Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Summary

Samenvatting Demografische ontwikkelingen en maatschappelijke veranderingen [V5F268]

Rating
5.0
(1)
Sold
3
Pages
38
Uploaded on
06-05-2026
Written in
2025/2026

Samenvatting Demografische ontwikkelingen en maatschappelijke veranderingen [V5F268] Docent: Mieke Verhaeghe Notities uit de les, de powerpoints en de cursus gebruikt om deze samenvatting te maken.

Institution
Course

Content preview

Deel 1: verschillende vormen van ongelijkheid
Hoofdstuk 1: sociale stratificatie
1.1.Wat is sociale stratificatie?

Afbeelding rots
Je ziet gelaagdheid in de rots, vind je ook terug in de samenleving
Je ziet lijnen in rots: kloven in onze SL waar je niet makkelijk over kan. Ontstaan doorheen de jaren en gaat niet
makkelijk weg, ze zijn rotsvast verankerd in de SL.

Niet iedereen heeft dezelfde toegang tot kansen op welvaart en welzijn. Hangt vast met bepaalde keuzes die
worden gemaakt, maar ook met kansen die men krijgt. Die zijn niet voor iedereen gelijk: we leven in een
gelaagde SL.

Onze SL wordt gekenmerkt door sociale stratificatie.
• Stratificatie: gelaagdheid
• Geïnstitutionaliseerde sociale ongelijkheid: sterk verankerd in een SL

Sociale ongelijkheid duidt op het idee van een hiërarchische opbouw van een SL. Men spreekt ook van een
maatschappelijke/sociale ladder.
• Sociaal- economische positie (SEP): de eigenlijke plaats op de ladder
• Sociaal-economische status (SES): de waardering

Sociale ongelijkheid hangt samen met macht: men is in staat om het gedrag van een ander te beïnvloeden in
functie van het eigen belang, en zelfs tegen het belang van de ander in. Een hogere positie op de ladder
impliceert dat men meer macht kan uitoefenen. Het is een middel om de plaats in de hiërarchie te kunnen
behouden/ hoger te kunnen opklimmen.

SEP verwijst naar ongelijke toegang tot middelen die de levenskwaliteit bepalen.
Basisbehoeften zoals voedsel en huisvesting, maar ook over gezondheid, vrije tijd, sociale relaties, opleiding,
rechten en inspraak.
Deze factoren samen bepalen iemands welvaart en welzijn, ook wel ‘levenskansen’ genoemd. Niet iedereen
heeft gelijke kansen op dezelfde levenskwaliteit. Hoewel mensen individuele keuzes kunnen maken, heeft niet
iedereen dezelfde mogelijkheden om gezonde of gunstige keuzes te realiseren door beperkingen in middelen of
kennis.

Wie geen of slechts een heel beperkte toegang heeft tot de belangrijke middelen in een samenleving, bevindt
zich in een situatie van armoede: een gebrek aan financiele middelen om een kwaliteitsvol leven te kunnen
leiden. Op hoe meer dimensies men laag scoort, hoe kwetsbaarder.

Klassieke definitie van armoede: “… Deze kloof kunnen ze niet op eigen kracht overbruggen.” De reactie op deze
zin was negatief vanuit de armoedecultuur. Het zou willen zeggen dat mensen die in armoede leven niet
zelfredzaam zijn, altijd iemand nodig hebben.

De kloof tussen wie wel en niet arm is. Vranken spreekt van een breuklijn en ziet het verschil tussen ‘sociale
ongelijkheid’ en ‘sociale uitsluiting’.

Sociale differentiatie: verschillende actoren nemen verschillende gespecialiseerde taken op en voeren
verschillende rollen uit, maar dit gaat niet gepaard met sterke of sterk uitgesproken waardeverschillen en
verschillen in toegang to middelen.

Sociale ongelijkheid: de ongelijke toegang tot belangrijke middelen in een samenleving naargelang de positie
die men inneemt op de maatschappelijke ladder, en de statusverschillen die samenhangen met deze positie

Sociale stratificatie: geïnstitutionaliseerde sociale ongelijkheid. Deze ongelijkheid heeft een min of meer
stabiel karakter, beseft wordt door de leden van een SL en dat er impliciete of expliciete regels voor de verdeling
aanwezig zijn. Reproductiemiddelen: factoren die ertoe bijdragen dat de sociale ongelijkheid blijft bestaan, ook
over generaties heen.

,Mogelijkheid tot verandering inzake sociale positie: sociale mobiliteit: opwaartse mobiliteit: stijging qua SES,
neerwaartse mobiliteit naar een daling. Kan intergenerationeel (over de generaties heen) of intragenerationeel
(binnen de generatie) zijn. Positionele mobiliteit telt voor verandering in posities.

