INLEIDING: ANATOMIE VAN DE NIER
- 11 x 6 x 2,5 cm
- In het retroperitoneaal vet onder het diafragma
- Verhouding
o Rechternier 1-1,5cm lager dan linkernier door ligging van lever
o Rechterarterie iets lager dan linker, omgekeerd voor de venen
Macroscopische indeling
- Schors (cortex) onmiddellijk onder het nierkapsel en merg (medulla)
o → onderscheid tussen cortex en medulla in normale nier goed te zien op echo!
Microscopische indeling
- Elke nier: 800.000 nefronen (corticaal, midcorticaal of juxtraglomerulaire nefronen, naargelang hun ligging)→ kleinste
functionele eenheid van de nier en bestaat uit
o Glomerulus: vaatkluwen met Kapsel van Bowman rond
▪ Vaatkluwen vertakt in 5 lobben en verder tot capillairen
• Capillairen omringd door endotheel dat rust op glomerulaire basale membraan (GBM),
gevormd uit viscerale epitheelcellen
• De epitheelcellen zijn aan elkaar vastgehecht via slitmembraantjes
Filtratiebarrière bestaat uit
1. Gefenestreerd endotheel
2. Glomerulaire basale membraan
3. Viscerale endotheelcellen met hun voetjes en slits
▪ In de glomerulus wordt ultrafiltraat gevormd (water, elektrolyten en andere kleine moleculen die
doorheen filter geraken)
• Ultrafiltraat ontstaat door hydrostatisch drukverschil tussen lumen van capillairen en
ruimte van Bowman
• Glomerulair filtraat bevat geen eiwitten: afmetingsselectiviteit van barrière
1. Poriën geven doorgang voor moleculen tot 900 kD
▪ Slitmembranen hebben poriën tot 150 kD
2. Poriën bewaakt door negatief geladen glycoproteïnen
▪ + eiwitten: Bence Jones → makkelijk door GBM
▪ - eiwitten: Albumine → moeilijk door GBM
▪ Glomerulaire capillairen bij elkaar gehouden door mesangium
• Tussen capillaire lumen en mesangium → geen GBM → grotere moleculen (IgM, C1q,
cellen,..) kunnen mesangium binnen
o Tubuli
▪ Proximale tubulus
▪ Afdalend en stijgende deel van lis van Henle
▪ Distale tubulus
▪ Tubuli colligentes
▪ Ductuli colligentes
▪ → tubuli omgeven door interstitieel weefsel waarin peritubulaire capillairen en lymfevaten lopen,
zenuwvezels en interstitiële cellen liggen
,DIAGNOSTIEK BIJ DE NEFROLOGISCHE PATIËNT
- Start met dipstick = Combur-test, deze meet:
o Leukocyten, nitriet, eiwit, glucose, ketonen, hemoglobine (rbc) en pH
o Moet gebeuren op vers staal
- Indien afwijkend → verder onderzoek (flowcytometrie, urinemicroscopie)
LABORATORIUMDIAGNOSTIEK
Erytrocyturie en/of hematurie
- Normaal gezien geen (of weinig) rode bloedcellen in urine
- Dipstick die aankleurt voor hemoglobine → niet meteen rbc aanwezig!
o Hb kan terechtkomen in urine door te hoge concentraties vrij Hb in bloed (forse hemolyse)
o Myoglobine test ook positief
▪ Teststrook meet peroxidase activiteit van erytrocyten, die ook aanwezig is in myoglobine
- Aanwezigheid rbc evalueren door microscopisch onderzoek van gecentrifugeerd urinesediment → flowcytometer
o > 20 rbc/µL is pathologisch
o Indien geteld met telkamer: pathologisch indien > 6 rbc
- Oorsprong van hematurie
o Glomerulair
▪ Aanwezigheid van rbc-cilinders is steeds glomerulaire pathologie!
