Inhoud
Hoofdstuk 1: Endocrinologie (21 pagina’s)
1) De hypofyse (enkel 2e semester)
2) De endocriene pancreas
3) De bijnieren
4) De schildklieren
5) De bijschildklieren (examenvragen meer voor 2e semester, zijnde bij specialisatie kleine huisdieren)
6) PPUD: DDx en benadering
Examen: Wat is belangrijk voor het hoofdstuk endocrinologie
1. Klinische presentatie: het herkennen van aandoeningen
2. Diagnostiek: hoe gaan we de diagnose bevestigen? (labo)
3. Behandeling: eerder bij specialisatie kleine huisdieren
Hoofdstuk 2: Urologie en nefrologie (24 pagina’s)
Herhaling van de propedeutica
0.1 Lokalisatie van azotemie
0.2 Diagnostiek
1) Chronische nierziekte
2) Urineweginfecties (UWI)
3) Urolithiasis
4) Feliene lower urinary tract disease (FLUTD)
Hoofdstuk 3: Gastroenterologie (24 pagina’s)
1) Inleiding
1.1 Ziekten van de slokdarm
1.2 Ziekten van de maag
2) Maagdilatatie en -volvulus (MDV/GDV)
3) Acute enteropathieën
3.1 Inleiding
3.2 Caniene parvovirus infectie
3.3 Chronische enteropathieën: feliene en caniene chronische enteropathie
4) Exocriene pancreas
4.1 Exocriene pancreas insufficiëntie (EPI)
4.2 Pancreatitis
5) Lever en galgangen
1
,Hoofdstuk 4: Cases (21 pagina’s)
Hoofdstuk 5: Diervoeding (27 pagina’s)
1) Inleiding – Nutritionele evaluatie bij gezelschapsdieren
1.1 Inleiding: WSAVA’s wereldwijde standaard voor vitale parameters
2) Obesitas en overgewicht
2.1 Inleiding
2.2 Toepassing
3) Adverse Food Reaction (ARF)
3.1 ARF: Voorkomen, diagnose en behandeling
3.2 Zelfbereide diëten
Hoofdstuk 6: Hematologie
1) Hematologisch bloedonderzoek
1.1 Inleiding
1.2 Hematologisch bloedonderzoek
2) Anemie
2.1 Klinische benadering bij verdenking van anemie
2.2 Classificatie van anemie
2.3 Differentiaaldiagnose
2.4 Belangrijke oorzaken hemolytische anemie (o.a. IMHA)
3) Hemostase en trombocytopenie
3.1 Hemostase
3.2 Trombocytopenie
3.3 IMTP
4) Cases
Hoofdstuk 7: Respiratoir
1) Rhinitis: Niezen en neusvloei
1.1 Niesziekte (kat)
1.2 Chronische rhinosinusitis (kat)
2) Dyspnee
2.1 Inleiding
2.2 Brachycefaal obstructief syndroom (BOS)
2.3 Tracheahypoplasie
2.4 BOS bij de kat
3) Hoesten
3.1 Inleiding
3.2 Kennelhoest
3.3 Bacteriële (broncho)pneumonie
3.4 Feliene astma / chronische bronchitis
2
,Hoofdstuk 8: Cardiologie
1) Verworven hartaandoeningen bij de hond
1.1 Myxomateuze mitralisklepdegeneratie (MVD)
1.2 Dilatorische cardiomyopathie (DCM)
2) Verworven hartaandoeningen bij de kat
2.1 Hypertrofe cardiomyopathie (HCM)
Hoofdstuk 9: Voortplanting
1) Cyclus bij de hond
1.1 Specifieke kenmerken van voortplanting bij de hond
1.2 Verschillende fasen in de cyclus bij de hond
2) Dracht bij de teef
2.1 Ideale dektijdstip bij een teef bepalen
2.2 Het normale verloop van de dracht
2.3 Partusdatum voorspellen
2.4 Eigenaar kunnen inlichten over het verloop van de geboorte
3) Contraceptie bij de teef en reu + ongewenste dekking
3.1 Inleiding
3.2 Hormonale conceptie
3.3 Gonadectomie
4) Schijndracht bij de hond
Hoofdstuk 10: Dermatologie
1) Focale alopecie
2) Symmetrische alopecie
2.1 Inleiding
2.2 Alopecie onafhankelijk van de vachtkleur
2.3 Alopecie gekoppeld aan de vachtkleur
2.4 Iatrogene alopecie
2.5 Congenitale alopecie
3) De jeukpatiënt
3.1 Inleiding tot de jeukpatiënt
3.2 Stapsgewijze benadering
3.3 Mogelijke oorzaken van jeuk
4) Cases
3
,Hoofdstuk 11: Neurologie
1) Epilepsie
1.1 Inleiding
1.2 Soorten epilepsie aanvallen
1.3 Classificatie van epilepsie
1.4 Verdere diagnostiek en behandeling
2) Discus hernia
2.1 Inleiding: anatomie en fysiologie
2.2 Discus hernia bij de hond
Examen: Er komt telkens één vraag van volgende onderdelen:
1. Gastro, uro- en nefrologie
2. Endocrinologie en hematologie
3. Neuro- en dermatologie
4. Cardio- en respiratoir
5. Voortplanting en diervoeding
Normaalwaarden
Hond Kat
Volwassen Volwassen
1 Ademhalingsfrequentie 10 – 30 x/minuut 20 – 40 x/minuut
2 Hartfrequentie 70 – 150 x/minuut 140 – 220 x/minuut
3 Temperatuur 38 – 39°C 38,5 – 39°C
Mandibulaire, prescapulaire en popliteus lnn
4 Lymfeknopen
bij gezonde dieren te palperen
5 Mucosa < 2 sec | roze, vochtig
6 Huidturgor < 2 sec
4
,Hoofdstuk 1: Endocrinologie
5
,6
, 1 De hypofyse (2e semester)
Leerstof voor het 2e semester | studenten die gezelschapsdieren kiezen als specialisatie in 2 e master.
2 De endocriene pancreas
Leerdoelstellingen: Wat moet je kunnen voor het examen?
1. Diabetes mellitus: definitie – classificatie – risicofactoren – pathofysiologie (incl. hond vs. kat)
→ Een betrouwbare diagnose kunnen opstellen o.b.v. signalement, klassieke symptomen en
laboafwijkingen
→ Complicaties kennen
→ Basisprincipes voor de behandeling formulieren (incl. monitoring)
1) Diabetes mellitus
1) Classificatie
1.1. Diabetes mellitus type 1 ( )
1) Pathogenese: destructie van de β-cellen in de eilandjes van Langerhans
→ Leidt tot een absoluut insulinetekort
→ Verdere evolutie: irreversibel – eens DM is ontstaan, is dit voor het leven
2) Voorkomen: typisch hond
→ Risicofactoren:
- (Obesitas): minder een voorspellende factor i.t.t. diabetes mellitus type 2
zal DM verergeren, maar niet perse oorzakelijke factor zoals bij de kat
- Leeftijd: meestal op middelbare leeftijd
→ Subtypen
1. Immuungemedieerde destructie van β-cellen (meest voorkomend)
2. Idiopathische destructie van β-cellen
1.2. Diabetes mellitus type 2 ( )
1) Pathogenese: Start met insulineresistentie (bv. door inactiviteit en obesitas) → eerst
overproductie insuline → later uitputting en degeneratie van β-cellen
→ Leidt tot een initieel relatief tekort, later een absoluut insulinetekort
= te herkennen door afzetting amyloïd (IAPP; islet amyloid polypeptide)
→ Verdere evolutie: remissie mogelijk – bij katten is remissie mogelijk (25 – 50%),
mits correct behandelen van diabetes mellitus én obesitas.
2) Voorkomen: typisch kat
→ Risicofactoren:
1. Obesitas (x7 verhoogd risico)
2. Leefstijl (binnenhuis, individueel gehouden, weinig beweging)
3. Ras: o.a. Birmese kat.
4. Leeftijd: middelbaar tot oud
5. Acromegalie (20%): hypofysetumor, produceert GH → anti-insuline effect
6. Voeding ad libitum
→ Evolutie: Bij katten is remissie mogelijk (25 – 50%), mits correct behandelen en
behandeling van obesitas.
7
, 1.3. Intacte teef o.i.v. progesterone (~ zwangerschapsdiabetes bij de mens) ( )
1) Pathogenese: Tijdens luteale fase (na loopsheid) → progesteron ↑ → PG stimuleert
melkklier tot groeihormoonproductie → GH heeft een sterk anti-insuline effect
→ Leidt tot insulineresistentie → wat kan leiden tot diabetes mellitus
→ Verdere evolutie: soms reversibel – enige vorm van reversibele diabetes bij hond
Indien vroeg herkend en teef gesteriliseerd → bron van progesteron weg →
diabetes kan verdwijnen.
Maar bij elke loopsheid neemt risico toe op (blijvende) diabetes mellitus
1.4. Secundaire typen diabetes mellitus; secundaire vormen aan andere ziekten/medicatie
Deze vormen ontstaan secundair aan andere ziekten of medicatie, waarbij hormonale of
metabole veranderingen leiden tot insulineresistentie en uiteindelijk tot β-celdepletie.
1) Belangrijke oorzaken:
1. Overmaat glucocorticoïden
- Endogeen: Cushing
- Exogeen: toediening van corticosteroïden.
2. Exogene progestativa: Worden soms toegediend ter preventie van oestrus.
Hebben een intrinsieke glucocorticoïde-achtige werking.
3. Overmaat groeihormoon (GH): o.a. acromegalie, GH = sterk anti-insuline-effect
4. Leververvetting: Verstoort glucosemetabolisme en bevordert insulineresistentie
1.5. Zeldzame oorzaken
1) Congenitale DM: aangeboren afwijking met gestoorde insulineproductie
2) Ernstige pancreatitis: destructie van β-cellen in de pancreas
3) Pancreasneoplasie: tumor in de pancreas die de eilandjes van Langerhans aantast.
Acromegalie
• Definitie: aandoening met overproductie van GH door hypofysetumor
(adenoom)
• Kenmerken: vergroting van botten, organen en weefsels
• Verhoogd Risico op diabetes mellitus: GH werkt anti-insuline →
verhoogde gluconeogenese en perifere IR
2) Complicaties
1) Gevolgen van extracellulair glucoseoverschot (hyperglycemie):
1. Glucosurie:
- Polyurie (PUPD)
- Osmotische diurese: hypokaliëmie, hyponatriëmie, hypofosfatemie
2. Hypertonisch plasma → intracellulaire dehydratatie → hyperglycemische coma
3. Enzymatische glycolysatie van eiwitten (sorbitol overschot)
- Lenscataract: glucose omgezet sorbitol → aantrekken H2O → vertroebeling
- Retinopathie
- Perifere polyneuropathie (spieratrofie, plantigrade stand) ( )
> Zeer typische presentatie bij een kat met DM
> Reversibel mits goede behandeling
8
, 3) Diagnostiek
1) Signalement: ras en leeftijdspredispositie
2) Symptomen: Kunnen sterke indicatie geven, nog voor uitvoeren van labo-onderzoek
1. PUPD: polyurie/polydipsie zijn de kernsymptomen
2. Vermagering ondanks goede eetlust (tot zelfs polyfagie):
3. Specifieke complicaties:
- Hond Cataract (door sorbitolopstapeling)
- Kat Polyneuropathie (plantigrade stand, spieratrofie …)
4. Soms ook: anorexie, braken, apathie (ketoacidose)
3) Labo-onderzoek: ter bevestiging van de diagnose
1. Basiscriteria voor een diagnose: beiden moeten aanwezig zijn
1. Persistente hyperglycemie: langdurig verhoogde bloedglucose 1
Kan je bv. makkelijk meten dankzij glucosemeter
Enkel hyperglycemie onvoldoende → risico op vals positieve, zeker bij
kat (o.w.v. stress-hyperglycemie) → Bloedglucose = momentopname
2. Glucosurie: glucose in de urine
Enkel glucosurie onvoldoende → kan ook proximale tubulus-schade
zijn, waarbij geen hyperglycemie optreedt
2. Bijkomende diagnostische ondersteuning indien urine opvangen (kat) te moeilijk is
= Verhoogde fructosamine concentraties (bloed) (zie verder)
4) Differentiaal diagnose (DDx):
→ Renale glucosurie: Bij glucosurie zonder hyperglycemie → geen DM
1. Door minder glucose-resorptie in proximale niertubuli, door:
bij … tetracycline-toediening
bij … intoxicatie met zware metalen zoals cadmium, lood of thallium
2. Fanconi-syndroom (genetisch bij Basenji-honden)
= urineverlies van meerdere stoffen, niet alleen glucose
1
Beiden moeten aanwezig zijn o.w.v. stress-hyperglycemie (kat): 60% van gehospitaliseerde katten vertonen
hyperglycemie als gevolg van stress → leidt tot foutieve interpretatie als diabetes indien alleen bloedglucose
wordt gebruikt. Belang van bloed + urine samen en/of aanvullende testen!
9
, 3.1. Fructosamine bepaling
1) Fructosamine: Stof ontstaat door binding bloedglucose + plasma-eiwitten (vnl. albumine)
→ Klinische toepassing: Fructosamine geeft een indicatie van de gemiddelde
bloedsuikerspiegel over de afgelopen 2 à 3 weken
- Hond: weerspiegelt gemiddelde glycemie van de voorbije 2 – 3 weken
- Kat: weerspiegelt gemiddelde glycemie van de voorbije 1 – 2 weken
2) Indicatie: Ter bevestiging van een diabetes-mellitus diagnose wanneer …
1. Urineverzameling = onbetrouwbaar of moeilijk (bv. bij een agressieve kat)
- Combinatie hyperglycemie + verhoogd fructosamine = aanvaard alternatief
2. Hyperglycemie = onbetrouwbaar o.w.v. stress-hyperglycemie (kat)
3. Monitoring / opvolging van glycemische controle over weken te volgen
- Veel in eerstelijnspraktijk
- Ook bij minder gemotiveerde eigenaren (die geen bloed willen prikken)
3) Gebruik: Fructosamine bepalen heeft voor- en nadelen …
Onafhankelijk van korte stress-hyperglycemie (glycemie van meerdere weken)
Goed alternatief wanneer urine niet kan worden bemonsterd
Goed voor trendopvolging over weken + wanneer glucoseopvolging niet haalbaar is
Normaal fructosamine sluit de mogelijkheid van DM niet uit
Hoog fructosamine geeft niet de oorzaak van een slechte controle
- Overlap tussen normale waarden en waarden van goed gecontroleerde of
slecht gecontroleerde patiënten — interpretatie vereist voorzichtigheid.
Fructosamine is niet perfect: vals pos/neg waarden mogelijk
- o.a. onbetrouwbaar bij hyperthyreoïdie
Glucosemeter via oorprik Neuropathie (kat); plantigrade stand Cataract (hond)
10