WEEK 7:
Personenrecht:
We hebben niet zoveel informatie over het personenrecht. Het is ook het recht dat het
minst invloedrijk is geweest op ons huidige recht.
De familia:
De familia is anders dan de familie die wij nu kennen, daarom laten we de term ook
onvertaald. Het is een ruimer begrip: alle huisgenoten (ook zonder bloed- of
huwelijksband) maakten er een deel van uit. We kunnen het vergelijken met een
onderneming.
o De pater familias was het hoofd van de familia. Hij beheerde het gehele
vermogen (inkomsten maar ook schulden) van de familia, was aansprakelijk voor
de handelingen van de leden van zijn familia en hij trad op als eiser en verweerder
in de rechtbanken.
Niet iedereen kon zomaar pater familias worden.
-Je moest beschikken over het Romeinse civiele statuut en dus een Romein zijn.
-Je moest de oudste in leven zijnde stamvader zijn. Dat betekent dat er geen
leeftijdslimiet op zat, een kind kon ook een p.f. zijn indien hij geen ascendenten
(voorouders) had.
De p.f. had controle over alle familieleden en had dus patria potestas, vaderlijke macht.
Een vrouw kon ook een p.f. zijn! Hiervoor moest ze wel het enige lid zijn van de familia
en ze had nog steeds een mannelijke procesvertegenwoordiger nodig. Als ze kinderen
kreeg kwamen die onder de macht van de vader.
De pater familias was eigenstandig: sui iuris, van eigen recht.
Alle nakomelingen waren alieni iuris, van andermans recht.
De vaderlijke macht kon op meerdere manieren eindigen:
-De dood: alle kinderen worden eigenstandig.
-Emancipatio: (zie blz 3) De zoon moest 3x “nep” verkocht worden. Dochters of andere
leden maar 1x.
-Verlies civiel statuut: geldt alsof de vader overleed
Een volledig verlies van het civiele statuut noemen we capitis diminutio maxima.
-Adrogatio: fusie van twee familiae waarbij één p.f. zich met heel zijn familia bij een
andere familia voegt. De p.f. komt hier onder macht van de p.f. van de “oplsorpende”
familie.
Verlies van patria potestas zonder verlies van vrijheidsstatuut noemen we capitis
diminutio minima.
o Omdat de familia een aansprakelijkheidsstructuur was, was orde erg
belangrijk. Daarom was de p.f. verplicht om twee soorten boekhouding bij te
houden.
In de interne boekhouding hield hij de rekeningen van alle leden bij en ook afspraken
die hij maakte met de leden over hun vermogen.
In de externe boekhouding schreef hij alle schulden, vorderingen, … die de familia had
met de buitenwereld.
Het begrip ‘familia’:
6 – 11de eeuw: Beide echtgenoten waren titularis van het vermogen. Als de ene stierf
de
kreeg de andere de helft van het vermogen en werd de andere helft verdeeld onder de
resterende erfgenamen.
12de – 13de eeuw: De vader/mannelijke echtgenoot wordt hoofd van de familie en de
vrouw wordt handelingsonbekwaam. De positie van de vrouw verslechterd en ze is enkel
nog handelingsbekwaam voor het huishoudelijk mandaat.
Code civil 1804: De handelingsonbekwaamheid van de vrouw en de maritale macht
wordt bevestigd.
Pas in 1976 krijgen man en vrouw weer gelijke bevoegdheden.
Familieleden:
o Als vrouwen gingen trouwen en echtgenotes werden, kwamen ze niet per se in
de familia van haar man. Er waren drie opties mogelijk:
,1. Ze wordt eigenstandig via emancipatio en heeft nu haar eigen familia.
2. Ze blijft in haar oude familia.
3. Ze gaat naar de familia van haar man (twee sub-opties):
-> Als haar man p.f. was, kon ze onder zijn macht komen na een plechtige bruiloft via
coemptio. Ze krijgt dan de positie van erfgename.
-> Als haar man geen p.f. was kwam ze onder de macht van zijn p.f.
o De bruidsschat (dos) was een bestemd vermogen dat een vrouw zou krijgen van
de familia van haar man als ze trouwde. Het was bedoeld voor de onderhoud van
de vrouw voor mocht het huwelijk eindigen.