▪ Doorgang door hyperosmolair milieu van tubulair afvoersysteem → via typische biconcave vorm
naar onregelmatige vormen → kleine uitstulpingen op wand, opgeblazen met korrels, acanthocyten
Dysmorfe of glomerulaire hematurie
o Op voorwaarde dat het verse (niet-ochtend) urine is, zonder menstrueel bloed
▪ Bij uitgesproken macroscopische hematurie kunnen rbc uit glomeruli ook voor een groot deel
isomorf zijn
o Urinaire afvoersysteem
Isomorfe hematurie, van pelvis, urether, blaas
Cilindrurie
- Niet altijd pathologisch!
o Cilinders = afgitsels van tubulair lumen, Tamm-Horsfall glycoproteïnen (uromoduline) → vormen bij zure pH
een geleiachtige substantie waarin cellen van tubulaire lumen worden ingesloten
o Hyalijne cilinders (zonder celen) → in normale urine!
- Rbc-cilinders en Hb-cilinders
o Wijzen op glomerulaire hematurie
o Actieve glomerulonefritis
- Wbc-cilinders
o Ernstige pyelonefritis of interstitiële nefritis
- Wascilinders
o Zware proteïnurie
- Granulaire donkerbruine cilinders
o Acute tubulusnecrose (ATN)
- Afgeschilferde tubuluscellen: (= normaal), indien ze veel vet bevatten → ernstige proteïnurie
- Pyurie
o > 10 wbc/mm³
o Urinaire infectie
o Indien steriele pyurie → renale tuberculose of vormen van interstitiële nefritis
Proteïnurie
- Normaal: 100-150 mg eiwit per dag
- Te hoog: >3,5/24u
o Meestal bij nefrotisch syndroom
o Indien geen oedemen en hypo-albuminemie → nefrotische range proteïnurie
,- Opsporen
o Dipstick
▪ Onder de concentratie van 150-250 mg/L niet betrouwbaar
▪ Is meest gevoelig voor negatief geladen eiwitten (albumine)
▪ Vals negatief: dipstick minder gevoelig voor positief geladen molecule: Bence Jones proteïnen
▪ Vals positief:
• recent gebruik jodiumhoudende contraststoffen
• sterk alkalische urine (pH >8)
• uitgesproken hematurie
• gebruik van antiseptica (chloorhexidine)
o 24u collecte: nauwkeuriger
▪ Meting totale hoeveelheid eiwitten, niet specifieke proteïnen
• Specifiek bv albumine wel te meten met radio-immuno-assay
o Belangrijk voor diabetesnefropathie
▪ Albumine;
• Normaal < 30 mg/d
• Micro-albuminurie indien 30-300mg/d
• Is vroege merker van nierschade bij DM, AHT, glomerulair lijden, CV-risico
o Urine proteine/creatinine ratio (UPCR)
▪ Om 24u proteïnurie in te schatten bij mensen met gekend nierlijden
▪ Gemeten op vers urinestaal en correleert goed met 24u collecte (niet bij uitgesproken proteïnurie)
▪ Is minder betrouwbaar bij mensen met zeer hoge/lage spiermassa
- Hoe ontstaat het?
o Glomerulaire proteïnurie = vaakst
▪ Proteinurie door verhoogde doorlaatbaarheid van glomerulaire filter
▪ Schade aan slitmembraan:
• lek voor eiwitten kleiner dan 500kD → proteïnurie met albumine en complementfactoren
o IgM (900 kD) blijft in capillair lumen
• Ladingsverschil: negatieve (anionische, albumine) moleculen gaan minder makkelijk lekken
dan sterk kationische eiwitten
▪ Vaak zowel klein (albumine) als grootmoleculaire (immuunglobulines) proteïnen gevonden
• Klaring van grootmoleculaire delen door kleinmoleculaire → selectiviteitsindex van de
proteïnurie
• Indien < 2 → selectieve proteïnurie → typisch voor minimal change glomerulonefritis
o Tubulaire proteïnurie
▪ Tubulaire aandoening bij normale glomerulaire doorlaatbaarheid
• Syndroom van Fanconi, intoxicatie zware metalen, cystinosis
▪ Nooit meer dan 2g/d en uitsluitend laag moleculairgewicht proteïnen (beta-2-microglobuline, alfa-1-
microglobuline, retinol binding protein)
o Overloop proteïnurie
▪ Eiwitten in abnormaal hoge concentraties aanwezig
• Eiwitten die normaal gefilterd worden en gereabsorbeerd worden door tubuli maar door
hoge concentraties is tubulaire reabsorptiecapaciteit overschreden
▪ Myoglobinurie (rhabdomyolyse), hemoglobinurie (hemolyse), amylasurie (pancreatitis),
paraproteïnurie (plasmaceldyscrasie)
o Post-renale proteïnurie
▪ Bij urinaire infecties, van niet-albumine origine
▪ Vaak samen met wbc in sediment
▪ Ook bij lithiasis of tumoren
- Diagnostische benadering
o Via dipstick
o Incidentele proteïnurie
▪ Hoge koorts, na zware fysieke inspanning, hartdecompensatie, epileptische insult → na verdwijnen
uitlokkende factor moet test terug negatief zijn
▪ Indien test niet negatief wordt → 24u collectee doen
, o Orthostatische proteïnurie
▪ Adolescenten die snel groeien
▪ Nachturine negatief, dagurine positief
o Bij blijvende (permanente) proteïnurie hangt de verdere diagnostiek af van:
▪ Afwijkingen in het urinesediment
▪ Aanwezigheid van erytrocyturie
▪ Indien geen erytrocyturie of sedimentafwijkingen aanwezig zijn → geïsoleerde proteïnurie:
• Sluit tubulaire proteïnurie uit:
o Via elektroforese van urine-eiwitten, of
o Meting van laagmoleculaire eiwitten (bv. β2-microglobuline)
• Controleer op overloopproteïnurie
▪ Als tubulaire en overloopproteïnurie zijn uitgesloten, én:
• Nierfunctie normaal
• Bloeddruk normaal
• Proteïnurie < 1 g/dag → Afwachtend beleid met regelmatige controle van:
o Proteïnurie
o Urinesediment
▪ Wanneer proteïnurie > 1 g/dag, of:
• Afwijkingen in het urinesediment, of
• Verminderde nierfunctie
• → vaak diagnostische nierbiopsie noodzakelijk
Nierfunctie
- Glomerulaire functie
o Bepalen van serum creatinine
▪ Meebepaald door spiermassa en hoeveelheid vlees in dieet!
• Magere veggi: normaal serumcreatinine bij duidelijk gedaalde nierfunctie
• Bodybuilder met hoge eiwitinname: hoog creatinine bij normale nierfunctie
o In specifieke omstandigheden: cystatine C bepalen (interferentie door medicatie met creatinine meting)
o GFR: indirect gemeten door renale uitscheiding van bepaalde stoffen
▪ = hoeveelheid plasma die per tijdseenheid volledig van een stof wordt ontdaan (ml/min)
▪ Ideale stof
• Niet eiwitgebonden en voldoende klein om door glomerulaire filter te gaan
• Noch door tubulus gereabsorbeerd, noch uitgescheiden
• In vrij constante concentratie in bloed aanwezig
• = inuline, maar in praktijk creatinine
o Cave! In beperkte mate door tubulus uitgescheiden → creatinineklaring is iets
hoger dan inulineklaring
o Vooral bij verminderde nierfunctie is proportie tubulaire secretie belangrijker
▪ Gemeten creatinineklaring: meting met serumcreatinine en creatinurie in 24u collecte
𝑢𝑟𝑖𝑛𝑎𝑖𝑟𝑒 𝑐𝑟𝑒𝑎𝑡𝑖𝑛𝑖𝑛𝑒 𝑐𝑜𝑛𝑐 𝑥 𝑢𝑟𝑖𝑛𝑎𝑖𝑟 𝑣𝑜𝑙𝑢𝑚𝑒 𝑈𝑥𝑉
• 𝑐𝑟𝑒𝑎𝑡𝑖𝑛𝑖𝑛𝑒𝑘𝑙𝑎𝑟𝑖𝑛𝑔 = =
𝑠𝑒𝑟𝑢𝑚𝑐𝑟𝑒𝑎𝑡𝑖𝑛𝑖𝑛𝑒 𝑃
o Vrouw: 1000 mg/d
o Man: 1500 mg/d
▪ Frequente fout = onvolledige urinecollectie → gemeten klaring vergelijken met berekende klaring
• Cockcroft and Gault
(140−𝑙𝑒𝑒𝑓𝑡𝑖𝑗𝑑)𝑥 𝑔𝑒𝑤𝑖𝑐ℎ𝑡
o 𝑐𝑟𝑒𝑎𝑡𝑖𝑛𝑖𝑛𝑒𝑘𝑙𝑎𝑟𝑖𝑛𝑔 = (𝑥 0,85 𝑣𝑜𝑜𝑟 𝑣𝑟𝑜𝑢𝑤)
72 𝑥 𝑠𝑒𝑟𝑢𝑚𝑐𝑟𝑒𝑎𝑡𝑖𝑛𝑖𝑛𝑒
o Houdt rekening met lichaamsgewicht → bij obese ptn makkelijk overschatting
• MDRD: modification of Diet in Renal Disease → rekent lichaamsgewicht niet mee! → eGFR
▪ Washout-techniek
• Eenmalige bolusinjectie van isotopen (chroom EDTA, DTPA, iothalamate)
• Verdwijnen van isotoop uit serum gebruikt voor berekening
• Urinecollectie vermeden
o Normale creatinineklaring = 90-130 ml/min
- 11 x 6 x 2,5 cm
- In het retroperitoneaal vet onder het diafragma
- Verhouding
o Rechternier 1-1,5cm lager dan linkernier door ligging van lever
o Rechterarterie iets lager dan linker, omgekeerd voor de venen
Macroscopische indeling
- Schors (cortex) onmiddellijk onder het nierkapsel en merg (medulla)
o → onderscheid tussen cortex en medulla in normale nier goed te zien op echo!
Microscopische indeling
- Elke nier: 800.000 nefronen (corticaal, midcorticaal of juxtraglomerulaire nefronen, naargelang hun ligging)→ kleinste
functionele eenheid van de nier en bestaat uit
o Glomerulus: vaatkluwen met Kapsel van Bowman rond
▪ Vaatkluwen vertakt in 5 lobben en verder tot capillairen
• Capillairen omringd door endotheel dat rust op glomerulaire basale membraan (GBM),
gevormd uit viscerale epitheelcellen
• De epitheelcellen zijn aan elkaar vastgehecht via slitmembraantjes
Filtratiebarrière bestaat uit
1. Gefenestreerd endotheel
2. Glomerulaire basale membraan
3. Viscerale endotheelcellen met hun voetjes en slits
▪ In de glomerulus wordt ultrafiltraat gevormd (water, elektrolyten en andere kleine moleculen die
doorheen filter geraken)
• Ultrafiltraat ontstaat door hydrostatisch drukverschil tussen lumen van capillairen en
ruimte van Bowman
• Glomerulair filtraat bevat geen eiwitten: afmetingsselectiviteit van barrière
1. Poriën geven doorgang voor moleculen tot 900 kD
▪ Slitmembranen hebben poriën tot 150 kD
2. Poriën bewaakt door negatief geladen glycoproteïnen
▪ + eiwitten: Bence Jones → makkelijk door GBM
▪ - eiwitten: Albumine → moeilijk door GBM
▪ Glomerulaire capillairen bij elkaar gehouden door mesangium
• Tussen capillaire lumen en mesangium → geen GBM → grotere moleculen (IgM, C1q,
cellen,..) kunnen mesangium binnen
o Tubuli
▪ Proximale tubulus
▪ Afdalend en stijgende deel van lis van Henle
▪ Distale tubulus
▪ Tubuli colligentes
▪ Ductuli colligentes
▪ → tubuli omgeven door interstitieel weefsel waarin peritubulaire capillairen en lymfevaten lopen,
zenuwvezels en interstitiële cellen liggen
,DIAGNOSTIEK BIJ DE NEFROLOGISCHE PATIËNT
- Start met dipstick = Combur-test, deze meet:
o Leukocyten, nitriet, eiwit, glucose, ketonen, hemoglobine (rbc) en pH
o Moet gebeuren op vers staal
- Indien afwijkend → verder onderzoek (flowcytometrie, urinemicroscopie)
LABORATORIUMDIAGNOSTIEK
Erytrocyturie en/of hematurie
- Normaal gezien geen (of weinig) rode bloedcellen in urine
- Dipstick die aankleurt voor hemoglobine → niet meteen rbc aanwezig!
o Hb kan terechtkomen in urine door te hoge concentraties vrij Hb in bloed (forse hemolyse)
o Myoglobine test ook positief
▪ Teststrook meet peroxidase activiteit van erytrocyten, die ook aanwezig is in myoglobine
- Aanwezigheid rbc evalueren door microscopisch onderzoek van gecentrifugeerd urinesediment → flowcytometer
o > 20 rbc/µL is pathologisch
o Indien geteld met telkamer: pathologisch indien > 6 rbc
- Oorsprong van hematurie
o Glomerulair
▪ Aanwezigheid van rbc-cilinders is steeds glomerulaire pathologie!
▪ Doorgang door hyperosmolair milieu van tubulair afvoersysteem → via typische biconcave vorm
naar onregelmatige vormen → kleine uitstulpingen op wand, opgeblazen met korrels, acanthocyten
Dysmorfe of glomerulaire hematurie
o Op voorwaarde dat het verse (niet-ochtend) urine is, zonder menstrueel bloed
▪ Bij uitgesproken macroscopische hematurie kunnen rbc uit glomeruli ook voor een groot deel
isomorf zijn
o Urinaire afvoersysteem
Isomorfe hematurie, van pelvis, urether, blaas
Cilindrurie
- Niet altijd pathologisch!
o Cilinders = afgitsels van tubulair lumen, Tamm-Horsfall glycoproteïnen (uromoduline) → vormen bij zure pH
een geleiachtige substantie waarin cellen van tubulaire lumen worden ingesloten
o Hyalijne cilinders (zonder celen) → in normale urine!
- Rbc-cilinders en Hb-cilinders
o Wijzen op glomerulaire hematurie
o Actieve glomerulonefritis
- Wbc-cilinders
o Ernstige pyelonefritis of interstitiële nefritis
- Wascilinders
o Zware proteïnurie
- Granulaire donkerbruine cilinders
o Acute tubulusnecrose (ATN)
- Afgeschilferde tubuluscellen: (= normaal), indien ze veel vet bevatten → ernstige proteïnurie
- Pyurie
o > 10 wbc/mm³
o Urinaire infectie
o Indien steriele pyurie → renale tuberculose of vormen van interstitiële nefritis
Proteïnurie
- Normaal: 100-150 mg eiwit per dag
- Te hoog: >3,5/24u
o Meestal bij nefrotisch syndroom
o Indien geen oedemen en hypo-albuminemie → nefrotische range proteïnurie
,- Opsporen
o Dipstick
▪ Onder de concentratie van 150-250 mg/L niet betrouwbaar
▪ Is meest gevoelig voor negatief geladen eiwitten (albumine)
▪ Vals negatief: dipstick minder gevoelig voor positief geladen molecule: Bence Jones proteïnen
▪ Vals positief:
• recent gebruik jodiumhoudende contraststoffen
• sterk alkalische urine (pH >8)
• uitgesproken hematurie
• gebruik van antiseptica (chloorhexidine)
o 24u collecte: nauwkeuriger
▪ Meting totale hoeveelheid eiwitten, niet specifieke proteïnen
• Specifiek bv albumine wel te meten met radio-immuno-assay
o Belangrijk voor diabetesnefropathie
▪ Albumine;
• Normaal < 30 mg/d
• Micro-albuminurie indien 30-300mg/d
• Is vroege merker van nierschade bij DM, AHT, glomerulair lijden, CV-risico
o Urine proteine/creatinine ratio (UPCR)
▪ Om 24u proteïnurie in te schatten bij mensen met gekend nierlijden
▪ Gemeten op vers urinestaal en correleert goed met 24u collecte (niet bij uitgesproken proteïnurie)
▪ Is minder betrouwbaar bij mensen met zeer hoge/lage spiermassa
- Hoe ontstaat het?
o Glomerulaire proteïnurie = vaakst
▪ Proteinurie door verhoogde doorlaatbaarheid van glomerulaire filter
▪ Schade aan slitmembraan:
• lek voor eiwitten kleiner dan 500kD → proteïnurie met albumine en complementfactoren
o IgM (900 kD) blijft in capillair lumen
• Ladingsverschil: negatieve (anionische, albumine) moleculen gaan minder makkelijk lekken
dan sterk kationische eiwitten
▪ Vaak zowel klein (albumine) als grootmoleculaire (immuunglobulines) proteïnen gevonden
• Klaring van grootmoleculaire delen door kleinmoleculaire → selectiviteitsindex van de
proteïnurie
• Indien < 2 → selectieve proteïnurie → typisch voor minimal change glomerulonefritis
o Tubulaire proteïnurie
▪ Tubulaire aandoening bij normale glomerulaire doorlaatbaarheid
• Syndroom van Fanconi, intoxicatie zware metalen, cystinosis
▪ Nooit meer dan 2g/d en uitsluitend laag moleculairgewicht proteïnen (beta-2-microglobuline, alfa-1-
microglobuline, retinol binding protein)
o Overloop proteïnurie
▪ Eiwitten in abnormaal hoge concentraties aanwezig
• Eiwitten die normaal gefilterd worden en gereabsorbeerd worden door tubuli maar door
hoge concentraties is tubulaire reabsorptiecapaciteit overschreden
▪ Myoglobinurie (rhabdomyolyse), hemoglobinurie (hemolyse), amylasurie (pancreatitis),
paraproteïnurie (plasmaceldyscrasie)
o Post-renale proteïnurie
▪ Bij urinaire infecties, van niet-albumine origine
▪ Vaak samen met wbc in sediment
▪ Ook bij lithiasis of tumoren
- Diagnostische benadering
o Via dipstick
o Incidentele proteïnurie
▪ Hoge koorts, na zware fysieke inspanning, hartdecompensatie, epileptische insult → na verdwijnen
uitlokkende factor moet test terug negatief zijn
▪ Indien test niet negatief wordt → 24u collectee doen
, o Orthostatische proteïnurie
▪ Adolescenten die snel groeien
▪ Nachturine negatief, dagurine positief
o Bij blijvende (permanente) proteïnurie hangt de verdere diagnostiek af van:
▪ Afwijkingen in het urinesediment
▪ Aanwezigheid van erytrocyturie
▪ Indien geen erytrocyturie of sedimentafwijkingen aanwezig zijn → geïsoleerde proteïnurie:
• Sluit tubulaire proteïnurie uit:
o Via elektroforese van urine-eiwitten, of
o Meting van laagmoleculaire eiwitten (bv. β2-microglobuline)
• Controleer op overloopproteïnurie
▪ Als tubulaire en overloopproteïnurie zijn uitgesloten, én:
• Nierfunctie normaal
• Bloeddruk normaal
• Proteïnurie < 1 g/dag → Afwachtend beleid met regelmatige controle van:
o Proteïnurie
o Urinesediment
▪ Wanneer proteïnurie > 1 g/dag, of:
• Afwijkingen in het urinesediment, of
• Verminderde nierfunctie
• → vaak diagnostische nierbiopsie noodzakelijk
Nierfunctie
- Glomerulaire functie
o Bepalen van serum creatinine
▪ Meebepaald door spiermassa en hoeveelheid vlees in dieet!
