H1: VERBLIJF OP EEN PICU
PATIËNTENPOPULATIE
IC voor kinderen heeft geen onderverdeling volgens pathologie of therapie ivm volwassene IC
Kind tss 28d – 15j
Waarom PICU en geen AICU?
− Kinderen zijn geen mini-volwassenen!
− Technieken en handelingen afgestemd op leeftijd van het kind
− Zorg volgens OW-leeftijd aangepast aan mentale, fysieke en sociale tempo van het kind
− Specifieke kennis en kunde: centralisatie van expertise → kwaliteit van zorg ↑
− Family-centered care en ouderparticipatie
Wie komt er op PICU terecht?
− Patiënten met (dreigend) falen van één of meerdere vitale lichaamsfuncties
− Na zware chirurgische ingrepen
− Nood aan intensieve bewaking
− Nood aan specifieke monitoring
Dia 13
Alveolaire dode ruimte ventilatie (zie hoofdstuk 3 – respiratoire benadering)
Alveolaire dode ruimte ventilatie ontstaat wanneer er onvoldoende perfusie is in bepaalde delen van de
longen. De longalveolen zijn opgeblazen en dus voorzien van lucht, maar wegens onvoldoende of
aanwezige perfusie, is er een stoornis in de gasuitwisseling.
Vb. longembolen, lage arteria pulmonalis druk tgv systemische hypovolemie, beademing met grote
drukken waardoor longcapillairen worden platgedrukt
Intrapulmonale shunting (zie hoofdstuk 3 – respiratoire benadering)
Door het ‘platvallen’ van de alveolen, komt er ongeoxygeneerd bloed in de circulatie terecht. Er kan
geen gasuitwisseling plaatsvinden, aangezien er zich geen lucht in de alveolen bevindt.
Vb.: atelectase, longoedeem, longbloeding, zware pneumonie
Acute bewustzijnsstoornissen = symptoom van bedreigende functiestoornis van CZS !
SMA: (spino-musculaire atrofie)
Is de verzamelnaam voor een groep neuromusculaire aandoeningen die leiden tot het niet of
onvoldoende functioneren van spieren. De aandoeningen die SMA genoemd worden, hebben met
elkaar gemeen dat er iets mis is met de motorische zenuwcellen in het ruggenmerg die uitlopers
hebben naar de spieren (de zgn. motorische voorhoorncellen).
1
,Guillain-Barré:
Subacuut optredende verlammingsverschijnselen. Begint vaak met milde gevoelsklachten zoals
tintelingen in de handen of voeten en rugpijn, en wordt gevolgd door progressieve
verlammingsverschijnselen. Begint vaak in onderste ledematen. Stijgt op naar bovenste ledematen.
Ook spieren van het gelaat, keel en tong kunnen worden aangetast.
RIP = ruimte-innemend proces
Ureumcyclusdefect:
Stofwisselingsziekte die vergiftiging veroorzaakt door het vormen van abnormale hoeveelheden
ammoniak
Nefrotisch syndroom:
Aandoening van glomeruli met als kenmerk proteïnurie, wat gepaard gaat met vochtophoping in
weefsels (oedeem), hypoalbuminemie en hyperlipidemie, verhoogde stollingsneiging en sterkere
gevoeligheid voor infecies. Meestal gevolg van primaire nierziekte, maar kan ook congenitaal zijn.
Haemophilus influenza type B:
Haemophilus influenza type B (HIB) is een bacterie die onder meer hersenvliesontsteking en kroep
(epiglottitis) veroorzaakt. Ze kan ook leiden tot oorontsteking, longontsteking of infecties elders in het
lichaam. Vooral kinderen tussen 0 tot 4 jaar lopen een groot risico. Complicaties, zoals kroep,
bloedvergiftiging en shock, kunnen levensbedreigend zijn. Het vaccin tegen HIB is opgenomen in het
vaccinatieschema van de Hoge Gezondheidsraad. Deze vaccinatie wordt toegediend op de leeftijd van
8,12 en 16 weken en op 15 maanden. Sinds de introductie van het vaccin, is het aantal gevallen van
hersenvliesontsteking en epiglottitis veroorzaakt door HIB drastisch gedaald.
DCD = donation after circulatory death -> pt moet eerst overlijden binnen aantal minuten om
orgaantransplant te doen
DBD = donation after brain death -> pt kan levend naar OK gehaald worden om organen uit te halen
TEN = Toxische epidermale necrolyse
Zeldzame aandoening waarbij grote delen ( > 30%) van de huid en slijmvliezen loslaten. Dit wordt in de
meerderheid van de gevallen (90%) veroorzaakt door geneesmiddele. Het treedt vrijwel altijd op
binnen een aantal weken na starten met een voor de patiënt nieuwe medicament. (NSAID’s, AB, anti-
epileptica, barbituraten enz…)
SSSS = Staphylococcal scalded skin syndroom
Dit is een ernstige huidinfectie gekenmerkt door loslating van de huid in grote delen van het lichaam.
Deze infectie komt bijna altijd voor bij kinderen onder de 6 jaar, dus ook bij pasgeborenen.
EB = Epidermolysis bullosa
Is een zeldzame, erfelijke huidaandoening, waarbij er blaren ontstaan bij de minste wrijving of
aanraking, op de huid maar soms ook op de slijmvliezen. De oorzaak is een aangeboren fout in de
huideiwitten, waardoor de verschillende huidlagen niet goed aan elkaar vastzitten. Ze komen
gemakkelijk los en zo ontstaan er blaren en open wonden.
Stevens Johnson Syndroom
Idem TEN maar milder verloop (minder dan 10% huidloslating). Blaren komen voornamelijk voor op
slijmvliezen zoals mond, ogen, vagina…
2
,Graft versus host ziekte
Graft versus host ziekte treedt op als de cellen van de donor reageren tegen het lichaam van de patiënt
die een allogene stamceltransplantatie heeft gekregen.
Sikkelcelcrisis
Sikkelcelziekte is een erfelijke ziekte waarbij abnormaal hemoglobine wordt aangemaakt (=
hemoglobinopathie). Door dit abnormale hemoglobine ontwikkelen zich rode bloedcellen die de vorm
van een sikkel hebben ("C" vorm). Sikkelcellen bewegen zich hierdoor niet zo gemakkelijk door de
bloedvaten, zijn minder flexibel en hebben de neiging samen te klonteren.
Deze klonters blokkeren de bloedstroom en kunnen door het zuurstofgebrek dat optreedt in de
weefsels, pijnaanvallen veroorzaken. Deze pijn wordt een "sikkelcelcrisis" genoemd en treedt vooral op
in de botten, maar ook in de longen en de buik.
Tumorlysis syndroom
Dit is een mogelijks levensbedreigende aandoening die ontstaat wanneer tumorcellen een snelle lyse
ondergaan kort na cytotoxische therapie (chemo, radiotherapie). Hierdoor ontstaat een acute stijfing
van urinezuur, kalium, fosfaat en calcium. Tumorlysis geeft risico op onstaan van ANI en nierfalen.
Bij kinderen komt dit vaak voor na vaststelling ALL en AML (wegens hoog aantal circulerende blasten)
waarbij in eerste intantie hyperhydratie als therapie geldt om tumorlysis te voorkomen maar ook
behandelen.
EIGENHEID VAN EEN PICU
KIND & FAMILIE
§ Leeftijd patiënten: 28d tot 15j, tenzij:
− < 28d indien nood aan specifieke therapie zoals dialyse, ECMO
− > 15j indien chronische behandeling en keuze tot PICU
− Probleem met bedbezetting bij volwassen IZ
§ Ouders:
− 24u/24u toegelaten, ook tijdens CPR
− Rooming-in voor 1 ouder
− Uitzondering bij (risico op) overlijden en zeer ernstige situaties (vb. ECMO)
§ Brusjes:
− < 12j in overleg wegens infectiegevaar
− Ook toegelaten buiten bezoekuren
ORGANISATORISCH
§ Verpleegkundige werking
3
, − Banaba spoed en IZ of Postgraduaat pediatrie en neonatologie
− Elke 5 jaar vernieuwde European Pediatric Advanced Life Support
− 1 vpk op 1 of 2 patiënten (theorie vs realiteit)
− Verantwoordelijk voor reanimatieoproepen kinderziekenhuis
§ Medische werking:
− Supervisoren: kinderintensivisten met opleiding in buitenland
− Arts-Specialisten in Opleiding (ASO; vanaf 3e jaar specialisatie tot kinderarts)
− Wachtsysteem:
• Telkens 1 supervisor van wacht, slaapt in bij onervaren ASO of zeer ernstige
pathologie
• Telkens één ASO 24/24 aanwezig
§ Psychosociale werking:
− Kinderpsychologe: opvang kind en ouders, begeleiding brusjes, assisteert bij moeilijke
gesprekken
− Sociaal medewerker: helpt bij administratieve zaken voor ouders, regelt ontslag voor
kinderen die naar revalidatiecentrum moeten, grote rol bij kindermishandeling
(gesprekken ouders, politie enz.), gaat sociale situaties na…
− Ook psychologische opvang voor vpk en medisch team
§ Interprofessionele en multidisciplinaire samenwerking:
− Zeer nauwe samenwerking:
• tussen kinderintensivisten, ASO’s en vpk’s
• multidisciplinair met andere pediatrische disciplines (vb. kindercardio,
kinderneuro,
kindernefro, anesthesie…)
• met kinesitherapeuten, infectiologen, apotheek...
• met psychosociale dienst
INFRASTRUCTUUR EN UITRUSTING
§ Patiëntenboxen
− Voornamelijk individuele patiëntenboxen
− Sas en mogelijkheid tot over- of onderdruk
− Mogelijkheid tot rooming-in 1 ouder
− In elke box aanwezigheid van: ventilator, aspiratiemateriaal, cardio-respiratoire
monitoring, infuus-en spuitpompen, mogelijkheid tot zuurstof- en Kalinoxtoediening
4