1. Attitudes: basisbevindingen
Een attitude is een aangeleerde, algemene evaluatie van een object, die met een
bepaalde intensiteit uitgedrukt wordt → je positief of negatief voelen tegen over object
en dit kan binnen meer of minder maten
- Attitudes hebben betrekking op personen, objecten en ideeën
o Zelfbeeld
o Vooroordelen
o Maatschappelijke systemen
- De positieve en negatieve dimensie zijn onafhankelijk van elkaar
4 reacties op attitudinale objecten
- Niet 1 continuüm
- Attitudes kunnen positief, negatief, ambivalent of neutraal zijn
1
,1.1 De 3 componenten van attitudes
Multicomponentenmodel van attitudes: het model dat stelt dat attitudes bestaan uit
cognitieve, affectieve en gedragsmatige componenten
- De cognitieve component blijkt uit gedachten en opvattingen over het attitude
object, het afwegen van positieve/negatieve kenmerken
o Verwachtingwaardetheorie: theorie die stelt dat de attitude tegenover een
object bepaald wordt door de verwachting dat een attitudeobject
bepaalde kenmkeren vertoont, maar ook door hoe sterk die kenmerken
worden gewaardeerd
o Bv. Attitude tegenover een gsm
▪ Ideeën over het aantal pixels van een camera
▪ rampgeheugen
- Een attitude-object roept affect op, waardoor we er positief of negatief tegenover
voelen. Gevolg van leerproces:
o Klassieke conditionering: een neutrale stimulus die samen voorkomt met
een aangename stimulus roept op den duur zelf positieve emoties op →
een neutrale stimulus die samen met een (on)aangename stimulus
voorkomt, wordt op den duur zelf als (on)attractief ervaren
▪ Voorbeeld met de hond die kwijlt en de bel
▪ Als een bekend persoon positief is over een object dan ga jij dat
ook sneller zijn → associatie
o Operante conditionering: affect ten aanzien van een stimulus wordt
bepaald door beloning en straf → door belonen of straffen stijgt of daalt
de attractiviteit van de stimulus
▪ Als je uitgelachen wordt met jouw telefoon (straf), dan gaat jouw
attitude tegenover de telefoon negatiever zijn
- De gedragscomponent
o Attitudes brengen gedrag met zich mee maar ontstaan ook door de
observatie van het eigen gedrag ten aanzien van een attitude object
o We staan positiever tegen over iets op basis van ons gedrag
▪ Als we iets kopen staan we er positiever over in gewoon omdat we
het gekocht hebben
▪ Tijdens een experiment ja knikken of nee maakt ook een verschil →
wie ja mist knikken stond positiever tegen over de toespraak dan
die nee moesten knikken
➔ Zijn alle 3 aanwezig maar niet altijd even belangrijker → hangt af over welk object
het gaat
o Stofzuiger: cognitief
o Favo kleur: gevoel
2
,1.2. Attitudesterkte
- Over sterke attitudes is men zeker, men vindt ze belangrijk en ze komen snel in
ons bewustzijn, bijna zoals een reflex
o Genetische component (cf. tweelingstudies)
▪ Eeneiige tweeling heeft vaker een gelijkaardige attitudes dan twee-
eiige
▪ Het is juist om te denken dat belangrijke attitudes voor een groot
deel genetisch bepaald zijn
o Psychische kenmerken, zoals eigenbelang/ een groep of het feit dat de
attitude verbonden is aan filosofische, politieke en religieuze
overtuigingen
o Steunen meestal op veel info en zijn gestoeld op eigen ervaringen
▪ Vaak zaken waar we sterke attitudes over hebben zijn gebaseerd op
meer info, dan zaken waar we weinig info over hebben
1.3. Expliciete en impliciete attitudes
Expliciete attitudes: attitudes die door een persoon bewust gerapporteerd worden
Impliciete attitude: een attitude die zich situeert op het automatische niveau en haar
basis vindt in de organisatie van materiaal in het geheugen.
Attitudes meten:
Zelfrapportagematen (expliciet)
- Enquêtes
o 1 vraag: probleem van woordkeuze
o Lage stabiliteit
▪ Opiniepeiling: niet evident om hier attitudes op te meten
▪ Als je 1 vraag stelt dan kan dit op verschillende manieren
geïnterpreteerd worden: woordkeuze is zeer belangrijker
▪ Ja-nee antwoorden zijn niet evident → ze worden verplicht een
kamp te kiezen en dat is niet representatief
➔ Attitudeschalen
o Meerdere items/ vragen
o Geen ja-nee vragen
o Je gebruikt een schaal waar veel variatie is (zie deel zelfrapportage)
3
, Zelfrapportage
- Attitudeschalen: deelnemers geven hun (bewuste) voorkeur voor een
attitudeobject aan: expliciete attitudes
o Likert schaal
▪ Stelling beantwoorden met:
o Semantische differentiaal
▪ De respondent beantwoordt bij deze methode voor een
attitudeobject verscheidende schalen die een tegenstelling vormen
• Bv. Ik vind een BMW…
- Vertekeningen
o Sociaal wenselijk antwoorden
▪ Bij anonieme bevraging niet echt een probleem
o Instemmingstendens
▪ Sommige mensen hebben meer de neiging om in te stemmen dan
andere → gaan sneller akkoord zijn ongeacht de stelling → mensen
zijn niet graag niet akkoord
Verborgen metingen
- Attitudes afleiden uit:
- Non-verbaal gedrag
o Gelaatsuitdrukkingen, stem, lichaamshouding, hoofdbewegingen
o Nadeel: kunnen min of meer geacteerd worden
- Fysiologische metingen
o Arousal meting: hartslag, galvanische huidreflex (de geleiding van je huis
op je handen → hoe emotioneel je reageert zal de geleiding stijgen of
dalen_
o Geen directe info over richting attitude → meet de sterkte van de attitude
en niet de richting
- Gelaatselektromyograaf (EMG)
o Elektronen op het gezicht die subtiele gelaatsuitdrukkingen meten
o Bv. Fronsen terwijl het niet zo zichtbaar is
- Elektro-encefalografie (EEG)
- FMRI onderzoek – amygdala (cunningham)
4