De p.f. van de familia van de man was verantwoordelijk voor de instandhouding en het
onderhoud ervan. Hij moest in de interne boekhouding ook alles noteren over de
bruidsschat.
Als de p.f. failliet zou gaan, had de vrouw een voorrecht op haard schat.
Schenkingen tussen echtgenoten waren nietig. Wel waren voor en tijdens het huwelijk
schenkingen omwille van het huwelijk toegelaten.
o Kinderen en ‘erfgenamen’ noemen we ook wel filiifamilias. Filiusfamilias
betekent letterlijk zoon van de familie en filiafamilias is de dochter.
Die filiifamilias kunnen we beter vertalen als erfgenamen dan als kinderen, want het
heeft te maken met het statuut van de erfgenaam.
Alleen kinderen van de p.f. die tot de familia behoren en echtgenotes van de p.f. in
sommige gevallen konden het statuut van erfgenaam krijgen.
Je kon door geboorte in de familia terechtkomen, maar daarvoor moest je aan drie
voorwaarden voldoen. Die voorwaarden zijn cumulatief en je moet dus aan alle
voorwaarden voldoen.
-Het kind moet liber naturalis zijn, vrijgeboren.
Vanaf de 2de eeuw (keizer Hadrianus) was het statuut van de moeder daarvoor bepalend.
Een vrije moeder kreeg een vrij kind en een onvrije moeder een onvrij kind. Vrijgeboren
betekende ook levend geboren.
-Het kind moest in het kader van een huwelijk verwekt zijn.
De moeder moest door een bruiloft met de vader verbonden zijn, samenwoning volstond
niet.
-Het kind moest erkend worden door de vader.
Kon je jouw kinderen verkopen?
Diocletianus verbood de verkoop vaan kinderen.
Constantijn vond dat het wel mocht als iemand heel arm was, onder voorwaarde dat
men het kind altijd terug kon kopen. (werd opgenomen in de codex Jus)
o Adoptie was ook mogelijk. Hierbij komt een alieni iuris in een andere familia en
komt hij dus ook onder de macht van de p.f. van de familia. Door adoptie kreeg
men alle rechten van een erfgenaam in de familia.
Late keizerrijk: Volle adoptie was alleen mogelijk als de persoon die adopteert
ascendent was. Anders was er sprake van minder volle adoptie, omdat de geadopteerde
zijn band met de oude familia behield.
Christenen: Positieve houding tegenover adoptie.
Middeleeuwen: Negatieve houding tegenover adoptie.
De romeinen zeiden vroeger “adoptio imitatur naturam”: adoptie imiteert de geboorte.
Hiermee bedoelden ze dat geadopteerde dezelfde rechten kregen als de kinderen, maar
dat werd slecht geïnterpreteerd in de ME. Daarom werd gedacht dat geadopteerde
personen van tweede rang waren.
Code civil 1804: Voerde strikte regels in, waardoor adoptie moeilijk of onvolledig bleef.
1940: Invoering kinderadoptie
Adrogatio en nexum:
Bij die fusie tussen familiae hoorde ook de fusie tussen twee vermogens, waardoor
adrogatio een heel strategische zet kon zijn. Twee vermogens samen zijn beter dan één.
De fusie werd altijd gecontroleerd door de overheid. Er waren namelijk risico’s aan
verbonden voor schuldeisers. Zeker als je fuseerde met een vermogende familia.
, We hadden het eerder over bepaalde categorieën van mensen die beschermd werden.
Schuldeisers van p.f. die gefuseerd waren, behoorden tot die beschermde categorie. Voor
hun gold dus dat de fusie nooit had plaatsgevonden (algehele restitutie) en konden ze
hun vorderingen nog steeds innen. De schuldeiser mocht procederen alsof de fusie nooit
was gebeurd.
o Buiten kinderen en een echtgenoot behoorden de schuldknechten ook tot de
familia. Schuldknechtschap (nexum) was een sanctie voor insolvente
schuldenaren, een middelmatige vermindering van civiel statuut: capitis
diminutio media.
Alle inkomsten van de nexus gingen naar de p.f. (die ook de schuldeiser was. Wanneer
zijn schulden betaald waren, veranderde hij weer van familia door een ‘bevrijding van
schuldknecht’.
De p.f. had beperkte aansprakelijkheid voor verbintenissen die door de schuldknecht
afgesloten werden. Als een schuldeiser zo’n verbintenis opeiste, moest hij zijn eis als een
rechtsvordering met de bijkomende hoedanigheid van schuldknechtschap (actio
noxalis) opstellen.
De p.f. had dan de keuze om te betalen of om de schuldknecht over te dragen naar de
familia van de eiser.
o Slaven vielen ook onder familia. Personen in mancipio kwamen in de familia
terecht door een eenvoudige mancipatio of door kind te zijn van slaven.
De p.f. was exclusief voor hen aansprakelijk en hun inkomsten vielen in de familiale
gemeenschap.
Sommigen denken dat slaven behandeld werden als dingen (res) en niet als mensen. Dit
is onjuist: slaven hadden geen vrijheidsstatuut, maar ze waren niet rechteloos.
Ze werden beschermd door het strafrecht, want daar speelden civiele categorieën niet
mee.
Ze konden ook klagen in de rechtbanken en vragen om naar een andere familia
overgedragen te worden.
Slaaf werd je op drie verschillende manieren:
-Krijgsgevangene: Als een Romein krijsgevangene werd, verloor hij zijn geheel civiel
statuut.
-Veroordeling: Hogere magistraten konden civiele voorrechten intrekken.
-Geboorte: Het kind volgde het statuut van zijn moeder.
Als de moeder tijdens haar zwangerschap één moment vrij was geweest, was het kind vrij
bij de geboorte. We noemen dat favor libertatis, ten gunste van het kind.
Een slaaf kon ook terug vrijheid krijgen door de manumissio, vrijlating.
-Manumissio vindicta, met de staf: Dit gebeurde bij de praetor en later bij de keizerlijke
rechters. Een buitenstaander eiste dan de manumisio op en als de p.f. akkoord ging werd
het geaccepteerd.
-Manumissio per testament: Een testament werd afgehandeld door de rechtbanken.
Als de p.f. blij was met de slaaf kon in het testament worden opgenomen dat de slaaf vrij
was na de dood van de p.f.
-Manumissio in sacrosanctis ecclesiis: Kerkelijke verzelfstandiging ingevoerd door
Constantijn. De bisschop kon een vrijlating spreken, maar nog steeds met keizerlijke
controle (exsequatur).
-Verjaring: Als iedereen dacht dat je vrij was, maar dat eigenlijk niet zo was, en je dat 20
jaar volhield dan was je echt vrij.
Na de manumissio kreeg je het statuut van een vrijgelatene (libertus). Je had dan nog
altijd een band met je familia en de p.f. was nu jouw patronus. Dat had gevolgen voor het
erfrecht en het voogdijrecht.
Bij grove ondankbaarheid kon de p.f. de vrijlating herroepen.
Beperkte aansprakelijkheid voor familieleden:
Al familieleden zelf verbintenissen aangingen, waren die niet afdwingbaar.
Die verbintenissen kregen namelijk het karakter van een natuurlijke verbintenis. Daar
was dus geen procesmiddel voor, waardoor ze niet afdwingbaar waren.
Een verbintenis is een rechtsband tussen een schuldeiser en een schuldenaar.
Personenrecht:
We hebben niet zoveel informatie over het personenrecht. Het is ook het recht dat het
minst invloedrijk is geweest op ons huidige recht.
De familia:
De familia is anders dan de familie die wij nu kennen, daarom laten we de term ook
onvertaald. Het is een ruimer begrip: alle huisgenoten (ook zonder bloed- of
huwelijksband) maakten er een deel van uit. We kunnen het vergelijken met een
onderneming.
o De pater familias was het hoofd van de familia. Hij beheerde het gehele
vermogen (inkomsten maar ook schulden) van de familia, was aansprakelijk voor
de handelingen van de leden van zijn familia en hij trad op als eiser en verweerder
in de rechtbanken.
Niet iedereen kon zomaar pater familias worden.
-Je moest beschikken over het Romeinse civiele statuut en dus een Romein zijn.
-Je moest de oudste in leven zijnde stamvader zijn. Dat betekent dat er geen
leeftijdslimiet op zat, een kind kon ook een p.f. zijn indien hij geen ascendenten
(voorouders) had.
De p.f. had controle over alle familieleden en had dus patria potestas, vaderlijke macht.
Een vrouw kon ook een p.f. zijn! Hiervoor moest ze wel het enige lid zijn van de familia
en ze had nog steeds een mannelijke procesvertegenwoordiger nodig. Als ze kinderen
kreeg kwamen die onder de macht van de vader.
De pater familias was eigenstandig: sui iuris, van eigen recht.
Alle nakomelingen waren alieni iuris, van andermans recht.
De vaderlijke macht kon op meerdere manieren eindigen:
-De dood: alle kinderen worden eigenstandig.
-Emancipatio: (zie blz 3) De zoon moest 3x “nep” verkocht worden. Dochters of andere
leden maar 1x.
-Verlies civiel statuut: geldt alsof de vader overleed
Een volledig verlies van het civiele statuut noemen we capitis diminutio maxima.
-Adrogatio: fusie van twee familiae waarbij één p.f. zich met heel zijn familia bij een
andere familia voegt. De p.f. komt hier onder macht van de p.f. van de “oplsorpende”
familie.
Verlies van patria potestas zonder verlies van vrijheidsstatuut noemen we capitis
diminutio minima.
o Omdat de familia een aansprakelijkheidsstructuur was, was orde erg
belangrijk. Daarom was de p.f. verplicht om twee soorten boekhouding bij te
houden.
In de interne boekhouding hield hij de rekeningen van alle leden bij en ook afspraken
die hij maakte met de leden over hun vermogen.
In de externe boekhouding schreef hij alle schulden, vorderingen, … die de familia had
met de buitenwereld.
Het begrip ‘familia’:
6 – 11de eeuw: Beide echtgenoten waren titularis van het vermogen. Als de ene stierf
de
kreeg de andere de helft van het vermogen en werd de andere helft verdeeld onder de
resterende erfgenamen.
12de – 13de eeuw: De vader/mannelijke echtgenoot wordt hoofd van de familie en de
vrouw wordt handelingsonbekwaam. De positie van de vrouw verslechterd en ze is enkel
nog handelingsbekwaam voor het huishoudelijk mandaat.
Code civil 1804: De handelingsonbekwaamheid van de vrouw en de maritale macht
wordt bevestigd.
Pas in 1976 krijgen man en vrouw weer gelijke bevoegdheden.
Familieleden:
o Als vrouwen gingen trouwen en echtgenotes werden, kwamen ze niet per se in
de familia van haar man. Er waren drie opties mogelijk:
,1. Ze wordt eigenstandig via emancipatio en heeft nu haar eigen familia.
2. Ze blijft in haar oude familia.
3. Ze gaat naar de familia van haar man (twee sub-opties):
-> Als haar man p.f. was, kon ze onder zijn macht komen na een plechtige bruiloft via
coemptio. Ze krijgt dan de positie van erfgename.
-> Als haar man geen p.f. was kwam ze onder de macht van zijn p.f.
o De bruidsschat (dos) was een bestemd vermogen dat een vrouw zou krijgen van
de familia van haar man als ze trouwde. Het was bedoeld voor de onderhoud van
de vrouw voor mocht het huwelijk eindigen.
De p.f. van de familia van de man was verantwoordelijk voor de instandhouding en het
onderhoud ervan. Hij moest in de interne boekhouding ook alles noteren over de
bruidsschat.
Als de p.f. failliet zou gaan, had de vrouw een voorrecht op haard schat.
Schenkingen tussen echtgenoten waren nietig. Wel waren voor en tijdens het huwelijk
schenkingen omwille van het huwelijk toegelaten.
o Kinderen en ‘erfgenamen’ noemen we ook wel filiifamilias. Filiusfamilias
betekent letterlijk zoon van de familie en filiafamilias is de dochter.
Die filiifamilias kunnen we beter vertalen als erfgenamen dan als kinderen, want het
heeft te maken met het statuut van de erfgenaam.
Alleen kinderen van de p.f. die tot de familia behoren en echtgenotes van de p.f. in
sommige gevallen konden het statuut van erfgenaam krijgen.
Je kon door geboorte in de familia terechtkomen, maar daarvoor moest je aan drie
voorwaarden voldoen. