LESSEN 1 EN 2: Performative Acts and Gender Constitution: An
Essay in Phenomenology and Feminist Theory Door: Judith
Butler
Judith Butler vertrekt van het idee dat filosofen wel over “handelingen”
spreken, maar zelden nadenken over het theatrale karakter ervan. Ze
koppelt die filosofische notie van een “act” aan het idee dat we
identiteiten door onze handelingen tot stand brengen. In die lijn leest ze
Simone de Beauvoirs beroemde uitspraak “one is not born, but rather
becomes a woman”: geslacht (gender) is geen vaststaand gegeven, maar
iets dat langzaam wordt opgebouwd door herhaalde handelingen. Gender
is dus geen innerlijke kern of natuurlijke waarheid, maar een effect van
gestileerde, voortdurend herhaalde gedragingen, bewegingen, manieren
van spreken en zich voordoen. Omdat deze handelingen in de tijd herhaald
worden, ontstaat de illusie dat gender iets stabiels of wezenlijks is. Die
schijnbare “substantie” is echter een effect van performativiteit: we
geloven in het bestaan van gender omdat we het dagelijks uitvoeren en
omdat anderen dat van ons verwachten.
Butler sluit aan bij fenomenologische denkers zoals Merleau-Ponty, die
stellen dat het lichaam geen puur biologisch gegeven is, maar altijd
cultureel gevormd wordt. Het lichaam is een verzameling van
mogelijkheden die binnen een historisch kader vorm krijgen. Er is geen
vooraf bestaand “ik” dat het lichaam aanstuurt; ons “zelf” is eerder iets
dat ontstaat in de manier waarop we deze mogelijkheden belichamen. Dat
betekent ook dat gender, als lichamelijke stijl, nooit volledig origineel is:
we nemen culturele conventies over die verankerd zijn in geschiedenis,
normen en taboes, en we drukken deze conventies uit via ons gedrag.
Gender is dus iets dat men “doet”, niet iets dat men “is”, en dat doen
gebeurt altijd in relatie tot sociale verwachtingen.
Omdat gender een sociale praktijk is, wordt het voortdurend bewaakt en
gesanctioneerd. Mensen die hun gender “fout” doen — door te veel af te
wijken van verwachtingen — worden gestraft of sociaal uitgesloten. Juist
daardoor gelooft men in het bestaan van “echte” mannen en “echte”
vrouwen. Butler benadrukt echter dat deze geloofwaardigheid van gender
juist het resultaat is van herhaling: als de herhaling verandert, kan gender
ook veranderen. Daarmee opent ze de mogelijkheid dat gender niet
vastligt. Er is geen natuur of essentie die voorschrijft hoe iemand “moet”
zijn op basis van diens lichaam. De werkelijkheid van gender wordt elke
dag opnieuw gemaakt.
Butler zet zich af tegen de idee dat gender een rol is die een voorgegeven,
innerlijke identiteit uitdrukt. Als gender performatief is, dan constitueert
1
,het de identiteit die het lijkt te representeren: we zijn niet eerst een vrouw
of man die daarna bepaalde handelingen stelt; door die handelingen
komen categorieën als “vrouw” en “man” pas tot stand. Daarom is het
zinloos om te spreken over een “ware” genderidentiteit, want de
categorieën zelf zijn cultureel geconstrueerd en omsluiten slechts een deel
van de werkelijkheid. Ze behandelt dit onder andere aan de hand van
voorbeelden als travestie: een travestiet toont hoe “vrouwelijkheid” en
“mannelijkheid” niet innerlijk zijn, maar tot stand komen door herhaalde
performatieve codes. Op scène wordt dit gezien als “maar een act”, maar
in het dagelijkse leven wordt dezelfde handeling beschouwd als subversief
en bedreigend omdat ze de natuurlijke status van gender ondermijnt.
Butler verwerpt zowel het idee dat gender volledig door individuen
gekozen wordt, als het idee dat gender puur door structuur wordt
opgelegd. We handelen binnen conventies die al bestaan vóór we geboren
worden, maar die conventies hebben ook ons actief handelen nodig om te
blijven bestaan. We zijn als het ware altijd al “op het podium”: er is geen
puur voorafgaand zelf buiten die normen. Toch is er ruimte voor variatie,
afwijking en subversie, juist omdat herhaling nooit perfect is. Elk lichaam
voert de conventies een beetje anders uit, en precies in die breuklijnen
ontstaat ruimte voor verzet.
Ze plaatst deze analyse in een kritische feministische context. Feministen
maken terecht onderscheid tussen seks (biologisch) en gender (cultureel),
maar Butler waarschuwt dat het gevaarlijk is om de categorie “vrouw” te
behandelen alsof zij een stabiele, universele identiteit aanduidt. Die
categorie is zelf een historische constructie, gevormd door
machtsverhoudingen, en kan mensen uitsluiten die niet in het dominante
beeld van “vrouwelijkheid” passen. Politieke solidariteit is nodig, maar ze
mag niet gebaseerd zijn op een fictief idee van een gedeelde vrouwelijke
essentie.
Tegenover feministische theorieën die uitgaan van een vaste categorie
“vrouw”, pleit Butler voor een genealogische en performatieve benadering
die onderzoekt hoe gender wordt geproduceerd en hoe het ook anders kan
worden geproduceerd. Zij vraagt dat feminisme niet alleen strijdt tegen
onderdrukking, maar ook de categorieën bevraagt die het zelf gebruikt.
Gendernormen zijn nooit natuurlijk: ze ontstaan door culturele
sedimentatie, en kunnen door alternatieve performances worden
opengebroken. Subversieve herhaling — gender op nieuwe, onverwachte
manieren uitvoeren — kan de schijn van een natuurlijke orde verstoren en
ruimte maken voor nieuwe vormen van genderervaring.
Butler besluit dat gender nooit een ontologisch gegeven is, maar een
voortdurende handeling onder dwang van sociale normen. Juist omdat
2
,gender geen essentie heeft, maar altijd gedaan wordt, is het veranderbaar.
De taak van feministische theorie en politiek is om die veranderlijkheid
zichtbaar te maken en genderperformances mogelijk te maken zonder
angst voor straf of uitsluiting. In plaats van een wereld waarin elke
handeling in een strikt binair systeem van man/vrouw gevangen zit, pleit
ze voor een wereld waarin diverse manieren van belichaming mogelijk zijn
zonder dat ze afgestraft worden. Gender is geen natuur, maar een
voortdurend project — en precies daarom kan het getransformeerd
worden.
CONCLUSIE: Butler toont dat gender geen essentie is maar een resultaat
van voortdurende performatieve handelingen die sociale normen herhalen
en versterken. Omdat gender alleen bestaat door die herhaling, is het
tegelijk ook veranderbaar: iedere afwijkende, subversieve uitvoering
ondermijnt de illusie van een natuurlijke genderorde. De taak van
feministische theorie en politiek is volgens Butler niet om een “ware”
vrouwelijke identiteit te verdedigen, maar om de constructie van gender
zichtbaar te maken en ruimte te creëren voor nieuwe, niet-gestrafte
manieren van genderperformativiteit. Kortom: gender is wat we telkens
opnieuw doen — en precies daarom kan het anders gedaan worden
Gender
Door: Jules Gill-Peterson
Gill-Peterson opent met de vaststelling dat hedendaagse discussies over
gender vaak vertrekken van een strak schema: “Sex ≠ Gender ≠
Sexuality”. Dat schema lijkt vanzelfsprekend, maar is in werkelijkheid
recent, Westers, en ontstaan binnen een specifieke academische traditie.
Veel debatten over gender draaien rond vragen als: wat is gender precies,
hoeveel genders bestaan er, gaat het systeem te ver of net niet ver
genoeg, en in welke mate kunnen westerse categorieën zomaar toegepast
worden op niet-westerse culturen? In plaats van opnieuw definities te
zoeken, stelt Gill-Peterson de fundamentelere vraag: waar komt ons
huidige begrip van gender eigenlijk vandaan?
Het verrassende antwoord luidt dat gender niet afkomstig is uit het
feminisme, maar uit Amerikaanse medische psychologie van het midden
van de twintigste eeuw. Voor die tijd bestond er geen apart concept
“gender”: alles viel onder “sex”, dat zowel lichamelijke, psychische als
sociale aspecten omvatte. De westerse life sciences gingen er zelfs van uit
dat mensen van nature een mengvorm zijn van mannelijk en vrouwelijk
(“bisexualiteit” in de toenmalige biologische zin). Pas vanaf de jaren 1950
ontstond de strikte binaire opdeling. Dat gebeurde via experimenten op
3
, intersekse kinderen in Johns Hopkins Hospital, waar artsen met hormonen
en chirurgie probeerden een “duidelijke” sekse toe te wijzen – zonder
toestemming van patiënt of familie.
Binnen datzelfde kader introduceerde psycholoog John Money de term
“gender role” in 1955. Hij definieerde gender als het geheel van
gedragingen waarmee iemand toont een jongen/man of meisje/vrouw te
zijn. Gender was voor hem niet biologisch, maar sociaal en psychologisch.
Deze term gaf artsen een extra instrument om kinderen te normaliseren:
een gender dat niet strookte met het toegewezen lichaam werd gezien als
een probleem dat medische interventie rechtvaardigde. Het doel was niet
waarheid, maar aanpassing aan normativiteit. Zo werd gender een middel
om mensen in een strak binair systeem te dwingen, ondanks het feit dat
het concept zelf niet biologisch maar sociaal was.
In de jaren 1960 populariseerde psychiater Robert Stoller de scheiding
tussen sex en gender verder. Wanneer feministen deze terminologie in de
jaren 1970 overnamen, was dat als kritiek op patriarchale waarden:
gender werd het woord om de sociale onderdrukking van vrouwen te
benoemen. Toch veranderden feministen de oorspronkelijke medische
betekenis. Gender werd niet langer een instrument om kinderen te
normaliseren, maar een categorie om ongelijkheid en macht te
analyseren. Toch bleef hun begrip vaak beperkt tot wit feminisme, dat de
categorie “vrouw” relatief stabiel hield.
Hier komt verandering met Gayle Rubin, Donna Haraway en queer theory.
Rubin stelde dat het “sex/gender system” zelf een structuur van
onderdrukking was, niet enkel de hiërarchie tussen mannen en vrouwen.
Queer theoristen als Sedgwick en vooral Judith Butler maakten gender los
van “vrouwelijkheid” en analyseerden hoe gendernormen geproduceerd en
herhaald worden. Butler stelde dat zelfs “sex” een effect is van discursieve
praktijken die gender achteraf een biologische schijn geven.
Deze queer theorievorming werd echter bekritiseerd, vooral door trans
studies en door denkers van kleur. Trans auteurs zoals Jay Prosser en
Sandy Stone wezen erop dat queer theory transgender personen vaak
gebruikte als theoretisch symbool, zonder aandacht voor hun ervaringen
en onderdrukking. Tegelijk maakten zwarte en inheemse geleerden
duidelijk dat het westerse genderbegrip niet neutraal is, maar verweven
met kolonialisme en racisme. Gender is niet alleen een Westerse
uitvinding van de twintigste eeuw, maar moet ook begrepen worden in het
licht van eeuwenlange raciale classificatie, slavernij en de opgelegde
genderbinariteit aan inheemse volken. Hun werk toont dat gender altijd al
geproduceerd werd via koloniale machtsstructuren, en dat niet-witte
4