• Magere veggi: normaal serumcreatinine bij duidelijk gedaalde nierfunctie
• Bodybuilder met hoge eiwitinname: hoog creatinine bij normale nierfunctie
o In specifieke omstandigheden: cystatine C bepalen (interferentie door medicatie met creatinine meting)
o GFR: indirect gemeten door renale uitscheiding van bepaalde stoffen
▪ = hoeveelheid plasma die per tijdseenheid volledig van een stof wordt ontdaan (ml/min)
▪ Ideale stof
• Niet eiwitgebonden en voldoende klein om door glomerulaire filter te gaan
• Noch door tubulus gereabsorbeerd, noch uitgescheiden
• In vrij constante concentratie in bloed aanwezig
• = inuline, maar in praktijk creatinine
o Cave! In beperkte mate door tubulus uitgescheiden → creatinineklaring is iets
hoger dan inulineklaring
o Vooral bij verminderde nierfunctie is proportie tubulaire secretie belangrijker
▪ Gemeten creatinineklaring: meting met serumcreatinine en creatinurie in 24u collecte
𝑢𝑟𝑖𝑛𝑎𝑖𝑟𝑒 𝑐𝑟𝑒𝑎𝑡𝑖𝑛𝑖𝑛𝑒 𝑐𝑜𝑛𝑐 𝑥 𝑢𝑟𝑖𝑛𝑎𝑖𝑟 𝑣𝑜𝑙𝑢𝑚𝑒 𝑈𝑥𝑉
• 𝑐𝑟𝑒𝑎𝑡𝑖𝑛𝑖𝑛𝑒𝑘𝑙𝑎𝑟𝑖𝑛𝑔 = =
𝑠𝑒𝑟𝑢𝑚𝑐𝑟𝑒𝑎𝑡𝑖𝑛𝑖𝑛𝑒 𝑃
o Vrouw: 1000 mg/d
o Man: 1500 mg/d
▪ Frequente fout = onvolledige urinecollectie → gemeten klaring vergelijken met berekende klaring
• Cockcroft and Gault
(140−𝑙𝑒𝑒𝑓𝑡𝑖𝑗𝑑)𝑥 𝑔𝑒𝑤𝑖𝑐ℎ𝑡
o 𝑐𝑟𝑒𝑎𝑡𝑖𝑛𝑖𝑛𝑒𝑘𝑙𝑎𝑟𝑖𝑛𝑔 = (𝑥 0,85 𝑣𝑜𝑜𝑟 𝑣𝑟𝑜𝑢𝑤)
72 𝑥 𝑠𝑒𝑟𝑢𝑚𝑐𝑟𝑒𝑎𝑡𝑖𝑛𝑖𝑛𝑒
o Houdt rekening met lichaamsgewicht → bij obese ptn makkelijk overschatting
• MDRD: modification of Diet in Renal Disease → rekent lichaamsgewicht niet mee! → eGFR
▪ Washout-techniek
• Eenmalige bolusinjectie van isotopen (chroom EDTA, DTPA, iothalamate)
• Verdwijnen van isotoop uit serum gebruikt voor berekening
• Urinecollectie vermeden
o Normale creatinineklaring = 90-130 ml/min