HOOFDSTUK 1 – GROUNDED THEORY
WAT IS GROUNDED THEORY?
Inleiding:
‣ Theoretische steekproeftrekking
‣ Gekenmerkt door 3 fases van coderen:
o Open coderen = identificeren van categorieën en hun eigenschappen (data
identificeren tot een lijst van codes)
o Axiaal coderen = het relateren van categorieën aan elkaar (codes bij elkaar
categoriseren)
o Selectief coderen = integreren van verschillende categorieën en hun relaties in één
theorie (codes selecteren en enkele centraal stellen)
‣ Constant vergelijkende methode: elke bijkomende data vergelijken met de data die ervoor
werd verzameld
“A great many people claiming to be using GT methods [but] are not doing anything that would be
recognizable as such even when using the most inclusive definition of the term (…). For some authors,
the use of the term ‘grounded theory’ is simply a justification for engaging in a qualitative data
analysis or doing some form of coding” (Hood, 2007)
‣ GT als containerbegrip
‣ Hood maakt een onderscheid tussen een meer algemene inductieve kwalitatieve model
(Generic Inductive Qualitative Model = GIQM) en Grounded Theory
Benaderingen binnen kwalitatieve analyse:
‣ Orthodoxe manier van data-analyse: vaste stappen met vaste mijlpalen in het proces
→ voorgeschreven manier van data-analyse → duidelijk stappenplan met bepaalde finaliteit
‣ Whatever works – benadering: maximale vrijheid voor onderzoekers → zolang de kwaliteit
van de output het hoogst is → analyse moet een theoretische meerwaarde bieden + moet
geloofwaardig zijn
‣ Pragmatische benadering = middenweg: beginnen van een set van algemene assumpties
over een ‘typisch proces’ en bepaalde vaste principes volgen van kwalitatieve data-analyse
1) Focus op onderzoeksvragen die
▪ Een dieper begrip benadrukken
▪ Nieuwe hypotheses uittesten i.p.v. bestaande hypotheses
▪ Nadruk leggen op de interpretatie van betekenis
▪ Een contextuele beschrijving voorzien
▪ Focussen op het proces
2) Data verzamelen en analyseren in een cyclische manier: periodes van dataverzameling
worden gevolgd door periodes van data-analyse, die op hun beurt opnieuw resulteren in
nieuwe dataverzameling, enzovoort
3) Kritisch reflecteren op hoe dataverzameling en data-analyses verbeterd kan worden
4) Focus op de interpretatie van data i.p.v. een statistische analyse van kwantitatieve data
5) 3-staps coderingsproces: ruwe tekst wordt eerst gereduceerd tot een kleinere set van
betekenisvolle codes of labels → de onderlinge relaties tussen die labels worden dan
onderzocht → synthetiseren van de nieuwe, meer abstracte labels
6) Schrijven is een key tool in data-analyse
7) Selecteer cases of contexten gebaseerd op theoretische relevantie
8) Gebruik van ruwe data: interviews, visuele representaties, …
9) Data en hun theoretische relevantie samen presenteren als geïntegreerd geheel
1
,Inleiding kwalitatieve analyse 2024 - 2025
Wanneer gebruik je welke benadering:
‣ Niets verkeerd met een meer pragmatische benadering
‣ Orthodoxe benadering: geven meer houvast om een bepaald type onderzoeksvragen te
bestuderen
o Concretere stappen om te volgen
o Indicatoren om kwaliteit in je analyse aan te duiden
‣ ‘Whatever works’ – benadering: overlapt in de realiteit vaak met een meer pragmatische
benadering → minder houvast voor een beginnende onderzoeker
‣ Centraal bij elke benadering: hoge kwaliteit!
