VISIE OP
BEGELEIDEN
Lector: Yen Nauwelaers
[Naam van auteur]
Academiejaar: ’25-’26
Semester: 1
,INHOUD
HFST 1: VISIE............................................................................................................... 3
1.1 Wat is een visie ................................................................................................... 3
1.2 Historische evolutie van hulpverlening ................................................................ 3
1.3 Evoluties in visie op hulpverlening ....................................................................... 5
1.3.1 Isolatie en segregatie ................................................................................... 5
1.3.2 Normalisatie ................................................................................................ 5
1.3.3 Integratie ..................................................................................................... 6
1.4 De inclusieve visie .............................................................................................. 6
1.4.1 Beliefs ......................................................................................................... 6
1.4.2 Inclusie en beperking als sociale constructie ................................................ 6
1.4.3 Inclusie vanuit een relationeel perspectief .................................................... 6
1.4.4 Knelpunten van inclusie ............................................................................... 7
1.5 De noodzaak van een heldere visie in een organisatie .......................................... 8
1.5.1 Missie, visie, doelstellingen, waarden ........................................................... 8
1.5.2 De zeven logische niveaus van R. Dilts .......................................................... 9
HFST 2: EMANCIPATORISCH BEGELEIDEN ................................................................... 9
2.1 Kernwaarden emancipatorisch model ................................................................. 9
2.2 Emancipatorische basishouding ....................................................................... 10
2.3 Spanningsvelden .............................................................................................. 10
2.3.1 Afstand – nabijheid .................................................................................... 10
2.3.2 Openheid – geslotenheid............................................................................ 10
2.3.3 Sturen – loslaten ........................................................................................ 10
2.3.4 Omgaan met gevoelens.............................................................................. 10
2.3.5 Omgaan met weigerachtigheid en weerstand .............................................. 11
2.4 Zinvolle hulpverlener ........................................................................................ 11
2.5 Situationeel leiderschap ................................................................................... 11
2.6 Aanklampend werken ....................................................................................... 12
2.7 Samenwerken met cliënten............................................................................... 12
2.8 Emancipatie is zelfmacht .................................................................................. 12
HFST 3: EMPOWERMENT ........................................................................................... 13
3.1 Controle ........................................................................................................... 13
3.2 Kritisch bewustzijn ........................................................................................... 13
1
, 3.3 Participatie ....................................................................................................... 13
3.4 Empowerment op 3 niveaus .............................................................................. 15
3.5 Krachtenperspectief ......................................................................................... 15
3.5 Empowerende basishouding ............................................................................. 15
3.6 Spanningsvelden .............................................................................................. 15
3.6.1 Organisatie - Individu ................................................................................. 15
3.6.2 Groep – individu ......................................................................................... 16
3.6.3 Regels – individu ........................................................................................ 16
HFST 4: METHODIEKEN ............................................................................................. 16
4.1 Oplossingsgericht werken ................................................................................. 16
4.1.2 Linken emancipatie en oplossingsgericht werken ........................................ 16
4.1.2 Werken aan verandering staat centraal ....................................................... 17
4.1.3 Probleemgericht versus oplossingsgericht .................................................. 17
4.1.4 oplossingsgerichte vragen .......................................................................... 17
4.1.5 Aanpak en toepassing ................................................................................ 18
4.2 Nieuwe autoriteit .............................................................................................. 19
4.2.1 Pijlers nieuwe autoriteit .............................................................................. 19
4.2.2 Waakzame zorg.......................................................................................... 20
4.3 LSCI Life Space Crisis Intervention .................................................................... 21
4.3.1 Wat is LSCI ................................................................................................ 21
4.3.2 Fasen van LSCI .......................................................................................... 21
4.3.3 Link emancipatie en LSCI ........................................................................... 22
4.4 Grensoverschrijdend gedrag ............................................................................. 23
4.4.1 Het vlaggensysteem van Sensoa ................................................................ 23
2
,HFST 1: VISIE
1.1 Wat is een visie
Visie =
- wijze van zien/waarnemen
- hoe we kijken naar de wereld en naar mensen
- bepaalt hoe je in het leven staat en hoe je mensen benadert
- ‘mijn bril’
Gevormd door:
- wie je bent (privé-context-samenleving)
- eigen waarden, normen, denkbeelden, overtuigingen
- evolueren door ervaringen, maatschappelijke ontwikkelingen
- beïnvloed door bv. gender, cultuur, huidskleur, taal, tijd, leeftijd, opleiding, …
- je eigen referentiekader
Verschil tussen missie en visie:
Missie: wie zijn we? Visie: waar gaan we voor?
