VERSCHIJNSELEN OP
POPULATIENIVEAU
Een individu kan worden bekeken in relatie tot zijn biologische ouders en nakomelingen,
waarbij men zowel naar het verleden als naar het heden kijkt.
We bestuderen het individu daarbij ook op genomisch niveau, dus op het niveau van de
genen.
Op populatieniveau zijn het uiteindelijk de genen die overleven en worden doorgegeven
aan volgende generaties.
Door een toevallige combinatie van genen kunnen bepaalde genetische varianten zich
verspreiden binnen een populatie.
Het individu vormt als het ware het midden van de zandloper, waar genen uit het
verleden samenkomen en van waaruit ze opnieuw worden doorgegeven aan toekomstige
generaties.
1. INLEIDING
- Natuurlijke selectie in het wild?
o Kunnen we niet bestuderen, daarvoor leven we niet lang genoeg
- Empirisch bewijsmateriaal?
1
, o Info samenleggen
— Jerry Coyne (2009),
– ‘Why evolution is true’
— Richard Dawkins (2009):
– The Greatest Show on Earth
- In dit hoofdstuk maken we kennis met:
— Bijkomende evolutionaire krachten!
— Soort, soortvorming, uit mekaar gaan van soorten
— Genetisch evenwicht in populaties
2. MENSELIJKE VARIABILITEIT OP INDIVIDUEEL EN
GROEPSNIVEAU
- Biologische variatie komt voor op verschillende niveaus.
- Ontogenetische variatie: verschillen die zich voordoen tijdens de levensloop
van een individu.
2
, - Fylogenetische variatie: variatie die voortkomt uit evolutionaire relaties
tussen soorten.
- Reproductieve variatie: verschillen in het aantal nakomelingen dat individuen
voortbrengen.
- Tussengroepsverschillen bestaan, maar worden vaak overschat.
3. WAT IS EEN POPULATIE
- Gehanteerde terminologie:
o Population/populatie: Een groep of gemeenschap van dieren die
identificeerbaar aan der hand van karakteristieken is binnen een soort.
o Deme: Populaties die worden gedefinieerd in termen van genetische
samenstelling, zoals allelenfrequenties.
▪ Zelfde als populatie, maar hier gaat het over samenstellingen en
allelen
o Subspecies: Groep van lokale populaties die een deel van het
geografische bereik van een soort delen en kunnen worden
onderscheiden van andere groepen op basis van een of meer
fenotypische kenmerken.
o Race (ras(synoniem groep)): Uitwisselbaar gebruikt met subsoorten in
de biologische wetenschappen. Variëteit is een beter woord.
1. Soort
2. Subsoorten: lokale variëteiten
3
, 3. Lokale populaties binnen een bepaalde subsoort
4. Individuen: kleinsten → op dit niveau wordt de grootste variatie waargenomen
➔ Op groepsniveau gooien we de kenmerken van individuen weg en dan is dit
minder nauwkeurig
➔ Op elke niveau kan je zinvolle vergelijkingen maken, maar met bepaalde
beperkingen
- De mens is een polytypische soort:
o Een soort onderverdeeld in lokale populaties die van elkaar verschillen
in een of meerdere fenotypische kenmerken.
- Geen genetische ‘objectieve’ manier om te bepalen hoeveel differentiatie
voldoende is om groepen te beschouwen die een afzonderlijke identificatie
waard zijn.
- Groepen kunnen wel statistisch geïdentificeerd worden, maar er is overlap.
Individuen kunnen tot meerdere groepen behoren.
- Variatie is heel continu.
4. HOE BEÏNVLOEDT EVOLUTIE DE GENETISCHE
BEVOLKINGSSAMENSTELLING
- Bevolkingssamenstelling = veranderingen in allelenfrequenties in natuurlijke
populaties
o Niet hetzelfde als bevolkingsstructuur
o Zie je bij zoogdieren en primaten
o Trage verandering, want mensen planten zich traag voort.
o Er is geen 100% duidelijke manieren om ze perfect in te delen
o Afhankelijk van de genomen en hoeveel kenmerken krijgt men een
ander resultaat
- OORSPRONG van genetische variatie?
o Veranderingen in het replicatieproces (DNA- sequenties).
o Accumulatie van mutaties over vele generaties -> leidt
gradueel/langzaam tot nieuwe eigenschappen. Als die eigenschappen
voordelig zijn, verspreiden ze zich in de populatie.
4