DE BELGISCHE STAAT
- Focus op de jaren 1960
• De periode wordt vooral gekenmerkt door een toenemende communautaire
strijd tussen Vlamingen en Franstaligen.
- Grondwetsherziening van 1970
• In 1970 komt er een belangrijke grondwetsherziening.
• Deze hervorming luidt het einde in van het klassieke unitaire België, maar is
nog niet bedoeld als invoering van een volledig federaal systeem.
• Ze dient vooral om bestaande eisen gedeeltelijk te concretiseren en
spanningen te beheersen.
- Vraag naar culturele autonomie
• De Vlamingen vragen in deze periode vooral culturele autonomie.
• Dit betekent dat men binnen één unitaire nationale staat ruimte wil voor twee
afzonderlijke cultuurbeleidslijnen:
o één voor Vlaanderen
o één voor Wallonië
- Invulling binnen een unitair België
• Het idee blijft dat België één unitaire staat is.
• Binnen dat systeem wil men wel aparte structuren voor cultuurbeleid.
• Bijvoorbeeld: een aparte minister voor Vlaamse cultuur en een aparte
minister voor Waalse cultuur.
- Geen volledig federalisme
• Belangrijk is dat dit nog geen federalisme is.
• Men wil wel meer autonomie, maar het Belgische staatsmodel blijft in deze
fase officieel nog unitair.
1
,EINDE VAN DE UNITAIRE STAAT
- Trage evolutie van de grondwetsherziening
• De herziening van de grondwet verloopt zeer traag.
• Structurele staatsverandering vraagt tijd en brede politieke consensus.
- Situatie in 1961
• In 1961 komt er een nieuwe regering tot stand, een grote coalitie tussen CVP
en socialisten.
• Deze regering is van mening dat een grondwetswijziging niet noodzakelijk is op
dat moment.
- Alternatieve aanpak
• In plaats van de grondwet te herzien, wil de regering de problemen oplossen
via een nieuwe reeks taalwetten.
• Hiermee probeert men de communautaire spanningen te beheersen binnen
het bestaande unitaire kader van België.
2
,- Keerpunt 1960: antwoord van de politiek
• In reactie op de communautaire spanningen komt er een politiek antwoord.
• De regering Lefèvre-Spaak (CVP en BSP, 1961–1965) kondigt een “duurzame
regeling van de betrekkingen tussen Vlamingen en Walen” aan.
- Uitbouw van taalwetten
• Er wordt een geheel van belangrijke taalwetten uitgewerkt:
o 1962: vastlegging van de taalgrens
o 1963: taalwet onderwijs
o 1963: taalwet bestuurszaken, met regeling van het statuut van Brussel
en de randgemeenten
▪ Dit gebeurt tijdens het conclaaf van Hertoginnedal
- Territoriale herindelingen
• Bepaalde gebieden worden administratief verschoven:
o Voeren wordt overgeheveld naar Limburg
o Komen-Waasten wordt overgeheveld naar Henegouwen
• In taalgrensgemeenten en zes Brusselse randgemeenten worden
taalfaciliteiten ingevoerd
- Politieke en symbolische context
• De taalwetten worden vaak voorgesteld als sterk in het voordeel van de
Vlamingen.
• Er wordt een definitieve taalgrens vastgelegd.
• Dit betekent ook een duidelijke indamming van de uitbreiding van Brussel.
- Reacties en spanningen
• De Franstaligen (vooral in Wallonië en Brussel) reageren zeer negatief en boos
op de taalwetten van 1962–1963.
• Vooral de Franstalige Brusselaars voelen zich beperkt:
o Brussel is niet langer een duidelijk tweetalig hoofdgebied
o Dit wordt gezien als een beperking van hun positie en rechten
- Lokale autonomie en controle
• De hervormingen worden ervaren als een inbreuk op de lokale autonomie.
3
, • In Brussel leidt dit tot meer controle:
o Gemeenten moeten taalregels toepassen
o Er worden zelfs taalexamens ingevoerd
• In de praktijk wordt vaak het gevoel gedeeld dat men “alles gaat controleren”
en dat het vertrouwen in het systeem laag is.
- Reactie in Vlaanderen
• Ook in Vlaanderen is er protest tegen bepaalde elementen van de taalwetten.
• Vooral de faciliteiten rond Brussel veroorzaken onvrede.
• In zes randgemeenten worden namelijk Franstalige faciliteiten ingevoerd, wat
door velen als een toegeving aan de Franstaligen wordt gezien.
- Verkiezingen 1965
• De verkiezingen worden gekenmerkt door de opkomst van nieuwe partijen
naast de traditionele drie (CVP, BSP en liberalen).
• Er ontstaan duidelijke communautaire spanningen in het politieke landschap.
- Doorbraak van nieuwe partijen
• Volksunie (Vlaams-nationalistisch): behaalt ongeveer 6,7% en breekt door als
taalpartij.
• FDF (Front Démocratique des Francophones): ongeveer 1,3%
o Komt op tegen de taalwetten.
o Eist een uitbreiding van Brussel en meer gemeentelijke autonomie.
4