- In principe tijdloos - Voor bepaalde periode, kan
- Waarvoor we staan bijgesteld worden
- Blik naar binnen gericht op de - Waarvoor we gaan
organisatie - Blik naar buiten gericht, naar
- Wie zijn we? omgeving
- Toekomst, dromen, ambities
- Hoe gaan we om met de wereld?
Missie en visie zijn nodig voor:
- bieden van houvast in dagelijkse activiteiten
- zorgen voor één lijn
- helpen bij stellen van prioriteiten
- zorgen voor verbondenheid en gezamenlijke identiteit
1.2 Historische evolutie van hulpverlening
Medisch model: (voor jaren ’70)
- Cliënten zijn patiënten
- Nadruk op verzorging, behandeling
- Genezen, minimaliseren van afwijking/functiebeperking (medicatie, prothesen)
- Geen oog voor totale mens, gericht op beperking
- Segregatie (instituten weg van ‘normale omgeving’)
- Verhouding: expert – patiënt, patiënt is noodlijdend en moet worden geholpen
3
,Ontwikkelingsmodel: (na jaren ’70)
- ‘zo gewoon mogelijk, slechts speciaal waar nodig’
- Beperking is geen individueel probleem, maar sociaal probleem
- Organisatie van de maatschappij zorgt zoo (extra) beperking
→ normalisatie en integratie:
- Mensen hebben recht op een plaats in de samenleving
- Aanpassingen nodig om de persoon met een beperking te laten deelnemen aan
gewone samenleving
- Zwaartepunt aanpassingen liggen bij persoon met beperking zelf: zo normaal
mogelijk gedragen
- Leren in speciale voorzieningen (aangepast onderwijs, therapieën)
- Vertrekt vanuit focus op mogelijkheden
→ kritiek:
- Wat is normaal, wie bepaald dit?
- Normalisatie is ook: behandel anderen zoals je zelf behandeld wil worden
- Normalisatie is niet bereikbaar in instellingen
→ positieve aspect:
- Klemtoon op mede mens, recht op zelfde leefwereld
- Evolueerde naar: mensenrechten, burgerschapsmodel, verdrag rechten van
personen met een handicap
Burgerschapsmodel: (vanaf jaren ’90)
- Even waardigheid, recht op plaats IN de samenleving, start vanuit gelijke rechten
- Legt accent op mensenrechten (integratie en inclusie)
- Maatschappelijke verantwoordelijkheid om hierin te ondersteunen
- Rechten maar ook plichten (emancipatie)
- Integratie, emancipatie, inclusie, vraag-gestuurde zorg, zelfbeschikking
- Belang van eigen wensen van personen met een beperking
- Hulpmiddelen zoals PAB en PVF
→ volwaardig burgerschap:
- Voor personen met een beperking moet de samenleving even toegankelijk zijn als
voor mensen zonder beperking
- Ieders behoeften als uitgangspunt voor het inrichten van onze samenleving
→ keuze en controle:
- Kans tot ontplooien van eigen mogelijkheden, leven in eigen handen nemen
- Maken van eigen keuzes
4
, → ondersteuning:
- Iemand toegang geven tot voor hem belangrijke kennis, middelen of relatie, nodig
om in de samenleving te wonen, leren, werken en recreëren
- Ondersteuning op maat
- Ondersteuning vanuit het sociale netwerk (ouders, familie, vrienden, buren, …)
- Ondersteuning vanuit het sociale vangnet (beroepsmatige zorgverleners)
→ kwaliteit van bestaan:
- Voor iedere burger een goed bestaan, afhankelijk van zijn/haar behoeften
- lichamelijk welbevinden, zelfbepaling, sociale inclusie, emotioneel
welbevinden, interpersoonlijke relaties, materieel welbevinden (Schalock)
1.3 Evoluties in visie op hulpverlening
1.3.1 Isolatie en segregatie
- ‘je mag niet meedoen omdat…’ (je een beperking hebt)
- instellingen waarin personen met een beperking samengebracht werden
- geïsoleerd uit de samenleving
- perspectief op terugkeer naar samenleving bestond vrijwel niet
- je leeft in een aparte omgeving, samen met andere personen met een beperking
Voorbeelden: maatwerkbedrijven (beschutte werkplaats), paralympische spelen
1.3.2 Normalisatie
- ‘zo gewoon mogelijk doen en slechts speciaal waar nodig’
- mensen met een beperking ‘genezen’
- Aanpassingen, hulpmiddelen, medicatie waarmee beperking kon worden
verholpen
Voorbeeld: schoenmakers en kleermakersscholen voor doofstommen (eigenheid werd
niet gezien)
5