verschijnselen op niveau van cel:
kwalitatieve variatie
1. Inleiding
- Willen we evolutie begrijpen, dan moeten we iets over DNA, genen en het
genoom kennen.
- Waarom genen bestuderen?
- Genetische variatie is immers de grondstof voor evolutie.
- De mens heeft een beperkt aantal genen → nooit meer dan 25.000 → is
verbazend weinig
- Vroeger dacht men dat de mens over 100.000 genen zou beschikken
- Er zijn soorten die kleiner zijn dan de mens, maar wel meer genen heeft
- Het aantal genen is niet verantwoordelijk voor complex gedrag, maar het is
eerder de wisselwerking ervan en de omgeving
2. GENETICA: EEN VLAG MET VELE LADINGEN
— Voor Mendel: veel foutieve ideeën over erfelijkheid
— Ten tijde van de publicatie had men geen idee, welke deeltjes overgeërfd
waren
— Men wist dat kinderen op hun ouders leken, maar hoe dit mogelijk
was wisten ze niet
1
,— G. Mendel: ‘eenheidsdeeltjes’
— Wist niet goed wat die waren
— de erfelijke factoren die eigenschappen bepalen en van ouders op
kinderen worden doorgegeven; vandaag weten we dat dit genen zijn.
— W. Johannsen: bedacht het begrip ‘gen’
— Jaren 30 bedacht
— een stukje DNA dat de informatie bevat voor een bepaalde eigenschap,
zoals oogkleur of haarkleur. Het bepaalt dus mee hoe een organisme
eruitziet en functioneert, omdat het de code bevat om eiwitten te maken
in het lichaam.
— Crick & Watson (en co): Ontdekten de dubbele helix
— KEY CONCEPT:
— Genen als ‘replicatoren’ (R. Dawkins)
— Genen = onsterfelijk
— Ze kopiëren zichzelf/ zichzelf repliceren
— Ze verspreiden zich in populaties
— Organismen = sterfelijke wezen
= de homunculus(kleine mens)
= hoe men vroeger dacht over het leven: er zit miss een kleine
mens in de geslachtscel
Dat idee helpt ons het determinisme te ontkrachten, omdat
het aantoont dat men vroeger dacht dat alles al volledig
vastlag vanaf het begin. Vandaag weten we dat ontwikkeling
niet gewoon het “uitgroeien” van een kant-en-klare mini-mens
is, maar een complex proces waarbij genen én
omgevingsfactoren een rol spelen. Dus: niet alles ligt volledig
en onveranderlijk vast.
2
,(a) Cellulaire en moleculaire genetica
- Genetica op niveau van de cel en molecule
- Leert ons iets over specifieke genen over sociaal en anti-sociaal gedrag
- genen coderen voor eiwitten
- is de tak van de genetica die bestudeert hoe erfelijke informatie in cellen is
opgebouwd en werkt. Ze onderzoekt hoe genen in het DNA zijn georganiseerd in
de cel en hoe die genen worden gebruikt om eiwitten te maken die
eigenschappen en functies van een organisme bepalen.
(b) Klassieke en Mendeliaanse genetica
- is de tak van de genetica die onderzoekt hoe eigenschappen volgens vaste
overervingspatronen van ouders op nakomelingen worden doorgegeven, zoals
beschreven door Gregor Mendel. Ze bestudeert onder andere dominante en
recessieve kenmerken en hoe die zichtbaar worden in volgende generaties.
- Stamboom (‘pedigree’) van verwante individuen
- Men kijkt nr het genetische materiaal van de biologische vader en moeder
- Je kan van dezelfde genen verschillende varianten erven
- Genen zitten op ons chromosoom
- Nagaan hoe kenmerken doorgegeven worden van de ene op de andere generatie.
- ‘Mendeliaans’ : kruisingsexperimenten van eenvoudige eigenschappen
(Mendel).
- Opzich niet toepasbaar op afwijkend gedrag, maar de basis ideeën zijn wel
belangrijk
3
, Deze afbeelding toont twee homologe chromosomen: één van de moeder en één van de
vader. Op dezelfde plaats op beide chromosomen ligt een locus, dat is de vaste plaats
van een gen.
Van elk gen heb je twee allelen: dat zijn verschillende versies van hetzelfde gen
(bijvoorbeeld R en r). Je krijgt één allel van je moeder en één van je vader. Samen vormen
die twee allelen je genotype voor dat kenmerk.
Als beide allelen gelijk zijn (bijvoorbeeld BB of dd), ben je homozygoot voor dat
kenmerk. Zijn de allelen verschillend (bijvoorbeeld Rr of Aa), dan ben je heterozygoot.
(c) Populatiegenetica
- is de tak van de genetica die onderzoekt hoe erfelijke eigenschappen en allelen
verdeeld zijn binnen een populatie en hoe die verdeling verandert over generaties.
Ze bestudeert processen zoals natuurlijke selectie, mutatie en toeval (genetische
drift) die invloed hebben op de genetische samenstelling van een groep
organismen.
- = bevorderingsgenetica
- Beschrijven van populaties in genetische termen.
- Hoevaak komt het voor en varieert het?
- Het leert ons hoe evolutie in de praktijk werkt
4