FARMACOLOGIE: PARTIM II
hypolipemiërende farmaca ................................................................................................................................ 2
Farmacologie van het hart ............................................................................................................................... 10
Farmacologie van het vasculair systeem ......................................................................................................... 21
Farmacologie bij de nier .................................................................................................................................. 30
Farmacologie van het ademhalingsstelsel ....................................................................................................... 35
Faramcologie van het maagdarmstelsel........................................................................................................... 39
Farmacolgie van het CZS ................................................................................................................................ 47
Mogelijke examenvragen ................................................................................................................................ 75
Opioiden .......................................................................................................................................................... 76
Lokale anastetica (LA) .................................................................................................................................... 84
farmacoloogie van diabtes ............................................................................................................................... 86
,HYPOLIPEMIËRENDE FARMACA
LIPIDEN
Lipoproteïne transport in het bloed
- Chylomicrononen
- VLDL
- LDL: risiocofacor voor ateroscleirose
- HDL: goede cholesterol in de volksmond
Chylomicronen bevatten triglyceriden en cholesterol
à gaan dat brengen van de GI tractus naar de weefsels
à thv het endotheel bevindt zich lipoproteinlipase: zet triglyceriden om in glycerol en vrije vetzuren
à worden gebracht naar de spieren en het vetweefsel
à wat overblijft zijn de chylomicronremnants:
triglyceriden verwerkt maar nog veel cholesterol
à kan opgeslagen worden, gesecreteerd in de gal of
omgezet naar VLDL
VLDL ook cholesterol en nier gesecretreede triglyceriden
à ook naar de weefsels transporteren
à ook via zich lipoproteinlipase naar vrij vezezuren
à LDL blijft dan over
à LDL bevat dus veel cholesterol
à deel opgenomen door de lever en deel naar de weefsels
à oorzakelijke factor ateroscleirose
HDL neemt cholesterol net op van de arteriën en de
weefsels (reverseed choleserol transport)
à naar VLDL en LDL
Stoornissen in lipidenmetabolisme (dyslipidemie)
Hoe hoger de spiegel aan LDL en lager HDL
à hoe groter de kans op ischemische hartziekte
- Primaire stoornissen
o 6 fenotypes afhankelijk van welk type lipoproteïnepartikel is gestegen
o genetisch bepaald
- Secundaire stoornissen
o in aansluiting op een veralgemeende aandoening (bv. t.g.v. overgewicht, diabetes mellitus,
hypothyroïdie)
Cholesterol
Hoog triglyceriden gehalte vaak gecombineerd met lage HDL dus speelt ook mee
,ATEROSCLEIROSE
= slagaderverkalking
à maar ook aterotrombose
à welke problemen kan het geven
- Thv de coronairen: coronaire hartziekte à aginia pectoris of infarct bij volledige occlusie
- Thv de carotiden: cerebrovasculaire ziekte à TIA (transient ischemic atack)= herseninfarct of
beroerte bij volledige occlusie
- Thv van bloedvaten naar de benen à claudicatio intermittens à pijn bij stappen
- ….
Aterogenese = ontstaan van ateroscleirose
Fokale aandoening van de intima van grote en middelgrote arterien
à de pathogenese verloopt over decenia
à tijdens die periode geen of weinig klinische symptomen (voelen niet dat het ontstaat)
à op een gegeven moment wel symptomen maar dan al verder gevorderd stadium van de ziekte
Tekening:
1) Intact gaaf bloedvat (van een baby): endotheel is de
enige laag cellen van de intima
2) Plakke vorming, maar nog klein en bloedvat nog
doorgankelijk (rond de 20j)
3) Plakkes zijn gegroeid en er komen er bij,
doorgankelijk van het bloedvat al kleiner (nog eens
20j later) à zou al angina pectoris kunnen geven
4) Nog kleiner geworden en wrs symptomen
Pathogenese
Vooral bij patiënten met hypercholesterolemie dringt het LDL door tot in de subendotheliale structuren
à geoxideerd tot oxLDL
- Immunogeen, wordt door het lichaam als vreemd ervaren
- Trekt T-lymfocyten aan
- Zendt signalen uit naar het endotheel dat adhesiemoleculen tot expressie brengt (o.a. VCAM)
waaraan monocyten blijven kleven die de bloedbaan verlaten en worden omgevormd tot
geactiveerde macrofagen
Vorming stabiele fibro-atheromateuze plaque
Wanneer er een hypercholesterolemie is (veel LDL)
à LDL wordt opgenomen in de intima
à geoxydeerd tot oxLDL
à activeert de endotheelcellen
à endotheel stelt adhesiemoleculen vrij
à monocyten blijven er aan kleven en gaan tussen de endotheelcellen passeren
à in de intima omgevormd naar macrogafen
à doen aan fagocytose: willen het oxyLDL opruimen
à door dat te doen worden het schuimcellen: onder de microscoop zien ze er uit als witte bellen
à goed bedoelt want wilt het vreemde materiaal opruimen maar ook andere effecten
à ook t cellen in de intima die interferon gamma maken
à gaat de macrofagen activeren
à t cellen en macrofagen vormen samen de vetstrepen: eerste stap van atheroom letsel
Bloedplaatse macrofagen en endotheelcellen zetten cytokines en groeifactoren vrij: ontstekingsreactie
, à zorgt ook voor de migratie en proliferatie van gladde spiercellen van de media naar de intima laag
à produceren ECM oa collageen
à collageen vormt een sorrt van kap op de plak (plak heeft een necrotiosche kern die bestaat uit lipiden
en dode cellen en daarrond afgeschermd van het lumen door een fibreuze kap met collageen)
à dat is nog een stabiele plak = stabiele fibro-atheromateuse plaque
Vorming onstabiele ateromateuze plaque
Maar op een gegeven moment gaan de schuimcellen necrotisch worden
à zetten allerlei stoffen vrij
à draagt bij tot de groei van de necrotisceh en lipide kern: plaque groeit
à doordat die groter wordt wordt heel de omgeving hypoxisch
à het lichaam probeeert daar O2 te krijgen door neoangiogenese (intraplaque angiogenese) = vorming
van nieuwe bloedvaten uit de adventitia naar de plaque
à maar die bloedvaten zijn heel fragiel en lekken gemakkelijk
à kan cholesterol uitlekken maar ook RBC, plaatjes, ..
à gaat extra bijgdragen tot het groter worden van de necrotisceh kern en worden gefagocyteerd door
macrofagen
à macrofagen sterk geactiveerd bv ijzer mee gefagocyteerd door macrofagen en dat gaat ervoor zorgen
dat de macrofagen dood gaan en ook bijdragen tot de necrotisceh kern
à geactiveerde macrofagen produceren verschillende stoffen: cytokines waardoor gladde spiercellen in
celdood kunen gaan (ook necrotische kern) en ook matrixmetaloproteinasen (degraderende enzymes die
de ECM afbreken)
à het collageen gaat weg: want gladde spiercellen dood dus geen collageen meer gemaakt en het
collageen dat er is ook afgebroken door de matrixmetaloproteinasen
à de collageen kap gaat veel dunner worden
à kan op ene gegeven moment gaan scheuren
à bloed in contact met de ruptuur
à vorming van en trombus = aterotrombose
à kan heel groot worden en het bloedvat verstoppen
Kenmerken onstabiele ateromateuze plaque
hypolipemiërende farmaca ................................................................................................................................ 2
Farmacologie van het hart ............................................................................................................................... 10
Farmacologie van het vasculair systeem ......................................................................................................... 21
Farmacologie bij de nier .................................................................................................................................. 30
Farmacologie van het ademhalingsstelsel ....................................................................................................... 35
Faramcologie van het maagdarmstelsel........................................................................................................... 39
Farmacolgie van het CZS ................................................................................................................................ 47
Mogelijke examenvragen ................................................................................................................................ 75
Opioiden .......................................................................................................................................................... 76
Lokale anastetica (LA) .................................................................................................................................... 84
farmacoloogie van diabtes ............................................................................................................................... 86
,HYPOLIPEMIËRENDE FARMACA
LIPIDEN
Lipoproteïne transport in het bloed
- Chylomicrononen
- VLDL
- LDL: risiocofacor voor ateroscleirose
- HDL: goede cholesterol in de volksmond
Chylomicronen bevatten triglyceriden en cholesterol
à gaan dat brengen van de GI tractus naar de weefsels
à thv het endotheel bevindt zich lipoproteinlipase: zet triglyceriden om in glycerol en vrije vetzuren
à worden gebracht naar de spieren en het vetweefsel
à wat overblijft zijn de chylomicronremnants:
triglyceriden verwerkt maar nog veel cholesterol
à kan opgeslagen worden, gesecreteerd in de gal of
omgezet naar VLDL
VLDL ook cholesterol en nier gesecretreede triglyceriden
à ook naar de weefsels transporteren
à ook via zich lipoproteinlipase naar vrij vezezuren
à LDL blijft dan over
à LDL bevat dus veel cholesterol
à deel opgenomen door de lever en deel naar de weefsels
à oorzakelijke factor ateroscleirose
HDL neemt cholesterol net op van de arteriën en de
weefsels (reverseed choleserol transport)
à naar VLDL en LDL
Stoornissen in lipidenmetabolisme (dyslipidemie)
Hoe hoger de spiegel aan LDL en lager HDL
à hoe groter de kans op ischemische hartziekte
- Primaire stoornissen
o 6 fenotypes afhankelijk van welk type lipoproteïnepartikel is gestegen
o genetisch bepaald
- Secundaire stoornissen
o in aansluiting op een veralgemeende aandoening (bv. t.g.v. overgewicht, diabetes mellitus,
hypothyroïdie)
Cholesterol
Hoog triglyceriden gehalte vaak gecombineerd met lage HDL dus speelt ook mee
,ATEROSCLEIROSE
= slagaderverkalking
à maar ook aterotrombose
à welke problemen kan het geven
- Thv de coronairen: coronaire hartziekte à aginia pectoris of infarct bij volledige occlusie
- Thv de carotiden: cerebrovasculaire ziekte à TIA (transient ischemic atack)= herseninfarct of
beroerte bij volledige occlusie
- Thv van bloedvaten naar de benen à claudicatio intermittens à pijn bij stappen
- ….
Aterogenese = ontstaan van ateroscleirose
Fokale aandoening van de intima van grote en middelgrote arterien
à de pathogenese verloopt over decenia
à tijdens die periode geen of weinig klinische symptomen (voelen niet dat het ontstaat)
à op een gegeven moment wel symptomen maar dan al verder gevorderd stadium van de ziekte
Tekening:
1) Intact gaaf bloedvat (van een baby): endotheel is de
enige laag cellen van de intima
2) Plakke vorming, maar nog klein en bloedvat nog
doorgankelijk (rond de 20j)
3) Plakkes zijn gegroeid en er komen er bij,
doorgankelijk van het bloedvat al kleiner (nog eens
20j later) à zou al angina pectoris kunnen geven
4) Nog kleiner geworden en wrs symptomen
Pathogenese
Vooral bij patiënten met hypercholesterolemie dringt het LDL door tot in de subendotheliale structuren
à geoxideerd tot oxLDL
- Immunogeen, wordt door het lichaam als vreemd ervaren
- Trekt T-lymfocyten aan
- Zendt signalen uit naar het endotheel dat adhesiemoleculen tot expressie brengt (o.a. VCAM)
waaraan monocyten blijven kleven die de bloedbaan verlaten en worden omgevormd tot
geactiveerde macrofagen
Vorming stabiele fibro-atheromateuze plaque
Wanneer er een hypercholesterolemie is (veel LDL)
à LDL wordt opgenomen in de intima
à geoxydeerd tot oxLDL
à activeert de endotheelcellen
à endotheel stelt adhesiemoleculen vrij
à monocyten blijven er aan kleven en gaan tussen de endotheelcellen passeren
à in de intima omgevormd naar macrogafen
à doen aan fagocytose: willen het oxyLDL opruimen
à door dat te doen worden het schuimcellen: onder de microscoop zien ze er uit als witte bellen
à goed bedoelt want wilt het vreemde materiaal opruimen maar ook andere effecten
à ook t cellen in de intima die interferon gamma maken
à gaat de macrofagen activeren
à t cellen en macrofagen vormen samen de vetstrepen: eerste stap van atheroom letsel
Bloedplaatse macrofagen en endotheelcellen zetten cytokines en groeifactoren vrij: ontstekingsreactie
, à zorgt ook voor de migratie en proliferatie van gladde spiercellen van de media naar de intima laag
à produceren ECM oa collageen
à collageen vormt een sorrt van kap op de plak (plak heeft een necrotiosche kern die bestaat uit lipiden
en dode cellen en daarrond afgeschermd van het lumen door een fibreuze kap met collageen)
à dat is nog een stabiele plak = stabiele fibro-atheromateuse plaque
Vorming onstabiele ateromateuze plaque
Maar op een gegeven moment gaan de schuimcellen necrotisch worden
à zetten allerlei stoffen vrij
à draagt bij tot de groei van de necrotisceh en lipide kern: plaque groeit
à doordat die groter wordt wordt heel de omgeving hypoxisch
à het lichaam probeeert daar O2 te krijgen door neoangiogenese (intraplaque angiogenese) = vorming
van nieuwe bloedvaten uit de adventitia naar de plaque
à maar die bloedvaten zijn heel fragiel en lekken gemakkelijk
à kan cholesterol uitlekken maar ook RBC, plaatjes, ..
à gaat extra bijgdragen tot het groter worden van de necrotisceh kern en worden gefagocyteerd door
macrofagen
à macrofagen sterk geactiveerd bv ijzer mee gefagocyteerd door macrofagen en dat gaat ervoor zorgen
dat de macrofagen dood gaan en ook bijdragen tot de necrotisceh kern
à geactiveerde macrofagen produceren verschillende stoffen: cytokines waardoor gladde spiercellen in
celdood kunen gaan (ook necrotische kern) en ook matrixmetaloproteinasen (degraderende enzymes die
de ECM afbreken)
à het collageen gaat weg: want gladde spiercellen dood dus geen collageen meer gemaakt en het
collageen dat er is ook afgebroken door de matrixmetaloproteinasen
à de collageen kap gaat veel dunner worden
à kan op ene gegeven moment gaan scheuren
à bloed in contact met de ruptuur
à vorming van en trombus = aterotrombose
à kan heel groot worden en het bloedvat verstoppen
Kenmerken onstabiele ateromateuze plaque