Insolventierecht
2025-2026
1
, INSOLVENTIERECHT
Examen: meerkeuze met giscorrectie + open vragen
DEEL I: VERMOGEN & VERHAAL
Insolventie = onvermogen om al je SE’s te betalen
DE SUMMA DIVISIO: ZAKELIJKE VS. PERSOONLIJKE RECHTEN
➔ Zakelijk recht = recht op een goed
➔ Persoonlijk recht = recht op een prestatie
ZAKELIJK RECHT
Van belang bij insolventie :
1) Werking erga omnes - Eigendomsrecht:
revindicatie
a. Prioriteitsregel: bij conflict tussen meerdere zaken geldt
- Zakelijk zekerheid:
anterioriteit * Afscheidingsrecht
2) Volgrecht (‘separatistenpositie’) =
a. Waar het goed zich ook bevindt, je kunt het revindiceren recht om individueel te
i. Niet-tegenwerpelijkheid van strijdige rechten executeren
3) Numerus clausus * ALS dit aan banden is
gelegd: minstens
a. Zakelijke rechten = opgesomd in de wet < art 3.3 BW
afzonderingsrecht = apart
i. Je kan niet zelf nieuwe zakelijke rechten uitvinden ‘afrekenen’; betaald bij
4) Vereisten gesteld aan voorwerp van zakelijk recht voorrang
a. Handhaafbaar door: zakelijke subrogatie
➔ Rousseau: “de eerste mens die stukje grond afbakende & zei dit is van mij = stichter vd maatschappij”
o Zakelijk recht = je hebt goed & hebt hier recht op (‘het is van mij, blijf eraf!’)
➔ Gevolgen:
o 1) Anterioriteit: de eerste die het goed heeft = eigenaar
o 2) Volgrecht: de eigenaar kan het goed volgen naar degene naar wie het is overgedragen
▪ = bescherming tav onterechte acties van 3den tav jouw goed
▪ Vb: bij eigendomsrecht -> revindicatie = uitoefening vh volgrecht door de eigenaar
• Vb: iemand verkoopt jouw goed zonder eigenaar te zijn -> eigendomsrecht
impliceert volgrecht (revindicatiemogelijkheid)
• Vb: blote eigenaar kan niet volle eigendom verkopen, want ≠ eigenaar vh
vruchtgebruik -> volgrecht
▪ Bij zakelijke zekerheidsrechten: volgrecht in strikte zin vh woord
• = rechten specifiek gemaakt voor situatie van samenloop bij insolventieprobleem
2
, o Vb: je hebt hypotheek op OG -> zonder jouw medeweten verkocht ->
nieuwe eigenaar moet hypotheekrecht erkennen (volgrecht)
o Vb: pand -> volgt goed
• ALS insolventie: zakelijk zekerheidsrecht geeft: afzonderings- & evt
afscheidingsrecht
o Afscheidingsrecht
▪ = SE heeft het recht om onderpand te verzilveren & de goederen
buiten de boedel te houden (dus niet achteraan aanschuiven igv
samenloop)
▪ Vb: pandrecht
▪ Vb: bank geeft krediet van 100, maar wil in ruil hypotheek van
100 op OG (bedrijfspand)
• Onderneming = in default (betaalt krediet niet terug) ->
opeisbare schuld ≠ voldaan
o Onderneming kan het niet betalen, dus
insolventiesituatie -> onderneming gaat failliet
▪ STEL: hypotheek = geldig &
tegenwerpelijk -> bank kan bepalen zelf
bedrijfspand te verkopen
-> WANT = zekerheidshoudende SE (nl.
hypotheekhouder)
-> Alsof er geen SA was ->
hypotheekhouder heeft eigen recht op
executie (nl. hier: verkoop van
onderpand), zonder dat je je vd
algemene samenloop (nl. hier:
faillissement, dus acties vd curator)
moet aantrekken
▪ = deels aan banden gelegd: curator gaat toch best goed
verkopen (toch rekening houden met faillissement)
• Want wetgever vindt het beter om gezamenlijk te
executeren (voor behoud vd going concern value)
• MAAR zekerheidshoudende SE heeft in elk geval
afzonderingsrecht (= recht op afrekening)
o = liquidatie vd miniboedel (nl. hier: goed waarop
hypotheekrecht) & pas als er over schiet gaat
dat naar de algemene boedel (vd andere SE’s)
▪ Eerst eigen goed afrekenen (vb: 100 ->
stel goed voor 100 verkocht: niks voor
anderen meer, maar ALS voor 150
verkocht -> 50 over, dus voor anderen)
-> Voorrang op andere SE’s (‘ik eerst
betaald, nadien pas jullie’)
o DUS: houder van zakelijk zekerheidsrecht heeft niet per se ‘enkel
voorrang’ (< afzonderingsrecht), maar kan soms ook individueel
executeren; ‘dit is van mij’ (< afscheidingsrecht)
▪ = SE BUITEN de boedel
• In faillissementsboedel zitten alle goederen vd
gefailleerde, maar heeft op bepaalde goederen een
3
, zakelijk zekerheidsrecht, dus mag toch individueel
executeren
▪ Uitgangspositie = separatistenpositie
• MAAR in realiteit meestal toch eerst curator laten doen
o DUS ook het goed waarop zakelijk
zekerheidsrecht ligt, wordt dan verkocht
▪ Dan: SE met zakelijk zekerheidsrecht
komt als eerst aan bod voor betaling vd
som waarop hij recht heeft (= betaling
bij voorrang < afzonderingsrecht)
▪ DUS: zakelijk zekerheidsrecht = MINSTENS een recht van
voorrang van betaling (meestal wel meer, nl. toch individueel
executeren)
= onbevoegd om ZR uit te oefenen
➔ Vb: ik heb vruchtgebruik (= ZR), dus blote eigenaar kan niet
volle eigendom overdragen (= BOB)
➔ Vb: ik heb pandrecht (= ZR), dus eigenaar kan het niet volle eigendom vh goed overdragen (= BOB)
BESCHIKKEN
= de ZAKENRECHTELIJKE TOESTAND vh goed WIJZIGEN
= eigendom overdragen of een zakelijk zekerheidsrecht op het goed vestigen
➔ MAAR soms bescherming van 3den die te GT verkrijgen van BOB
o DUS soms 3de-verkrijgers = beschermd (‘ookal was jij eerst, ga ik toch voor’)
▪ Moet erkend worden door niet-3de (zakenrechtelijk wint hij)
▪ Gevolg: anterioriteit valt weg
o Nl. door:
▪ 1) RG: bezit te GT verkregen onder bezwarende titel
• = (feitelijk) bezit geldt als titel
• Vb: je steelt een fles & verkoopt die op EBAY
o 3de krijgt de fles te GT in feitelijk bezit onder bezwarend titel
o DUS: bescherming < art 3.28 BW
▪ Gevolg: rechtmatige eigenaar kan zijn volgrecht niet meer
uitoefenen
• DUS: volgrecht eigen aan het ZR botst hiermee
▪ 2) OG: te GT overschrijving in hypotheekkantoor
4
2025-2026
1
, INSOLVENTIERECHT
Examen: meerkeuze met giscorrectie + open vragen
DEEL I: VERMOGEN & VERHAAL
Insolventie = onvermogen om al je SE’s te betalen
DE SUMMA DIVISIO: ZAKELIJKE VS. PERSOONLIJKE RECHTEN
➔ Zakelijk recht = recht op een goed
➔ Persoonlijk recht = recht op een prestatie
ZAKELIJK RECHT
Van belang bij insolventie :
1) Werking erga omnes - Eigendomsrecht:
revindicatie
a. Prioriteitsregel: bij conflict tussen meerdere zaken geldt
- Zakelijk zekerheid:
anterioriteit * Afscheidingsrecht
2) Volgrecht (‘separatistenpositie’) =
a. Waar het goed zich ook bevindt, je kunt het revindiceren recht om individueel te
i. Niet-tegenwerpelijkheid van strijdige rechten executeren
3) Numerus clausus * ALS dit aan banden is
gelegd: minstens
a. Zakelijke rechten = opgesomd in de wet < art 3.3 BW
afzonderingsrecht = apart
i. Je kan niet zelf nieuwe zakelijke rechten uitvinden ‘afrekenen’; betaald bij
4) Vereisten gesteld aan voorwerp van zakelijk recht voorrang
a. Handhaafbaar door: zakelijke subrogatie
➔ Rousseau: “de eerste mens die stukje grond afbakende & zei dit is van mij = stichter vd maatschappij”
o Zakelijk recht = je hebt goed & hebt hier recht op (‘het is van mij, blijf eraf!’)
➔ Gevolgen:
o 1) Anterioriteit: de eerste die het goed heeft = eigenaar
o 2) Volgrecht: de eigenaar kan het goed volgen naar degene naar wie het is overgedragen
▪ = bescherming tav onterechte acties van 3den tav jouw goed
▪ Vb: bij eigendomsrecht -> revindicatie = uitoefening vh volgrecht door de eigenaar
• Vb: iemand verkoopt jouw goed zonder eigenaar te zijn -> eigendomsrecht
impliceert volgrecht (revindicatiemogelijkheid)
• Vb: blote eigenaar kan niet volle eigendom verkopen, want ≠ eigenaar vh
vruchtgebruik -> volgrecht
▪ Bij zakelijke zekerheidsrechten: volgrecht in strikte zin vh woord
• = rechten specifiek gemaakt voor situatie van samenloop bij insolventieprobleem
2
, o Vb: je hebt hypotheek op OG -> zonder jouw medeweten verkocht ->
nieuwe eigenaar moet hypotheekrecht erkennen (volgrecht)
o Vb: pand -> volgt goed
• ALS insolventie: zakelijk zekerheidsrecht geeft: afzonderings- & evt
afscheidingsrecht
o Afscheidingsrecht
▪ = SE heeft het recht om onderpand te verzilveren & de goederen
buiten de boedel te houden (dus niet achteraan aanschuiven igv
samenloop)
▪ Vb: pandrecht
▪ Vb: bank geeft krediet van 100, maar wil in ruil hypotheek van
100 op OG (bedrijfspand)
• Onderneming = in default (betaalt krediet niet terug) ->
opeisbare schuld ≠ voldaan
o Onderneming kan het niet betalen, dus
insolventiesituatie -> onderneming gaat failliet
▪ STEL: hypotheek = geldig &
tegenwerpelijk -> bank kan bepalen zelf
bedrijfspand te verkopen
-> WANT = zekerheidshoudende SE (nl.
hypotheekhouder)
-> Alsof er geen SA was ->
hypotheekhouder heeft eigen recht op
executie (nl. hier: verkoop van
onderpand), zonder dat je je vd
algemene samenloop (nl. hier:
faillissement, dus acties vd curator)
moet aantrekken
▪ = deels aan banden gelegd: curator gaat toch best goed
verkopen (toch rekening houden met faillissement)
• Want wetgever vindt het beter om gezamenlijk te
executeren (voor behoud vd going concern value)
• MAAR zekerheidshoudende SE heeft in elk geval
afzonderingsrecht (= recht op afrekening)
o = liquidatie vd miniboedel (nl. hier: goed waarop
hypotheekrecht) & pas als er over schiet gaat
dat naar de algemene boedel (vd andere SE’s)
▪ Eerst eigen goed afrekenen (vb: 100 ->
stel goed voor 100 verkocht: niks voor
anderen meer, maar ALS voor 150
verkocht -> 50 over, dus voor anderen)
-> Voorrang op andere SE’s (‘ik eerst
betaald, nadien pas jullie’)
o DUS: houder van zakelijk zekerheidsrecht heeft niet per se ‘enkel
voorrang’ (< afzonderingsrecht), maar kan soms ook individueel
executeren; ‘dit is van mij’ (< afscheidingsrecht)
▪ = SE BUITEN de boedel
• In faillissementsboedel zitten alle goederen vd
gefailleerde, maar heeft op bepaalde goederen een
3
, zakelijk zekerheidsrecht, dus mag toch individueel
executeren
▪ Uitgangspositie = separatistenpositie
• MAAR in realiteit meestal toch eerst curator laten doen
o DUS ook het goed waarop zakelijk
zekerheidsrecht ligt, wordt dan verkocht
▪ Dan: SE met zakelijk zekerheidsrecht
komt als eerst aan bod voor betaling vd
som waarop hij recht heeft (= betaling
bij voorrang < afzonderingsrecht)
▪ DUS: zakelijk zekerheidsrecht = MINSTENS een recht van
voorrang van betaling (meestal wel meer, nl. toch individueel
executeren)
= onbevoegd om ZR uit te oefenen
➔ Vb: ik heb vruchtgebruik (= ZR), dus blote eigenaar kan niet
volle eigendom overdragen (= BOB)
➔ Vb: ik heb pandrecht (= ZR), dus eigenaar kan het niet volle eigendom vh goed overdragen (= BOB)
BESCHIKKEN
= de ZAKENRECHTELIJKE TOESTAND vh goed WIJZIGEN
= eigendom overdragen of een zakelijk zekerheidsrecht op het goed vestigen
➔ MAAR soms bescherming van 3den die te GT verkrijgen van BOB
o DUS soms 3de-verkrijgers = beschermd (‘ookal was jij eerst, ga ik toch voor’)
▪ Moet erkend worden door niet-3de (zakenrechtelijk wint hij)
▪ Gevolg: anterioriteit valt weg
o Nl. door:
▪ 1) RG: bezit te GT verkregen onder bezwarende titel
• = (feitelijk) bezit geldt als titel
• Vb: je steelt een fles & verkoopt die op EBAY
o 3de krijgt de fles te GT in feitelijk bezit onder bezwarend titel
o DUS: bescherming < art 3.28 BW
▪ Gevolg: rechtmatige eigenaar kan zijn volgrecht niet meer
uitoefenen
• DUS: volgrecht eigen aan het ZR botst hiermee
▪ 2) OG: te GT overschrijving in hypotheekkantoor
4