Medische microbiologie:
= leer vd menselijke pathogenen, die MO die ons ziek knn maken (= ziektekiemen)
Inleiding tot infectie ziekten
Microbiologie diagnostisch onderzoek: MO knn ook nuttig zijn: bodembevuiling, productie
bier, kaas, ….
Pathogenen v menselijk lichaam
= verwekkers infectieuze ziekten; menselijke ziektekiemen; pathogenen
o Prionen (x levend, kan niet vermenigvuldigen)
o Virussen (x levend, kan niet vermenigvuldigen)
->Ze knn wel heel ziek maken
o Bacteriën
o Schimmels en gisten
o Parasieten
Protozoa (ééncelligen)
Metazoa (insecten (geleedpotigen), wormen)
Indelen volgens grootte:
o Macroscopisch > 0.2mm = blote oog (metazoa)
o Microscopisch 0.2um – 0.2 mm = x blote oog
= bacteriën, schimmels en gisten, protozoa
o Submicroscopisch < 0.2um = niet met gewone
microscoop = virussen, (prionen)
Relaties tss MO en gastheer (samenlevingsvormen)
Mutualisme (symbiose): = Er zijn ook MO die een voordeel hebben vr
ons en de gastheer vb. bacteriën in darmen die vitamine produceren die wij
nodig hebben en zij knn onze voedingsstoffen gebruiken
Commensalisme: = MO die op of in gastheer leven, de gastheer heeft er geen voordeel van en
ook geen nadeel van.
Parasitisme: = MO richt schade aan de gastheer (deze maken ons ziek)
Saprofytisme: = MO die leven op dood materiaal, zijn MO die M niet ziek knn maken mr ze knn
wel bep M ziek maken, M met een zwak immuunsysteem
Bacteriologie
Bouw en morfologie
1 – 10um (-> lichtmicroscoop, niet blote oog)
Knn opdelen obv vorm:
o Sferisch ->coccus
o Staafvormig -> bacillus
o Spiraal- of kurkentrekkervormig -> spriril of spirocheet
o Kommavormig -> vibrio
o Doosvormig of rechthoekig
Bacteriën knn clusteren: Diplo- (2), Strepto- (ketting), Tetrade- (4), Stafylo- (trosjes)
, Bacterie = prokaryote cel (x duidelijke
kern)
Celmembraan: uit fosfolipiden
Celwand: buitenkant = belangrijk en
bestaat uit peptidoglycaan = vormt
harnas rond cel (bescherming tgn
osmolyse) Als wij met geneesmiddelen
celwand knn vernietigen knn we hem
ook vernietigen mr onze cellen gaat er
niet kapot van
Slijmkapsel: buiten de cel, extra
bescherming
Flagel: Sommige MO knn zich voort
bewegen. Soms zien we kleine/korte
draadjes uit steken uit membraan.
Deze zijn Pili of Fimbri, gebruikt
bacterie om zich ergens aan vast te
hechten
Cytoplasma: x kern, hbbn ook DNA
(draagt dus genen) dit zit vrij in
cytoplasma drm = ‘genofoor’
Plasmide: extra stukken DNA naast
genofoor, kan zijn om giftige stof aan
te maken. Op plasmide staat gen wrdr
bacterie resistend w. Het kan eiwit
aanmaken dat antibioticum afbreekt
Ribosomen: Dienen vr het aanmaak v
eiwitten (=eiwitsynthese) (enige
Je kan bacteriën opsplitsen in 2 groepen: onder
microscoop ga je bacterie moeten kleuren, hierbij kan je
onderscheid maken tss bacterie, dit heeft te maken met zijn
wand:
Gram positieve bacteriën: dikke celwand, celmembraan
Gram negatieve bacteriën: ook celmembraan, celwand (veel
dunner), heeft een binnenmembraan, dunne celwand en dan
buitenmembraan (hier zitten stoffen = endotoxines)
Het verschil = celwand dunner is en dat je 2de membraan hebt
met endotoxines
Er zijn bacteriën die sporen knn vormen:
Als omgeving ongunstig w vb. Geen water, dan gaat hij in
overlevingsmodus (=sporen)
Geen actief metabolisme
Dikke wand
Genetisch materiaal w omringt dr sporen mantel, het is een overlevingsvorm die
bestand is tgn vb. hoge temp, ontsmettingsmiddel.
Deze sporen zijn heel weerstandig, als deze sporen in omgeving komen waar
omstandigheden weer oke zijn kan daar een actieve bacterie uit groeien