DEEL 1: EEN ORTHOPEDAGOGISCH GRONDPLAN
1. HET MICRONIVEAU
Dit hoofdstuk introduceert het microniveau van het orthopedagogisch grondplan,
waarbij de focus ligt op de directe interactie tussen de cliënt en de
orthopedagoog.
1.1 De Orthopedagogische kern
De kern van het orthopedagogisch
grondplan op microniveau richt zich op de
interactie tussen de cliënt met een
orthopedagogische vraagstelling en de
professionele bachelor orthopedagogie met
een orthopedagogisch aanbod. Deze
begeleiding wordt gezien als een
voortdurend wederzijds proces, waarbij concepten uit de
geesteswetenschappelijke orthopedagogiek, zoals de theorie over 'specifiek
opvoeden' van Kok (1997), centraal staan.
Binnen deze kern onderscheiden we drie essentiële basisinstrumenten: de
relatie, het klimaat en de situatie. Deze instrumenten zijn cruciaal voor de
begeleiding en ondersteuning van de cliënt en beïnvloeden elkaar continu,
vergelijkbaar met de interactie binnen het cliëntsysteem.
1.1.1 Relatie
De praktijkgerichte orthopedagoog presenteert zich volgens Kok op een bewuste
manier in de relatie met de cliënt om de ontwikkelingskansen van de cliënt te
vergroten, vanuit de eigen persoonlijke en professionele kwaliteiten en
beperkingen.
Deze relatie is een voortdurende transactionele beïnvloeding en wordt
gekenmerkt door een dialoog waarin zowel cliënt als begeleider elkaar
beïnvloeden. Het belang van deze relatie is ook terug te vinden in andere
vakgebieden, zoals de cliëntgerichte therapie van Rogers (1961) en de
presentietheorie van Baart (2011). Organisaties zoals vzw Cachet pleiten voor
professionele nabijheid, en inzichten van Nieuwe Autoriteit benadrukken een
stabiele relatie met veilige verbinding, nabijheid en waakzaamheid. De relatie
wordt opgebouwd en gekleurd door het begeleidingsklimaat en de aanpak in
concrete situaties, en is vergelijkbaar met de zon in een zonnestelsel die alles
kleurt en verwarmt.
1.1.2 Klimaat
Het begeleidingsklimaat kunnen we omschrijven als de manier waarop het
dagelijkse ritme en de materiële en niet-materiële omgeving vorm krijgen. Dit
omvat de onderliggende stijl, sfeer en fysieke omgeving van de begeleiding.
Concrete aspecten zijn:
Gebouwen
Indeling van de ruimte: aanwezigheid van speelgoed, boeken, tv, computers
Dagplanning
Taakverdelingen
1
, Ritme van activiteit en rust
Terwijl sfeer, stemming en psychische ruimte moeilijker te vatten zijn.
Een belangrijk aandachtspunt zijn regels en de communicatie over regels,
aangezien te veel regels voor conflicten kunnen zorgen in leefgroepen, en het
kan het gevoel van zelfcontrole van cliënten beschadigen.
Een bestraffend klimaat belemmert leren en ontwikkelen. Een adequaat
begeleidingsklimaat stelt de cliënt in staat om te gedijen en zich te ontwikkelen
naar eigen aard en mogelijkheden. Het creëren van zo'n klimaat is een creatief
proces dat de orthopedagoog bewust vormgeeft om ontwikkelingsbevorderend te
zijn voor de specifieke vraagstelling van de cliënt.
1.1.3 Situatie
De situatie verwijst naar de manier waarop de begeleider alledaagse en
bijzondere momenten met de cliënt aanpakt en vormgeeft. Dit omvat dagelijkse
routines zoals opstaan en eten, maar ook ingrijpende gebeurtenissen zoals een
ziekenhuisopname.
In soepel verlopende begeleidingsmomenten geraakt de begeleider in zijn manier
van hanteren vlot afgestemd op de vraagstelling van de cliënt.
In orthopedagogische situaties is het de taak van de begeleider en het team om
een specifieke vorm van aanpak te ontwikkelen die past bij de specifieke vraag
en noden van de cliënt.
1.2 Pedagogische en orthopedagogische middelen
Wanneer de begeleider vormgeeft aan het klimaat en in de manier waarop die
specifieke situaties hanteert, gebruikt de hulpverlener concrete pedagogische
middelen, die orthopedagogisch op een intentionele of specifieke manier
worden ingezet zoals structureren, stimuleren, motiveren, monitoren en variëren.
Ook specifieke methodieken zoals creatieve en bewegingsmethodieken,
Sherborne-oefeningen, ademhalingstechnieken, trauma sensitieve grondings-of
aardigheidstechnieken en dier-ondersteunde interventies kunnen worden ingezet.
1.3 De pedagogische grondvormen
De pedagogische grondvormen,
geïntroduceerd door Wim ter Horst
(2006) in 'Herstel van het gewone
leven', zijn domeinen van interactie en
ontwikkeling, ontmoetingen waarin
opvoeding centraal staat.
Er zijn 11 grondvormen.
Ter Horst benadrukt dat we als begeleider in de eerste plaats moeten proberen
om mensen (opnieuw) tot ontwikkeling te laten door specifiek in te grijpen in het
gewone, dagelijkse leven.
