Twee doelen oplegging van straf:
- Vergelding (de straf voelbaar maken doormiddel van een geldboete of gevangenisstraf)
- Preventie (strafoplegging moet ertoe leiden dat minder mensen strafbare feiten plegen)
- Speciale preventie = de dader zal volgende keer wel twee keer nadenken voordat hij nog
zoiets doet. (voorkomen of ontmoedigen)
- Generale preventie = De gestrafte moet andere potentiële wetsovertreders afschrikken.
Drie delen van het strafrecht:
- Materieel strafrecht (wat is een strafbaar feit, Wetboek van Strafrecht)
- Formeel strafrecht (welke regels moeten worden gevolgd wanneer een norm van het
materiele strafrecht is overtreden, Wetboek van Strafvordering)
- Sanctierecht (voorwaarden waaronder bepaalde straffen mogen worden opgelegd en ten
uitvoer gelegd, Wetboek van Strafrecht en Wetboek van Strafvordering)
Strafbepaling:
- Delictsomschrijving (welk ongewenst gedrag wordt strafbaar gesteld)
- Kwalificatie-aanduiding (hoe wordt dit gedrag juridisch genoemd)
- Strafbepaling (welke straf mag bij dit gedrag worden opgelegd)
Formele delicten staan omschreven als een handeling
Materiële delicten veroorzaken een gevolg, ook wel gevolgsdelicten (doodslag)
Commissiedelicten = feiten die een actief handelen veronderstellen
Omissiedelicten = feiten die worden gepleegd door nalaten (iets niet doen waardoor het strafbaar is)
Oneigenlijk omissiedelict = een commissiedelict die wordt gepleegd door nalaten
Gekwalificeerd delict = gronddelict met extra bestanddeel = strafverzwarend
Geprivilegieerd delict = gronddelict met extra bestanddeel = strafverminderend
Causaliteitstheorieën:
- Conditio sine qua non (als er een schakel ontbreekt zou het gevolg van de gebeurtenis uit
blijven)
- Causa-proximaleer (de veroorzakende factor die het dichtst bij het gevolg ligt, moet als
oorzaak gelden)
- Voorzienbaarheidsleer (een handeling had als gevolg dat deze voorzienbaar was)
, Iemand is verdachte als er een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit is. het
vermoeden moet gebaseerd zijn op grond van objectiveerbare feiten en omstandigheden.
Rechten van een verdachte:
- Zwijgrecht
Nemo teneturbeginsel (niemand mag gedwongen worden aan zijn eigen veroordeling mee te
werken)
Cautie (‘u bent niet tot antwoorden verplicht’)
- Bijstand door een advocaat (raadsman)
- Recht op inzage in processtukken = interne openbaarheid
Materieel legaliteitsbeginsel = geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane
wettelijke strafbepaling. Het strafbare feit moet daadwerkelijk in de wet staan op dat moment.
Vierlagenmodel: (wanneer ben je strafbaar)
- Menselijke gedraging (MG) -> een mens moet het gedaan/nagelaten hebben. BESTANDDEEL
- Wettelijke delictsomschrijving (DO) -> gedraging is strafbaar als het is te vinden in de
strafwet. BESTANDDEEL
- Wederrechtelijkheid (W) -> in strijd met het recht (puur kijken naar de daad). ELEMENT
- Schuld (verwijtbaarheid (V)) -> er was een andere optie om niet tegen de wet in te gaan.
ELEMENT
Wederrechtelijkheid is altijd een voorwaarde voor strafbaarheid
Bestanddelen moeten worden bewezen
Elementen worden aanwezig verondersteld