examenantwoorden)
1. Wanneer ontstaat het wetenschappelijk criminologisch denken?
Het denken over criminaliteit en bestraffing is van alle tijden, maar
criminologisch wetenschappelijk denken is dat niet. Wetenschappelijke
kennis over criminaliteit is recent en specifiek. Ze ontstaat op het einde
van de 19de eeuw, in de post-Verlichtingsperiode, en hangt samen met
politieke, maatschappelijke en economische ontwikkelingen en met de
opkomst van de moderne natiestaat. Publicaties over criminaliteit,
gevangenissen en de eerste congressen over criminele antropologie in de
tweede helft van de 19e eeuw markeren deze periode.
2. Geef enkele kenmerken van wetenschappelijk denken
- Wetenschappelijke kennis is abstracte kennis die op een systematische,
objectieve en logische wijze verkregen en getoetst werd of toetsbaar is ,
en die een zo precies mogelijk omschreven deel van de werkelijkheid
verklaart of tracht te verklaren.
- zoekend waarnemen: doel van de wetenschap is om te kunnen isoleren
en afbakenen anders is er veel chaos. Daardoor blijft er wel veel informatie
achterwegen. Het heeft dus een selectieve focus.
- falsificatie en reproduceerbaarheid: wetenschappelijke kennis is tijdelijk
zolang ze niet gefalsificeerd wordt. Zolang het niet gefalsificeerd wordt
moet de kennis dus reproduceerbaar zijn.
- controle en toetsing: wetenschappelijke kennis is het resultaat van een
collectief proces en moet toetsbaar zijn voor anderen.
3. Wat bedoelen we met “zoekend waarnemen”?
Wetenschappelijk denken is “zoekend” waarnemen. Wetenschappelijk
denken betekent waarnemen, en waarnemen is handelen: doen, bevragen,
meten, observeren en tellen. Dat zoeken gebeurt op een georganiseerde
manier, gestuurd door een vraagstelling. Zoekend waarnemen:
zoeklichttheorie van Popper (vuurtoren), tunnelvisie, isoleren= afbakenen,
waardoor wetenschappelijk denken altijd selectief is. Die selectiviteit is
tegelijk een sterkte (focus) en een zwakte, omdat de onderzochte
werkelijkheid complex is en er altijd een deel wordt weggelaten. Afh van
de onderzoeksvraag, waar onderzoeker focus op legt.
4. Waarom is de scheiding tussen subject en object problematisch
in de sociale wetenschappen?
De klassieke visie op wetenschap veronderstelt een scheiding tussen
subject en object, waarbij de onderzoeker buiten het onderzoeksobject
staat. Dit leidt tot othering. In de sociale wetenschappen is dit
problematisch omdat het onderzoeksobject de mens is. (spiegel
voorgehouden) De mens is niet alleen object, maar ook subject: hij
interpreteert, geeft betekenis en reageert. Daardoor wordt volledige
afstand en objectivering moeilijk.
5. Welke drie premissen kenmerken de klassieke visie op
wetenschap?
,De klassieke visie op wetenschap is gebaseerd op het model van de
natuurwetenschappen en het positivisme. Ze vertrekt van drie premissen.
Ten eerste wordt orde en rationaliteit in de werkelijkheid verondersteld: de
werkelijkheid volgt wetmatigheden en wat verklaard wordt, is al aanwezig.
Ten tweede gaat men uit van de mens als enig kennend wezen, wat wijst
op een antropocentrische visie op kennis. Ten derde wordt een scheiding
verondersteld tussen subject en object, waarbij de onderzoeker buiten het
onderzoeksobject staat.
6. Wetenschap is een praktijk van handelen. Welke kenmerken
heeft deze praktijk?
Wetenschap, of kennisproductie, is een praktijk van handelen. Ze wordt
gekenmerkt door het voortbouwen op bestaande kennis via falsificatie en
door een vragende, problematiserende houding ten aanzien van het
onderzoeksobject. Wetenschappelijk denken vereist het systematisch
stellen van juiste vragen en het systematisch uitvoeren van handelingen
als oplossingsprocedure. Alle waarnemingen moeten onvoorwaardelijk
worden meegenomen. Waarnemingen worden logisch geordend,
geclassificeerd en gelabeld, waarna classificaties worden geordend tot
begrippen (kwalificatie). Wetenschap beweegt zich van het particuliere
naar het algemene en terug en wordt gekenmerkt door controverse:
beweringen doen die controleerbaar zijn door/voor andere
(peers)=toetsbaarheid (doelstelling is getoetste/harde kennis)->opent
dialoog en zorgt voor verificatie.
7. Hoe wordt wetenschappelijke kennis omschreven?
Wetenschappelijke kennis is abstracte kennis die op een systematische,
objectieve en logische wijze verkregen en getoetst werd, of toetsbaar is.
Ze verklaart of tracht te verklaren een zo precies mogelijk omschreven
deel van de werkelijkheid.
8. Wat verstaan we onder de criminologische verbeelding?
De criminologische verbeelding verwijst naar het vermogen om van het
particuliere naar het algemene te gaan en terug. Ze houdt een
voortdurende beweging in tussen veralgemening en vereenvoudiging en
maakt het mogelijk om individuele ervaringen (micro) te verbinden met
bredere maatschappelijke structuren (macro). In de criminologie betekent
dit dat criminaliteit niet enkel als individueel falen wordt gezien, maar als
een sociaal fenomeen dat moet worden verklaard vanuit de SL
9. Welke socioloog ligt aan de basis van het idee van
“verbeelding”?
Het idee van de verbeelding is afkomstig van C. Wright Mills, die sprak
over de sociologische verbeelding. Dit concept wordt in de criminologie
overgenomen als de criminologische verbeelding.
10. Waarom is historiciteit van wetenschappelijke kennis
belangrijk?
Het is belangrijk de historiciteit van wetenschappelijke kennis niet te
vergeten omdat wetenschappelijke kennis een ontstaansgeschiedenis
, heeft en historisch gesitueerd is. Wetenschappelijke kennis ontstaat steeds
in een bepaalde maatschappelijke, politieke en wetenschappelijke context.
Door deze historiciteit te erkennen, wordt duidelijk dat wetenschappelijke
kennis geen vanzelfsprekend of tijdloos gegeven is, maar het resultaat van
specifieke historische omstandigheden en kennispraktijken.
11. Plaats drie kritische bedenkingen bij de klassieke visie op
wetenschap
Een eerste kritiek betreft het experiment: het sociale onderzoeksobject is
niet in een laboratorium te isoleren, waardoor hard bewijs onmogelijk is.
Een tweede kritiek betreft het onderzoeksobject zelf: de mens is een
recalcitrant object en tegelijk subject. Een derde kritiek betreft de
oncontroleerbaarheid van de sociale wereld buiten het lab en het daarmee
samenhangende interpretatieprobleem.
14. WE kennis is nooit in absolute zin definitief. Hoezo?
Wetenschappelijke kennis is constant in beweging door
toetsing/falsificatie/op de proefstelling. Wetenschappelijke kennis is iets
tijdelijk en dus niet definitief. Het is nimmer definitief bewezen en daarom
nooit voor eens en altijd waar. Er wordt vaak gebruik gemaakt van
voorspellingen en kansberekeningen en dat gaat niet altijd gepaard met
de waarheid, waardoor we ook niet zeker zijn of dit in de toekomst wel nog
van toepassing zal zijn.
12. Wat bedoelt Bruno Latour met “objectiteit”?
Latour stelt dat het in wetenschap niet om objectiviteit gaat, maar om
objectiteit. Dat betekent dat men over een onderzoeksobject enkel kan
zeggen wat het object toelaat om te zeggen. De onderzoeker moet het
object respecteren, niet manipuleren en ruimte laten zodat het object kan
spreken, ook wanneer dit niet samenvalt met de onderzoeksvraag.
13. collectieve karakter van kennis, door voortdurend op de
proefstelling
- kennisproductie altijd in het collectieve plaatsen
- uitspraken moet continu op de proef worden gesteld
- je positioneert je tov andere onderzoekers, vragen, verbeteren..
- je staat er niet buiten, maar je draagt bij aan collectieve
13. Volgens Merton: welke vier normatieve principes kenmerken
wetenschap?
Volgens Merton wordt wetenschappelijk handelen gestuurd door vier
normatieve principes. Communalisme houdt in dat kennis een collectief
goed is (moet toegankelijk zijn<->betaalmuur). Universalisme betekent
dat kennis beoordeeld wordt op basis van inhoud en niet op basis van de
persoon. Belangenloosheid vereist dat onderzoekers handelen zonder
eigen- of groepsbelang. Georganiseerde scepsis verwijst naar de
voortdurende kritische toetsing van kennis door peers. Stimuleert een
open dialoog en zorgt voor verificatie
14. Waarom is wetenschappelijke kennis nooit definitief?
Wetenschappelijke kennis is constant in beweging. Ze blijft vatbaar voor
toetsing, falsificatie en op-de-proefstelling. Consensus is altijd tijdelijk en