o Geloofwaardig
o Theoretisch relevant
KENMERKEN VAN GROUNDED THEORY:
1) Theoretische steekproeftrekking: de steekproef kan niet op voorhand bepaald worden, maar
moet veranderen in functie van de ontwikkelende theorie → geen representativiteit nastreven
respondenten selecteren om een theorie verder te kunnen ontwikkelen
2) Constant-vergelijkende methode: geen vooraf gedefinieerde concepten, groepen of contexten
vergelijken, maar de data in zijn geheel en pas in latere fases meer gefocust op meer inductief
ontwikkelde concepten, groepen of contexten vergelijken
→ nieuwe data in zijn geheel vergelijken met vorige data in zijn geheel
→ eerst kijken wat in de data zit en dan pas een theorie vormen (niet vooraf bepaald)
3) Ontwikkelen van een nieuwe theorie: GT moet leiden tot nieuwe theoretische inzichten, niet
louter toetsen van bestaande theorieën
4) Theoretische saturatie: je stopt niet met het verzamelen en analyseren van data als je ‘niets
nieuws meer hoort’, maar enkel als je bepaalde processen of fenomenen volledig kunt verklaren of
begrijpen (en dus je concepten volledig zijn ontwikkeld)
5) Onderzoeksvragen: meer doen dan louter beschrijven of exploreren → volledig verklaren of
begrijpen van fenomenen → onderzoeksvragen moeten altijd veranderen in termen van focus
gedurende het onderzoek
6) Bestaande literatuur:
‣ Ambivalente / achterdochtige houding t.a.v. bestaande literatuur: literatuur mag onderzoek
nooit determineren m.b.t. de focus en interpretatie van de data → mag enkel inspirerend
werken
‣ Rol van literatuur staat nu wel centraler in GT dan vroeger: “There is a difference between an
open mind and an empty head” (Day, 1999).
2
,Inleiding kwalitatieve analyse 2024 - 2025
PROCES VAN CODEREN:
Vóór het coderen:
‣ Samenstellen van basissteekproef
‣ Opstellen van onderzoeksinstrumenten
→ introductievragen zijn het meest stimuleren om de respondent te laten vertellen
‣ Afnemen van interviews / uitvoeren van observaties en uittypen van data
Het codeerproces:
Fase 1: Reduceren van tekst tot betekenisvolle codes
Fase 2: Reduceren en integreren van codes
Fase 3: Opbouwen van een gefocuste theorie
Fase 1: Reduceren van tekst tot betekenisvolle codes:
‣ = het afbreken van data in kleine stukken
‣ Wordt soms ook wel ‘categoriseren’, ‘labellen’, ‘open coderen’ of het ‘initieel coderen’
genoemd
‣ Hoe? Lees de tekst en label een stuk, lees een volgende tekst en label een stuk, …
‣ Stel de volgende vragen:
o Waarover gaat dit?
o Hoe relevant is dit voor mijn onderzoek?
o Welke code moet ik hieraan hechten?
‣ ‘Codes’ = labels die betekenis geven aan stukken tekst → betekenis wordt toegekend door de
onderzoeker
‣ ‘Fragmenten’ = stukken tekst:
o Woord voor woord coderen (documentanalyse)
o Lijn per lijn of zin per zin (interviews)
o Voorval per voorval coderen (observatieonderzoek)
‣ Spanning tussen ‘alles coderen’ en ‘enkel datgene wat relevant is voor de onderzoeksvragen’
o GT stimuleert om alles te coderen, ook zaken die misschien minder relevant zijn
o Vooral in eerste fases: alles coderen → je weet misschien nog niet wat relevant is
o In het begin zo veel mogelijk coderen → naarmate het onderzoek meer focussen op
wat theoretisch relevant lijkt
Eerste fase volgens PPGT (post-positivistische grounded theory):
‣ Strauss en Corbin: open coding = “the process of breaking down, examining, comparing,
conceptualizing, and categorizing data”
‣ Vragen om te stellen: “Wat is dit?” en “Wat stelt dit voor?”
