COACHINGVAARDIGHEDEN 1
1. GESPREKSVAARDIGHEDEN
1.1 EXPLOREREN
1.1.1 ACTIEF LUISTEREN
Communiceren is meer dan praten; het begint bij luisteren. Goed luisteren betekent dat
je je volledig op de spreker richt en hem aanmoedigt om verder te vertellen. Dat vraagt
een actieve houding: zowel verbaal als non-verbaal laat je zien dat je geïnteresseerd
bent.
Daarnaast probeer je je waarnemingen zo weinig mogelijk te laten beïnvloeden door
veronderstellingen of interpretaties. De spreker de ruimte geven om uit te praten is
essentieel; onderbreken hoort niet bij een goede luisterhouding.
Goed luisteren is belangrijk omdat je:
• toont dat je de spreker begrijpt of wil begrijpen
• de spreker stimuleert om zijn verhaal vanuit zijn eigen perspectief te delen
• zorgt voor meer duidelijkheid, zowel voor jezelf als voor de ander
• voorkomt dat je te snel conclusies trekt of onnodig advies geeft
• de spreker de kans geeft zijn verhaal te doen, wat op zich al opluchting kan
brengen
Om goed te kunnen luisteren, moeten enkele basisvoorwaarden vervuld zijn:
• je openstellen voor de ander en tijd maken voor het gesprek
• respect tonen
• gedrag tolereren waar je het niet mee eens bent
Als aan deze voorwaarden voldaan is, kun je je actieve luisterhouding tonen via
technieken zoals aandachtgevend gedrag, reflecteren en parafraseren.
1
,Aandachtgevend gedrag
a. Non-verbaal
• Oogcontact: regelmatig kijken toont aandacht, maar overdrijf niet (kan
bedreigend zijn). Zit liever niet recht tegenover elkaar zodat de coachee ook even
kan wegkijken.
• Lichaamshouding: open en ontspannen, licht voorovergebogen, niet wiebelen of
prutsen. Houd ook gepaste afstand.
• Gebaren: knikken of ondersteunende handgebaren tonen betrokkenheid, maar
mogen niet overheersen.
b. Verbaal
• Kleine aanmoedigingen: korte reacties (“ja”, “hmm”, “en toen”) houden het
gesprek gaande. Gebruik ze neutraal, op het juiste moment en aangepast aan het
tempo van de coachee.
• Stiltes laten: geeft ruimte om na te denken en kan extra informatie uitlokken. Te
lange of ongemakkelijke stiltes kunnen het gesprek verstoren.
Reflecteren van gevoelens
Reflecteren is het in eigen woorden teruggeven van gevoelens en beleving van de
coachee. Je gaat verder dan herhalen en probeert de onderliggende betekenis te
benoemen. Dit toont dat je de ander wil begrijpen en kan nieuwe inzichten geven. Een
reflectie is nooit juist of fout: als ze niet klopt, corrigeert de coachee je.
• Formuleer als statement, niet als vraag (stimuleert verder vertellen en
onderbreekt minder).
• Houd het kort en eenvoudig; vermijd inleidende zinnen (“ik hoor je zeggen
dat…”).
Soorten reflecties:
• Gevoelsreflectie: benoemt een (nog niet uitgesproken) gevoel.
• Versterkende reflectie: vergroot de uitspraak → coachee nuanceert.
• Verkleinende reflectie: zwakt af → coachee verdiept de emotie.
• Dubbelzijdige reflectie: benoemt twee kanten (ambivalentie), verbonden met
“en”.
2
,3) Parafraseren van inhoud
Parafraseren is het in eigen woorden herhalen van de inhoud van wat de coachee zegt,
zonder extra interpretatie. Het is meer dan letterlijk herhalen: je verwoordt de kern
opnieuw.
• toont dat je luistert en begrijpt
• helpt om te verduidelijken of bij te sturen
• moedigt de coachee aan om verder te vertellen
1.1.2 SAMENVATTEN
= een korte, duidelijke weergave van (een deel van) een gesprek
Je brengt de informatie zo accuraat en samenhangend mogelijk samen. Door samen te
vatten, stimuleer je de coachee om zijn mening te verwoorden en verder te nuanceren.
Een samenvatting kan zowel de inhoud (parafrase) als de gevoelens (reflectie) bevatten.
Ze helpt jou om de rode draad te bewaren en te controleren of je de coachee goed
begrijpt. Tegelijk toon je dat je actief luistert en creëer je een rustmoment in het gesprek.
Dit is vooral nuttig bij coachees die veel praten: het brengt structuur en maakt het
makkelijker om eventueel van onderwerp te veranderen. Daarnaast kan je via een
samenvatting ook je interpretaties checken.
Ook voor de coachee is dit waardevol: jouw samenvatting helpt om het verhaal te
ordenen, meer inzicht te krijgen en aanknopingspunten te vinden voor de kern van het
probleem. Een goede samenvatting eindigt of start met een checkvraag, zodat de
coachee kan corrigeren of aanvullen.
Tips:
• gebruik eigen woorden
• spreek in de ik- en jij-vorm
• vermijd oordelen (bv. “klopt het dat…?”, “begrijp ik het goed dat…?”)
Soorten samenvattingen:
• Verzamelend: bundelt informatie en houdt het gesprek gaande
• Verbindend: legt verbanden tussen huidige en eerdere uitspraken
• Overgankelijk: stuurt het gesprek of verandert van richting
3
, 1.1.3 VRAGEN STELLEN
Er bestaan verschillende soorten vragen. De ene is geschikter in bepaalde situaties en
leidt sneller tot diepgang dan de andere.
• Open vragen: geven weinig sturing, waardoor de ander vrij kan antwoorden,
zowel in inhoud als in lengte. Ze nodigen uit om een eigen mening of gevoelens te
verwoorden.
• Gesloten vragen: beperken de antwoordmogelijkheden. Ze leveren korte
antwoorden op en stimuleren minder gesprek of diepgang. Soms zijn ze ook
suggestief.
• E-in-vragen (exploratief binnen referentiekader):
Sluiten aan bij wat de coachee net heeft gezegd en blijven binnen zijn
referentiekader. Ze verdiepen en verduidelijken de informatie, terwijl de coachee
de richting van het gesprek bepaalt.
• E-ex-vragen (buiten referentiekader):
Brengen nieuwe aspecten in het gesprek en gaan breder dan wat de coachee zelf
aanbrengt. De coach stuurt hiermee mee in de inhoud.
• Dubbele vragen:
Bestaan uit twee vragen tegelijk. Dit kan verwarring geven en leidt er vaak toe dat
slechts één vraag wordt beantwoord. Ze worden best vermeden, ook al zijn ze
meestal goed bedoeld.
• Waaromvragen:
Zoeken naar de oorzaak, maar kunnen moeilijk te beantwoorden zijn en een
defensieve reactie of schuldgevoel oproepen. Ze laten de coachee zich soms
verantwoorden.
VOORBEELDEN HOE JE VAN EEN GESLOTEN VRAAG EEN OPEN VRAAG KAN MAKEN:
4
1. GESPREKSVAARDIGHEDEN
1.1 EXPLOREREN
1.1.1 ACTIEF LUISTEREN
Communiceren is meer dan praten; het begint bij luisteren. Goed luisteren betekent dat
je je volledig op de spreker richt en hem aanmoedigt om verder te vertellen. Dat vraagt
een actieve houding: zowel verbaal als non-verbaal laat je zien dat je geïnteresseerd
bent.
Daarnaast probeer je je waarnemingen zo weinig mogelijk te laten beïnvloeden door
veronderstellingen of interpretaties. De spreker de ruimte geven om uit te praten is
essentieel; onderbreken hoort niet bij een goede luisterhouding.
Goed luisteren is belangrijk omdat je:
• toont dat je de spreker begrijpt of wil begrijpen
• de spreker stimuleert om zijn verhaal vanuit zijn eigen perspectief te delen
• zorgt voor meer duidelijkheid, zowel voor jezelf als voor de ander
• voorkomt dat je te snel conclusies trekt of onnodig advies geeft
• de spreker de kans geeft zijn verhaal te doen, wat op zich al opluchting kan
brengen
Om goed te kunnen luisteren, moeten enkele basisvoorwaarden vervuld zijn:
• je openstellen voor de ander en tijd maken voor het gesprek
• respect tonen
• gedrag tolereren waar je het niet mee eens bent
Als aan deze voorwaarden voldaan is, kun je je actieve luisterhouding tonen via
technieken zoals aandachtgevend gedrag, reflecteren en parafraseren.
1
,Aandachtgevend gedrag
a. Non-verbaal
• Oogcontact: regelmatig kijken toont aandacht, maar overdrijf niet (kan
bedreigend zijn). Zit liever niet recht tegenover elkaar zodat de coachee ook even
kan wegkijken.
• Lichaamshouding: open en ontspannen, licht voorovergebogen, niet wiebelen of
prutsen. Houd ook gepaste afstand.
• Gebaren: knikken of ondersteunende handgebaren tonen betrokkenheid, maar
mogen niet overheersen.
b. Verbaal
• Kleine aanmoedigingen: korte reacties (“ja”, “hmm”, “en toen”) houden het
gesprek gaande. Gebruik ze neutraal, op het juiste moment en aangepast aan het
tempo van de coachee.
• Stiltes laten: geeft ruimte om na te denken en kan extra informatie uitlokken. Te
lange of ongemakkelijke stiltes kunnen het gesprek verstoren.
Reflecteren van gevoelens
Reflecteren is het in eigen woorden teruggeven van gevoelens en beleving van de
coachee. Je gaat verder dan herhalen en probeert de onderliggende betekenis te
benoemen. Dit toont dat je de ander wil begrijpen en kan nieuwe inzichten geven. Een
reflectie is nooit juist of fout: als ze niet klopt, corrigeert de coachee je.
• Formuleer als statement, niet als vraag (stimuleert verder vertellen en
onderbreekt minder).
• Houd het kort en eenvoudig; vermijd inleidende zinnen (“ik hoor je zeggen
dat…”).
Soorten reflecties:
• Gevoelsreflectie: benoemt een (nog niet uitgesproken) gevoel.
• Versterkende reflectie: vergroot de uitspraak → coachee nuanceert.
• Verkleinende reflectie: zwakt af → coachee verdiept de emotie.
• Dubbelzijdige reflectie: benoemt twee kanten (ambivalentie), verbonden met
“en”.
2
,3) Parafraseren van inhoud
Parafraseren is het in eigen woorden herhalen van de inhoud van wat de coachee zegt,
zonder extra interpretatie. Het is meer dan letterlijk herhalen: je verwoordt de kern
opnieuw.
• toont dat je luistert en begrijpt
• helpt om te verduidelijken of bij te sturen
• moedigt de coachee aan om verder te vertellen
1.1.2 SAMENVATTEN
= een korte, duidelijke weergave van (een deel van) een gesprek
Je brengt de informatie zo accuraat en samenhangend mogelijk samen. Door samen te
vatten, stimuleer je de coachee om zijn mening te verwoorden en verder te nuanceren.
Een samenvatting kan zowel de inhoud (parafrase) als de gevoelens (reflectie) bevatten.
Ze helpt jou om de rode draad te bewaren en te controleren of je de coachee goed
begrijpt. Tegelijk toon je dat je actief luistert en creëer je een rustmoment in het gesprek.
Dit is vooral nuttig bij coachees die veel praten: het brengt structuur en maakt het
makkelijker om eventueel van onderwerp te veranderen. Daarnaast kan je via een
samenvatting ook je interpretaties checken.
Ook voor de coachee is dit waardevol: jouw samenvatting helpt om het verhaal te
ordenen, meer inzicht te krijgen en aanknopingspunten te vinden voor de kern van het
probleem. Een goede samenvatting eindigt of start met een checkvraag, zodat de
coachee kan corrigeren of aanvullen.
Tips:
• gebruik eigen woorden
• spreek in de ik- en jij-vorm
• vermijd oordelen (bv. “klopt het dat…?”, “begrijp ik het goed dat…?”)
Soorten samenvattingen:
• Verzamelend: bundelt informatie en houdt het gesprek gaande
• Verbindend: legt verbanden tussen huidige en eerdere uitspraken
• Overgankelijk: stuurt het gesprek of verandert van richting
3
, 1.1.3 VRAGEN STELLEN
Er bestaan verschillende soorten vragen. De ene is geschikter in bepaalde situaties en
leidt sneller tot diepgang dan de andere.
• Open vragen: geven weinig sturing, waardoor de ander vrij kan antwoorden,
zowel in inhoud als in lengte. Ze nodigen uit om een eigen mening of gevoelens te
verwoorden.
• Gesloten vragen: beperken de antwoordmogelijkheden. Ze leveren korte
antwoorden op en stimuleren minder gesprek of diepgang. Soms zijn ze ook
suggestief.
• E-in-vragen (exploratief binnen referentiekader):
Sluiten aan bij wat de coachee net heeft gezegd en blijven binnen zijn
referentiekader. Ze verdiepen en verduidelijken de informatie, terwijl de coachee
de richting van het gesprek bepaalt.
• E-ex-vragen (buiten referentiekader):
Brengen nieuwe aspecten in het gesprek en gaan breder dan wat de coachee zelf
aanbrengt. De coach stuurt hiermee mee in de inhoud.
• Dubbele vragen:
Bestaan uit twee vragen tegelijk. Dit kan verwarring geven en leidt er vaak toe dat
slechts één vraag wordt beantwoord. Ze worden best vermeden, ook al zijn ze
meestal goed bedoeld.
• Waaromvragen:
Zoeken naar de oorzaak, maar kunnen moeilijk te beantwoorden zijn en een
defensieve reactie of schuldgevoel oproepen. Ze laten de coachee zich soms
verantwoorden.
VOORBEELDEN HOE JE VAN EEN GESLOTEN VRAAG EEN OPEN VRAAG KAN MAKEN:
4