1.2. De basiscomponenten
1.2.1. Financiele middelen (economische dimensie)
Het inkomen dat men verwerft (tewerkstelling of inkomensvervangende en inkomensaanvullende stelsels) en
het vermogen waarover men beschikt, bijvoorbeeld familiekapitaal na een erfenis.

• Armoederisicodrempel: een bedrag dat berekend wordt als 60% van het mediane inkomen. Wie over
minder financiele middelen dan dit bedrag beschikt, wordt beschouwd als iemand met een
armoederisico.
• Referentiebudgetten: men bepaalt in eerste instantie aan welke behoeften minimaal voldaan moeten
worden om een (basis) kwaliteitsvol (menswaardig) leven te kunnen leiden.
• Gini-coëfficiënt: berekent hoeveel procent van de bevolking toegang heeft tot hoeveel procent van de
financiele middelen
• Inkomenskwintielverdeling: deze indicator geeft aan hoeveel keer groter de financiele middelen van de
20% rijksten in verhouding tot de 20% armsten in een samenleving zijn.

Sociale stratificatie hangt samen met de aard van een samenleving.

1.2.2. Beroepsstatus en tewerkstelling (sociale dimensie)
Beroepen verwijzen naar functies die actoren uitvoeren, rollen die ze bekleden, taken die hiermee
samenhangen. Alle samenlevingen kennen een taakverdeling. Deze verdeling impliceert echter niet altijd dat er
sociale ongelijkheid mee gepaard gaat.

Hiërarchie van beroepen die zich onderdaan de maatschappelijke ladder bevinden tot beroepen die zich
bovenaan situeren. Deze hiërarchie hangt sterk samen met de twee andere dimensies van SES, met name
opleiding en inkomen. Er bestaan talrijke beroepsclassificatieschema’s zoals het EGP-schema.

Functionalistische visie: waarom het volgens hen logisch is dat hogere beroepen een betere verdienste
hebben. De conflictsociologische visie focust dan weer op de tegengestelde belangen van twee groepen die
een andere relatie tot de productiemiddelen hebben.

Tewerkstelling is ook een belangrijk element van de SES. Wie op beroepsactieve leeftijd langdurig afwezig is op
de arbeidsmarkt omwille van onder meer werkloosheid, ziekte of invaliditeit, dienen we op de ‘laagste’ trede te
situeren inzake deze component. Men bevindt zich niet alleen laag qua positie en de ermee samenhangende
toegang tot belangrijke middelen, maar ook qua status: op (langdurig) zieken en werklozen wordt veelal
neergekeken.

1.2.3. Opleidingsniveau (culturele dimensies)
We leven in een kennismaatschappij waar steeds meer nood is aan hooggeschoolden. Dit impliceert dat
laaggeschoolden steeds minder kansen krijgen. De technologisering brengt met zich mee dat minder
complexe, routinematige jobs vervangen worden door technologische middelen. De ontwikkeling van
deze middelen vergt dan weer hoogopgeleide profielen. Daarnaast brengt de globalisering van de
economie met zich mee dat laaggeschoolde arbeid naar zogenaamde lageloonlanden verhuist.

Duale arbeidsmarkt: een breuklijn tussen vrij hoogopgeleide tewerkgestelden en laagopgeleide werklozen.
Bijna de helft van de laagopgeleiden is werkloos, en ook omgekeerd: ongeveer de helft van de werklozen is
Laag opgeleid.

De nieuwe sociale kwestie: in onze huidige kenniseconomie, gekenmerkt door een sterke focus op
wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen, vooral voor hooggeschoolden een plaats weggelegd is.
Een behoorlijk deel van de bevolking, waaronder laaggeschoolden, krijgt vrijwel geen kansen op de
arbeidsmarkt.

,Meritocratie: houdt in dat iemands sociaal-economische positie door zijn/haar eigen verdiensten bepaald
wordt niet zozeer door zijn afkomst. Anders geformuleerd: iemands SES wordt eerder bepaald via verwerving
(‘achievement’) dan via toeschrijving of vererving (‘ascription’).

1.3. Geïnstitutionaliseerde sociale ongelijkheid
Het begrip ‘geïnstitutionaliseerd’ verwijst naar het sociologische concept ‘instituties’. Dit begrip houdt in dat
zowel structuur als cultuur een leidraad vormen voor het menselijk handelen. Wat sociale ongelijkheid betreft,
komt het erop neer dat naast de ongelijke toegang tot middelen op basis van de positie die men bekleedt én de
erbij horende status, ook culturele elementen aanwezig zijn die deze structurele component versterken.