‣ Je maakt concepten door betekenis te geven aan stukken tekst waarbij je korte, meer abstracte
labels gaat toekennen
‣ vb. bodybuilders observeren in een gym en vaststellen dat ze ‘zichzelf bewonderen’ (niet: het label ‘de
respondent kijkt naar zichzelf in de spiegel) → ‘zichzelf bewonderen’ is korter, meer abstract en met een
eigen betekenis
‣ vb. label ‘advies geven’ (niet: ‘geeft uitleg aan iemand anders over oefening’)
‣ In deze fase: concepten met elkaar vergelijken en onderling aan elkaar relateren of groeperen
→ leidt tot de ontwikkeling van overkoepelende (nog meer abstracte) categorieën
3
, Inleiding kwalitatieve analyse 2024 - 2025
‣ Die abstracte theorieën gaan we beschrijven in termen van samenstellende eigenschappen of
dimensies
‣ Eigenschappen = variabelen / kenmerken
‣ Dimensies = de waarden van die variabelen
‣ vb. observatie van bodybuilders: ‘trainen’, ‘lesgeven’, ‘bewonderen’, … (= abstracte categorieën) →
eigenschappen van die categorieën (waar, frequentie, welke, …)
‣ Concepten en meer abstracte categorieën ontwikkelen door specifieke vragen te stellen en
vergelijkingen te maken
o Stellen van ‘wie’, ‘wat’, ‘waar’, ‘waarom’, ‘hoe’, ‘hoeveel’ – vragen
o Flip-flop techniek = wat als de interpretatie niet klopt? (vb. kijken in de spiegel kan een
andere interpretatie hebben dan zichzelf bewonderen)
o Far-out vergelijking = maken van vergelijkingen met contexten / actoren die
verschillend zijn (vb. bodybuilder die kijkt in de spiegel vergelijken met ballerina die kijkt in
de spiegel) → interpretatie in vraag stellen
o Close-in vergelijking = maken van vergelijkingen met contexten / actoren die
gelijkaardig zijn (vb. bodybuilder die kijkt in de spiegel vergelijken met iemand die net nieuw
in de gym is en die in de spiegel kijkt)
o Waving the red flag = nader bestuderen / in vraag stellen van extreme standpunten
(vb. gaan bodybuilders zichzelf ‘altijd’ in de spiegel bekijken om zichzelf te bewonderen)
→ Vergelijkingen stimuleren de onderzoeker om op een andere manier naar data te kijken!
Eerste fase volgens CGT (constructivistische grounded theory)
‣ Charmaz: intial coding = “naming each word, line or segment of the data”
‣ De codes dicht bij de betekenis van de respondent te houden = in vivo-codes (niet abstract)
‣ Labels beschrijven in functie van wat mensen doen (acties) i.p.v. algemene thema’s
‣ Onderzoeker stimuleren om open te staan voor verschillende interpretaties van data
→ mensen minder reduceren tot eendimensionele types
→ geen abstracte concepten toepassen op de data
‣ Focussen op concepten (sensitizing concepts) die thuishoren bij een constructivistische
invalshoek → stimuleren om rekening te houden met dominante concepten in die theorie →
data coderen op een theoretisch relevante manier
‣ Vragen: “Welke betekenissen, onderliggende processen, interacties tussen mensen, … kan ik
hier terugvinden?”
‣ Bij een kritisch perspectief: vragen laten sturen door concepten zoals ‘macht’, ‘ideologie’,
‘privilege’, ‘gelijkheid’, ‘onderdrukking’, …
Fase 2: Reduceren en intergreren van codes:
‣ Verschillende codes verfijnen, uitdiepen en ze te linken aan meer abstracte codes, ook wel
‘categoriseren’, ‘thema’s’ en ‘concepten’ genoemd
‣ Grote hoeveelheid aan betekenisvolle codes reduceren en integreren
‣ Reduceren door codes samen te voegen of er uit te gooien
‣ Integreren door onderlinge relaties tussen de codes te verduidelijken
‣ Samenvoegen van codes → leidt tot creëren van nieuwe overkoepelende codes
4