Vaak is een kleine ingreep in dat gewone leven al voldoende om vastgelopen
begeleidingssituaties weer te ontwarren, te ordenen en vlot te krijgen. De
begeleider wordt hierbij gezien als de 'specialist van het gewone leven'.
2
,Pas wanneer aanpassingen in het gewone leven ontoereikend blijken, dienen
gespecialiseerde therapieën overwogen te worden, maar we moeten goed
nagaan of het gewone, alledaagse, voor de hand liggende… wel in orde is.
Gespecialiseerde therapieën halen niets uit als het voor de hand liggende wordt
verwaarloosd.
Ze helpen de orthopedagoog de kwaliteit van de leefomgeving en daarmee de
kwaliteit van leven van de cliënt te beoordelen en te bevorderen, en ordenen de
vaardigheden die een cliënt kan ontwikkelen.
1.4 Transactionele proces
Het microniveau van het grondplan
beschouwt de begeleiding als een
transactioneel dus complementair
en circulair proces, gebaseerd op het
model van Hellinckx (2001). Dit heeft
betrekking op de pijlen in het schema
tussen orthopedagogische vraag en
orthopedagogisch aanbod.
Dit betekent dat het niet alleen gaat om de cliënt of de begeleider, maar om hun
interactie en wederzijdse beïnvloeding in relatie tot hun omgeving.
1.4.1 ortho(ped)agogische vraag
De ortho(ped)agogische vraag is de vraag naar specifiek opvoeden of
begeleiden, afgeleid uit het gedrag van de cliënt, en bepaalt de accenten in het
begeleidingsproces om optimale ontwikkelingskansen te bieden.
Kok (1997) stelt dat elke persoon, met heel beperkte of juist veel mogelijkheden,
in staat is om in zijn gedrag de juiste vraag tot specifiek of aangepast begeleiden
te stellen. Orthopedagogen moeten deze vraag accuraat leren lezen om effectief
te kunnen handelen.
De vraagstellingstypes van Kok (van Heteren, Smits, & van Veen, 2002) geven
kernachtig de behoefte weer aan een specifieke manier van opvoedend of
ondersteunend handelen en sluiten aan bij de ontwikkelingsaspecten van de
cliënt.
1. Cognitief: aansluitend bij de cognitieve
ontwikkeling
“Structuren” of hulp bieden bij het vat
krijgen op en zicht krijgen in de
omgeving
“Variëren” waarbij versoepelen centraal
staat
2. Affectief: in aansluiting tot de emotionele ontwikkeling
Emotionele ruimte bieden: begeleider sensitief-responsief de interactie
intensifieert
Relationele ruimte laten: heel bewust nabijheid en relationele afstand
doseert
3
, 3. Conatief: de ontwikkeling van de eigenheid
Profileren: steunen in jet ontwikkelen van een eigen positie
Harmoniëren: steunen bij het harmoniëren met anderen
Een vraag wordt orthopedagogisch wanneer deze niet spontaan beantwoord kan
worden binnen de gewone, intuïtieve dagelijkse begeleiding, wat duidt op een
behoefte aan doelbewuste en specifieke begeleiding orthopedagogische
vraagstellingen
Orthopedagogiek beschouwen we als de “wetenschap van uitzonderingen”
Bij de term ortho-agogische vraag is er niet enkel sprake van begeleiding of
opvoeding van minderjarigen, maar ook van ondersteuning van meerderjarigen.
Meerderjarigen ortho-agogische vraag, vandaar de aanduiding “ped” in
orthopedagogische vraagstelling.
1.4.2 ortho(ped)agogisch aanbod
Het ortho(ped)agogisch aanbod is het specifieke antwoord van de begeleider,
concreet vormgegeven in het dagelijkse, gewone leven. Het aanbod wordt
geconcretiseerd in het klimaat, de situatie en de pedagogische grondvormen in
de begeleiding.
Dit aanbod beïnvloedt op zijn beurt de vraagstelling, wat de voortdurende
zoektocht naar de meest geschikte begeleiding voor elke cliënt benadrukt.
1.5 Gerelateerde Factoren ortho(ped)agogische vraag en aanbod
Naast de basisbegrippen zijn er ook factoren die sterk gerelateerd zijn aan
enerzijds de vraag van de cliënt en anderzijds het orthopedagogisch aanbod van
de begeleider.
Het gaat hier om de voorgeschiedenis en identiteiten van zowel de cliënt als de
begeleider, de diverse ontwikkelingsdomeinen van de cliënt, de grondhouding en
de persoonlijke visie.
Deze factoren zijn dynamisch doordat de cliënt en de begeleider altijd evolueren
en veranderen.
1.5.1 Voorgeschiedenis
Deze worden opgedeeld in
Biomedische voorgeschiedenis:
genetische aanleg, biologische
beïnvloeding, medische problemen en
behandelingen
De psychosociale voorgeschiedenis: psychologische ontwikkeling en
sociale invloeden
1.5.2 Identiteiten
Dit is gebaseerd op het intersectioneel denken, dat een holistische en inclusieve
benadering hanteert.
Identiteiten worden gevormd in interactie met de omgeving bestaande uit
gedragsmatige, cognitieve en gevoelsmatige processen, die altijd in beweging
zijn dynamisch
4