1.3.1. Sociale lagen vormen groepen
Onze samenleving wordt gekenmerkt door sociale ‘lagen’. Deze lagen vormen bovendien niet enkel sociale
categorieën, maar zullen ook vaak kenmerken van groepen vertonen.

Het begrip ‘sociale categorie’ verwijst naar een collectiviteit waarbij de samenstellende eenheden gelijkaardige
kenmerken vertonen, maar zich niet noodzakelijk bewust zijn van dit gemeenschappelijk kenmerk en geen
gemeenschappelijk interactiepatroon hebben dat zich structureert omheen die kenmerken

Sociale categorieën kunnen echter groepen worden. Typisch aan groepen is de bewustwording van
gemeenschappelijke belangen en het ontstaan van gemeenschappelijke interactiepatronen rond het gedeelde
kenmerk. Uiteindelijk ontstaan groepsregels en een groepsidentiteit.

Slavernij, standen en kasten
Slavernij is ontstaan in de landbouwsamenleving. Slaven staan onderaan de hiërarchie, waarbij het (al dan niet)
beschikken over persoonlijke vrijheid en rechten een belangrijke component vormt. Ze bevinden zich in een
uitbuitingsrelatie waarbij het surplus volledig toekomt aan hun eigenaar.

Standen waren typisch voor onze West-Europese middeleeuwse samenleving. Aan de basis van deze hiërarchie
stond grondbezit en maatschappelijke functies (beroepen). De tweede stand werd gevormd door de edelen en
bovenaan de geestelijken. Religie fungeerde als legitimatie van de structuur van de samenleving. Zolang de
indeling in de drie standen als ‘goddelijke ordening’ aanvaard wordt, wordt ze als vanzelfsprekend aangenomen
en niet (openlijk) in vraag gesteld.

Kasten waren/ zijn typisch voor de Hindoesamenleving in India. De beroepen vormen de basis, met brahmanen
(priesters) helemaal boven in de hiërarchie, gevolgd door krijgslieden en koningen, daarna handelaars en
landeigenaars en tot slot burgers, landbouwers en huisbedienden.

Sociale klassen
Zowel Marx als Weber benadrukken de economische sfeer waarin klassen gesitueerd moeten worden. Waar
Marx zich echter beperkt tot één dimensie (waarbij de economische onderbouw gelegitimeerd wordt door de
bovenbouw), onderscheidt Weber echter drie verschillende dimensies (economisch, sociaal en politiek),
waarbij personen een verschillendepositie kunnen innemen op verschillende aspecten.

De analyse van Marx
Bij Marx vormt de relatie tot de productiemiddelen de basis van de klassenindeling. Hij onderscheidt drie
klassen in de industriële samenleving: de grondbezitters, de kapitaalbezitters (burgerij) en de bezitloze
arbeiders (proletariaat). In de kapitalistische industriële samenleving staat het klassenconflict tussen burgerij
en proletariaat centraal. Zij bevinden zich met name in een uitbuitingsrelatie.

Arbeiders en burgerij bevinden zich daarenboven in een sterk antagonistische relatie: ze hebben tegengestelde
belangen. De arbeider wil een zo hoog mogelijk inkomen, de burgerij een zo hoog mogelijke winst. Beide
elementen staan echter tegenover elkaar: hoe meer inkomen de burgerij geeft aan de arbeider, hoe minder
winst men overhoudt.

Naast de eendimensionale benadering van sociale klasse, en het feit dat Marx ervan uitgaat dat de belangen
tussen burgers en proletariaat diametraal tegenover elkaar staan, kenmerkt zijn visie zich ook door het cruciale

, belang dat hij hecht aan bezit. Het feit dat arbeiders bezitloos zijn en enkel hun eigen arbeid kunnen ‘verhuren’,
vormt de basis van hun precaire positie in een kapitalistische samenleving.

Bestaan sociale klassen nog?
Ten eerste is het perspectief vanuit onze huidige situatie in de postindustriële samenleving heel eenzijdig. De
technologisering heeft zich verdergezet én de economie is des te meer een wereldeconomie geworden. Deze
technologisering en globalisering hebben echter belangrijke implicaties voor onze productie én consumptie.
Ongeschoolde arbeid werd vervangen door machines… en door ongeschoolde arbeidskrachten in het Zuiden.
De vraag die zich opdringt, is waar het door die ongeschoolde arbeidskrachten gecreëerde surplus naartoe
gaat.

Ten tweede wordt onze huidige welvaartsstaat steeds gekenmerkt door behoorlijk wat armoede en sociale
ongelijkheid. Hoewel we niet meer kunnen spreken van klassen in de vorm zoals door Marx beschreven, blijkt
sociale klasse een nog altijd een belangrijke invloed te hebben. De sociale achtergrond blijft heel bepalend
voor het risico op armoede, werkloosheid, ziekte, de levenswijze en levensstandaard in moderne
welvaartsstaten. De scholing én beroep van de ouders blijven van doorslaggevend belang voor de sociale
risico’s van hun kinderen.

Het belang van culturele aspecten
Cultureel kapitaal: het geheel van gedeelde kennis, vaardigheden en opleiding. Dit cultureel kapitaal wordt
ingezet als machtsmiddel om een positie te (proberen) verwerven of behouden.

Mensen spiegelen hun levensstijl ook sterk aan wie tot hun ‘eigen’ groep behoort. Hiermee gaat veel aandacht
naar het statusaspect van de SES. Cultureel kapitaal vormt niet enkel een machtsmiddel tot het verwerven of
behouden van een positie bij volwassenen, maar evenzeer bij de socialisatie.

Belang van religie: Bij de standen bijvoorbeeld droeg het geloof ertoe bij dat de hiërarchie niet in vraag gesteld
werd aangezien deze hiërarchie beschouwd werd als de weerspiegeling van de goddelijke ordening op aarde.
Vanuit een functionalistische visie wordt religie beschouwd als één van de mechanismen die maatschappelijke
orde in stand houdt omdat het sociale stratificatie aanvaardbaar maakt. Bij Marx zien we een gelijkaardige
redenering: religie ziet hij als onderdeel van de bovenbouw. Het vormt een legitimatiemechanisme waardoor de
hiërarchie op basis van de economische onderbouw niet in vraag gesteld wordt.

1.3.2. Reproductie via familiesystemen
Gezinnen functioneren vaak als economische eenheid: binnen een gezin is er een zekere verdeling van wat de
arbeid van gezinsleden opbrengt. Hoewel dit niet noodzakelijk tot een gelijke verdeling komt, wordt doorgaans
uitgegaan van een zekere solidariteit tussen gezinsleden.

Zeker sinds het ontstaan van de sedentaire landbouwsamenleving zijn familiesystemen maatschappelijk
belangrijker geworden. Met het ‘ontstaan’ van grondbezit en de ermee gepaard gaande afscherming van de
toegang tot grondstoffen en surplus, is de nadruk meer op intrafamiliale verdeling komen te liggen. Dit is in
tegenstelling tot de jagers-verzamelaarssamenleving met de focus op ruimere intrafamiliaal
solidariteitsbanden binnen de groep.

Gezinnen fungeren daarnaast ook als primaire socialisator. Binnen gezinnen groeien kinderen op en leren ze de
gewoonten, kennis, waarden en normen, ideeën en visies, … aan van de samenleving waar ze deel van uit
maken. Hierdoor leren kinderen de nodige vaardigheden om in de samenleving te functioneren, rollen te
vervullen en posities in te nemen. Gezinnen staan met andere woorden in voor de cultuuroverdracht van
generatie op generatie, maar ook voor het leren functioneren binnen een bepaalde structuur.

Huwelijken en partnerkeuze
Er bestaan verschillende regelingen naargelang de partnerkeuze. Bij exogame huwelijken is het de norm een
partner te kiezen die geen deel uitmaakt van de eigen groep, bij endogame huwelijken hoort men een partner te
kiezen die net wel deel uitmaakt van de eigen groep. In een vrij gesloten samenleving waarbij de lagen (zo goed
als) ondoordringbaar zijn, dragen endogame huwelijken bij tot de instandhouding van de hiërarchie. Bij het
kastensysteem hoort bijvoorbeeld een endogaam huwelijkssysteem wat de eigenlijke kasten betreft.

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Uploaded on
May 6, 2026
Number of pages
38
Written in
2025/2026
Type
SUMMARY

Subjects

$8.79
Get access to the full document:

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Reviews from verified buyers

Showing all reviews
1 month ago

5.0

1 reviews

5
1
4
0
3
0
2
0
1
0
Trustworthy reviews on Stuvia

All reviews are made by real Stuvia users after verified purchases.

Get to know the seller

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
BL07 Katholieke Hogeschool VIVES
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
18
Member since
6 months
Number of followers
0
Documents
9
Last sold
6 days ago

4.7

3 reviews

5
2
4
1
3
0
2
0
1
0

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions