lOMoARcPSD|49532203
Gedownload door Kirsten ()
, lOMoARcPSD|49532203
Reproductieve geneeskunde – MEDISCHE BENADERING
Bij de mens: natuurlijke selectie tijdens het stadium van de vroege embryonale ontwikkeling en tijdens de
zwangerschap.
Bij vele andere dieren: natuurlijke selectie na de geboorte.
Jong vruchtbaar paar: per cyclus maximaal 20% kans om een zwangerschap te bekomen.
Vruchtbaarheid = relatief begrip, kan uitgedrukt worden in kans per cyclus op conceptie. Onvruchtbaarheid of
infertiliteit = wanneer een absolute onvruchtbaarheidsfactor kan worden vastgesteld bij de man of de vrouw (b.v.
een azoöspermie of tubaire ondoorgankelijkheid). Meestal verminderde vruchtbaarheid (subfertiliteit); belangrijkste
oorzaak: verschuiving leeftijd waarop vrouwen zwangerschap nastreven.
Vanaf 30 jaar: subtiele vermindering van de natuurlijke zwangerschapskans (vruchtbaarheid van de vrouw
vermindert snel vanaf 35 jaar).
H1: Situering
1.1 Definitie van subfertiliteit
Onderscheid tussen de onmogelijkheid tot conceptie (infertiliteit strictu sensu) en de onmogelijkheid om een levend
kind te baren (reproductive failure = o.a. vrouwen die lijden aan herhaald miskraam).
Vroeger: paar als onvruchtbaar beschouwd na twee jaar pogen om een zwangerschap te bekomen soms twee jaar
gewacht vooraleer een behandeling te starten.
Nu: verminderde vruchtbaarheid na één jaar.
Duur van de kinderwens is een belangrijk gegeven naarmate de periode waarin (nog) geen zwangerschap is
opgetreden langer wordt, neemt de kans op een ernstige stoornis toe.
Maandelijkse kans van 20% ongeveer 85% van alle koppels na een jaar zwanger. De 15% overblijvende koppels
worden dan als subfertiel beschouwd, nog bijna de helft hiervan zal in de loop van het tweede jaar een
zwangerschap bereiken.
Na drie jaar onbeschermde coïtus is de maandelijkse kans op conceptie gereduceerd tot ongeveer 3%.
1.2 De voorwaarden voor menselijke vruchtbaarheid
- Productie van normale gameten (spermatogenese en oögenese)
- Extrusie van mature gameten (ejaculatie en ovulatie)
- Samenkomst van de mannelijke en vrouwelijke gameten
- Penetratie van de zaadcel in de eicel
- Migratie en inplanting van de bevruchte eicel in de baarmoeder
1.3 Oorzaken van menselijke vruchtbaarheid
= Het niet aanwezig zijn van een of meerdere van genoemde voorwaarden.
- Oorzaak hoofdzakelijk bij de man = mannelijke subfertiliteit (30% van de gevallen)
- Oorzaak hoofdzakelijk bij de vrouw = vrouwelijke subfertiliteit (30% van de gevallen)
- 30% van de gevallen gecombineerd
- Bij 10% van de koppels wordt geen oorzaak gevonden = onverklaarde subfertiliteit Systematisch onderzoek
van de voorwaarden in de opgesomde volgorde is de leidraad om het vruchtbaarheidsonderzoek uit te
voeren:
1. Productie van gameten
a. Spermatogenese
Meestal kwantitatieve en/of kwalitatieve afwijkingen van het sperma.
1
Gedownload door Kirsten ()
, lOMoARcPSD|49532203
Totale afwezigheid van sperma = azoöspermie (uitzonderlijk).
3 belangrijke parameters bij de semenanalyse (ze moeten alle 3 normaal zijn):
- Concentratie van de zaadcellen (normaal > 15 milj/ml); lage concentratie = oligozoöspermie
- Beweeglijkheid (normaal > 40% progressief vooruit bewegend); te weinig = asthenozoöspermie
- Morfologie (normaal > 4% ideaal gevormde zaadcellen); onder de normale grens = teratozoöspermie
- Combinaties zijn mogelijk; als de semenkwaliteit uitermate slecht is gaat het meestal om een oligo-,
astheno-, teratozoöspermie
b. Oögenese
Afwezigheid van eicelrijping kan het gevolg zijn van primair ovariële stoornissen:
- Genetische syndromen (Turner syndroom, ovariële dysgenese)
- Endocriene factoren: zijn vatbaar voor behandeling (vb. PCOS, hypogonadotroop hypogonadisme)
2. Extrusie van mature gameten (ejaculatie en ovulatie)
a. Ejaculatie
Ejaculatiestoornissen: zeldzame oorzaak van infertiliteit.
Meestal: neurologische aandoeningen, diabetes (retrograde ejaculatie) en psychogene stoornissen.
b. Ovulatie
Ovulatiestoornissen: ongeveer 60% van de oorzaken van vrouwelijke subfertiliteit
- Anovulatie = als een vrouw in de vruchtbare fase van haar leven geen eisprong krijgt.
- Oligo-ovulatie = het niet regelmatig plaatsvinden van een eisprong in de vruchtbare levensfase.
3. Samenkomst van de mannelijke en vrouwelijke gameten
Zaadcellen en eicellen ontmoeten elkaar in het ampullair gedeelte van de eileider.
a. Stoornissen in de migratie van de zaadcel
- Congenitale of verworven obstructie van de mannelijke afvoerwegen vb. postinfectieus, congenitale
bilaterale afwezigheid van het vas deferens (CBAVD), post vasectomie
- Verminderd vermogen of onmogelijkheid van het sperma om in het cervixslijm op te zwemmen, vb.
door dysmucorroe, sperma antistoffen bij de man of bij de vrouw, stenose van de cervix,
asthenozoöspermie
- Hostiliteit ("vijandigheid"): stoornis van receptiviteit van het cervixslijm of ontoegankelijkheid van de
baarmoederholte (vb. massa in de baarmoeder, Asherman syndroom)
- Ondoorgankelijkheid van de tubae
b. Stoornissen in de migratie van de eicel
- Pick-up stoornis door tubaire stoornissen, endometriosis - Tubaire obstructie
- Destructie van het endotubair epitheel (postinfectieus)
4. Penetratie van de zaadcel in de eicel
- Stoornissen van de zaadcel (teratozoöspermie, asthenozoöspermie, acrosoomstoornissen)
- Stoornissen eicel (b.v. receptorstoornissen)
5. Migratie en inplanting van de bevruchte eicel in de baarmoeder
- Tubaire afwijkingen
- Gestoorde ontwikkeling van het endometrium
2
Gedownload door Kirsten ()
, lOMoARcPSD|49532203
H2: De reproductieve cyclus
Doel van de reproductieve cyclus = voortplanting.
2.1 Inleiding
Primordiale functie van het ovarium = productie van één rijpe eicel per cyclus. Hormonale veranderingen
hiermee gepaard zijn gericht op de voorbereiding van het vrouwelijk lichaam op conceptie en inplanting.
Ovarium is via zijn actieve eenheden (=follikels) een intrinsiek cyclisch functionerend orgaan. Bij gonadotrope
stimulus rijpingsduur follikel en levensduur corpus luteum elk ongeveer 14 dagen cyclus gemiddeld 28 dagen.
Gonadotrope stimulus, afkomstig van de hypofyse, wordt geactiveerd door de secretie van het Gonadotrofine
Releasing hormoon (GnRH) afkomstig van de hypothalamus.
Drijfkracht achter hypofyse en ovarium = intermittente of pulsatiele activiteit van de hypothalamus de hypofyse
ontvangt hormonale signalen van het ovarium en de GnRH pulsen afkomstig van de hypothalamus en geeft
luteïnizerend hormoon (LH) en follikelstimulerend hormoon (FSH) af in de gepaste verhouding hierdoor komt
slechts één eicel tot rijping.
Veel cyclusstoornissen door centrale invloeden zoals stress en vermagering belangrijke wisselwerking tussen de
hypothalamus en andere hersencentra.
2.2 De neuroendocriene componenten
GnRH
= Eiwithormoon met korte halveringstijd van slechts enkele minuten, gesynthetiseerd (zoals andere neuropeptiden)
als onderdeel van een groter precursor eiwit.
Wordt samen met een stuk van de precursor, het GAP (GnRH associated peptide), langs de axonen van de neuro-
endocriene cellen naar het portaal vaatstelsel gevoerd. GnRH neuronen bevinden zijn verspreid in de hypothalamus
met de grootste concentratie t.h.v. de nucleus arcuatus.
Het portaal vaatstelsel
De axonen van de GnRH neuronen monden uit nabij een capillair vaatbed, afkomstig van de a. hypofysialis superior,
die capillairen:
- Slingeren rond de axonale uiteinden intense neuro-vasculaire communicatie mogelijk
- Verenigen zich tot lange portale venen (een tiental) die langs de hypofysaire steel de hypofyse
bereiken
3
Gedownload door Kirsten ()
Gedownload door Kirsten ()
, lOMoARcPSD|49532203
Reproductieve geneeskunde – MEDISCHE BENADERING
Bij de mens: natuurlijke selectie tijdens het stadium van de vroege embryonale ontwikkeling en tijdens de
zwangerschap.
Bij vele andere dieren: natuurlijke selectie na de geboorte.
Jong vruchtbaar paar: per cyclus maximaal 20% kans om een zwangerschap te bekomen.
Vruchtbaarheid = relatief begrip, kan uitgedrukt worden in kans per cyclus op conceptie. Onvruchtbaarheid of
infertiliteit = wanneer een absolute onvruchtbaarheidsfactor kan worden vastgesteld bij de man of de vrouw (b.v.
een azoöspermie of tubaire ondoorgankelijkheid). Meestal verminderde vruchtbaarheid (subfertiliteit); belangrijkste
oorzaak: verschuiving leeftijd waarop vrouwen zwangerschap nastreven.
Vanaf 30 jaar: subtiele vermindering van de natuurlijke zwangerschapskans (vruchtbaarheid van de vrouw
vermindert snel vanaf 35 jaar).
H1: Situering
1.1 Definitie van subfertiliteit
Onderscheid tussen de onmogelijkheid tot conceptie (infertiliteit strictu sensu) en de onmogelijkheid om een levend
kind te baren (reproductive failure = o.a. vrouwen die lijden aan herhaald miskraam).
Vroeger: paar als onvruchtbaar beschouwd na twee jaar pogen om een zwangerschap te bekomen soms twee jaar
gewacht vooraleer een behandeling te starten.
Nu: verminderde vruchtbaarheid na één jaar.
Duur van de kinderwens is een belangrijk gegeven naarmate de periode waarin (nog) geen zwangerschap is
opgetreden langer wordt, neemt de kans op een ernstige stoornis toe.
Maandelijkse kans van 20% ongeveer 85% van alle koppels na een jaar zwanger. De 15% overblijvende koppels
worden dan als subfertiel beschouwd, nog bijna de helft hiervan zal in de loop van het tweede jaar een
zwangerschap bereiken.
Na drie jaar onbeschermde coïtus is de maandelijkse kans op conceptie gereduceerd tot ongeveer 3%.
1.2 De voorwaarden voor menselijke vruchtbaarheid
- Productie van normale gameten (spermatogenese en oögenese)
- Extrusie van mature gameten (ejaculatie en ovulatie)
- Samenkomst van de mannelijke en vrouwelijke gameten
- Penetratie van de zaadcel in de eicel
- Migratie en inplanting van de bevruchte eicel in de baarmoeder
1.3 Oorzaken van menselijke vruchtbaarheid
= Het niet aanwezig zijn van een of meerdere van genoemde voorwaarden.
- Oorzaak hoofdzakelijk bij de man = mannelijke subfertiliteit (30% van de gevallen)
- Oorzaak hoofdzakelijk bij de vrouw = vrouwelijke subfertiliteit (30% van de gevallen)
- 30% van de gevallen gecombineerd
- Bij 10% van de koppels wordt geen oorzaak gevonden = onverklaarde subfertiliteit Systematisch onderzoek
van de voorwaarden in de opgesomde volgorde is de leidraad om het vruchtbaarheidsonderzoek uit te
voeren:
1. Productie van gameten
a. Spermatogenese
Meestal kwantitatieve en/of kwalitatieve afwijkingen van het sperma.
1
Gedownload door Kirsten ()
, lOMoARcPSD|49532203
Totale afwezigheid van sperma = azoöspermie (uitzonderlijk).
3 belangrijke parameters bij de semenanalyse (ze moeten alle 3 normaal zijn):
- Concentratie van de zaadcellen (normaal > 15 milj/ml); lage concentratie = oligozoöspermie
- Beweeglijkheid (normaal > 40% progressief vooruit bewegend); te weinig = asthenozoöspermie
- Morfologie (normaal > 4% ideaal gevormde zaadcellen); onder de normale grens = teratozoöspermie
- Combinaties zijn mogelijk; als de semenkwaliteit uitermate slecht is gaat het meestal om een oligo-,
astheno-, teratozoöspermie
b. Oögenese
Afwezigheid van eicelrijping kan het gevolg zijn van primair ovariële stoornissen:
- Genetische syndromen (Turner syndroom, ovariële dysgenese)
- Endocriene factoren: zijn vatbaar voor behandeling (vb. PCOS, hypogonadotroop hypogonadisme)
2. Extrusie van mature gameten (ejaculatie en ovulatie)
a. Ejaculatie
Ejaculatiestoornissen: zeldzame oorzaak van infertiliteit.
