1. Morfologie van de uier
= Algemeen
Lactatie = productie en uitscheiding van melk door
melkklieren om het jong te voeden.
De uier (melkklier) is een gespecialiseerd orgaan
beïnvloed door anatomische, fysiologische en
hormonale factoren.
Basisstructuur is vergelijkbaar bij zoogdieren, maar
er zijn verschillen tussen diersoorten (o.a. aantal
spenen, aantal melkklieren, vorm en kanaalstelsel).
= Morphologie van de uier
Verschillen tussen diersoorten in:
o Conformatie (vorm)
o Aantal melkklieren
Indeling van de morfologie:
1. Ophangstructuren
2. Algemene opbouw
3. Macroscopische structuur
4. Microscopische structuur
= Ophangstructuren (ondersteuning van de uier)
Zorgen dat de uier op zijn plaats blijft en het gewicht van melk
en klierweefsel kan dragen.
1. De huid
Kenmerken:
o Dun, zacht, soepel, fijn behaard
Functie:
o Bescherming van onderliggende structuren
o Onvoldoende als enige ondersteuning
, 2. Laterale ophangbanden
Liggen aan de zijkanten van de uier.
Ontstaan o.a. vanuit structuren van het bekken (ischium en
pubis).
Functie:
o Laterale (zijdelingse) ondersteuning
o Verdelen van het gewicht van de uier
3. Mediane ophangband
Vertrekt vanuit de linea alba.
Zorgt voor centrale ondersteuning van de uier.
Klinisch belangrijk (bij runderen):
o Bepaalt hoe goed de uier
tussen de achterbenen
wordt gedragen.
2. Opbouw van de uier