=positiezin,…)
- Testen van de coördinatie (koorddansersgang,
diadochokinese=vermogen om tegengestelde bewegingen zoals flexie en
extensie snel na elkaar uit te voeren, vinger-neusproef, hiel-knieproef
(ataxie?=bewegen met verstoorde coordinatie))
- Testen van de reflexen (BPR-TPR-KPR-APR-VZR)
- Testen bij een patiënt in coma (Glasgow coma scale)
BPR= Bicepspeesreflex
TPR = Tricepspeesreflex
KPR = kniepeesreflex
APR = achillespessreflex
VZR = voetzoolreflex
3. Beeldvorming
- CT schedel
- MRI schedel
- EEG (elektro- encefalogram): hersenfilmpje
- Doppler ultrasound (echo)
- Angiography: röntgenonderzoek waarbij we uw bloedvaten zichtbaar
maken
12 craniale zenuwen:
Naam Functie
I N. olfactorius Reuk
II N. opticus Visus, pupilreacties
III N. oculomotorius Oogmotoriek
IV N. trochlearis Oogmotoriek
V N. trigeminus Sensibiliteit gelaat,
3
, innervatie kauwspieren
VI N. abducens Oogmotoriek
VII N. facialis Innervatie
aangezichtsmusculatuur,
mimiek
VIII N. Evenwicht, gehoor
vestibulocochlearis
IX N. glossofaryngeus Innervatie speekselklieren
en spieren farynx en
larynx
X N. vagus Innervatie speekselklieren
en spieren farynx en
larynx + tractus
digestivus + stembanden
XI N. accessorius Innervatie m. SCM en m.
trapezius
XII N. hypoglossus Innervatie tongspieren
Oorsprong craniale zenuwen:
- Telencephalon (eindhersenen): cerebrale hemisferen en basale ganglia,
amygdala, hippocampus, zijventrikels
- Diencephalon (tussenhersenen): epithalamus, thalamus, hypothalamus,
hypofyse en derde ventrikel
- Mesencephalon (middenhersenen): pedunculi cerebri
- Metencephalon (brug): pons + cerebellum + vierde ventrikel
- Myelencephalon (het verlengde merg): medulla oblongata
- Metencephalon: pons + cerebellum
Glasgow coma scale (GCS)
De GCS: beoordelen van het bewustzijnsniveau bij patiënten na een hoofdletsel.
Wordt ook gebruikt om patiënten op IZ (intensieve zorg) te monitoren.
Max score = 15
< 8 of 8 = coma
Voorbeelden neurologische testing:
- Teken van Babinski (aan onderkant van de voet
komen)
- Proef van Barré en Mingazzini (30 seconden benen in
de lucht, ogen moeten dicht blijven om visuele
sturing te voorkomen)
- Teken van Brudzinski en Kernig: niet weten wat het
betekent
Traject van de neurologische patient:
1. Spoed: stabilisatie en diagnose
4