Meestal: neurologische aandoeningen, diabetes (retrograde ejaculatie) en psychogene stoornissen.
b. Ovulatie
Ovulatiestoornissen: ongeveer 60% van de oorzaken van vrouwelijke subfertiliteit
- Anovulatie = als een vrouw in de vruchtbare fase van haar leven geen eisprong krijgt.
- Oligo-ovulatie = het niet regelmatig plaatsvinden van een eisprong in de vruchtbare levensfase.
3. Samenkomst van de mannelijke en vrouwelijke gameten
Zaadcellen en eicellen ontmoeten elkaar in het ampullair gedeelte van de eileider.
a. Stoornissen in de migratie van de zaadcel
- Congenitale of verworven obstructie van de mannelijke afvoerwegen vb. postinfectieus, congenitale
bilaterale afwezigheid van het vas deferens (CBAVD), post vasectomie
- Verminderd vermogen of onmogelijkheid van het sperma om in het cervixslijm op te zwemmen, vb.
door dysmucorroe, sperma antistoffen bij de man of bij de vrouw, stenose van de cervix,
asthenozoöspermie
- Hostiliteit ("vijandigheid"): stoornis van receptiviteit van het cervixslijm of ontoegankelijkheid van de
baarmoederholte (vb. massa in de baarmoeder, Asherman syndroom)
- Ondoorgankelijkheid van de tubae
b. Stoornissen in de migratie van de eicel
- Pick-up stoornis door tubaire stoornissen, endometriosis - Tubaire obstructie
- Destructie van het endotubair epitheel (postinfectieus)
4. Penetratie van de zaadcel in de eicel
- Stoornissen van de zaadcel (teratozoöspermie, asthenozoöspermie, acrosoomstoornissen)
- Stoornissen eicel (b.v. receptorstoornissen)
5. Migratie en inplanting van de bevruchte eicel in de baarmoeder
- Tubaire afwijkingen
- Gestoorde ontwikkeling van het endometrium
2
Gedownload door Kirsten ()
, lOMoARcPSD|49532203
H2: De reproductieve cyclus
Doel van de reproductieve cyclus = voortplanting.
2.1 Inleiding
Primordiale functie van het ovarium = productie van één rijpe eicel per cyclus. Hormonale veranderingen
hiermee gepaard zijn gericht op de voorbereiding van het vrouwelijk lichaam op conceptie en inplanting.
Ovarium is via zijn actieve eenheden (=follikels) een intrinsiek cyclisch functionerend orgaan. Bij gonadotrope
stimulus rijpingsduur follikel en levensduur corpus luteum elk ongeveer 14 dagen cyclus gemiddeld 28 dagen.
Gonadotrope stimulus, afkomstig van de hypofyse, wordt geactiveerd door de secretie van het Gonadotrofine
Releasing hormoon (GnRH) afkomstig van de hypothalamus.
Drijfkracht achter hypofyse en ovarium = intermittente of pulsatiele activiteit van de hypothalamus de hypofyse
ontvangt hormonale signalen van het ovarium en de GnRH pulsen afkomstig van de hypothalamus en geeft
luteïnizerend hormoon (LH) en follikelstimulerend hormoon (FSH) af in de gepaste verhouding hierdoor komt
slechts één eicel tot rijping.
Veel cyclusstoornissen door centrale invloeden zoals stress en vermagering belangrijke wisselwerking tussen de
hypothalamus en andere hersencentra.
2.2 De neuroendocriene componenten
GnRH
= Eiwithormoon met korte halveringstijd van slechts enkele minuten, gesynthetiseerd (zoals andere neuropeptiden)
als onderdeel van een groter precursor eiwit.
Wordt samen met een stuk van de precursor, het GAP (GnRH associated peptide), langs de axonen van de neuro-
endocriene cellen naar het portaal vaatstelsel gevoerd. GnRH neuronen bevinden zijn verspreid in de hypothalamus
met de grootste concentratie t.h.v. de nucleus arcuatus.
Het portaal vaatstelsel
De axonen van de GnRH neuronen monden uit nabij een capillair vaatbed, afkomstig van de a. hypofysialis superior,
die capillairen:
- Slingeren rond de axonale uiteinden intense neuro-vasculaire communicatie mogelijk
- Verenigen zich tot lange portale venen (een tiental) die langs de hypofysaire steel de hypofyse
bereiken
3
Gedownload door Kirsten ()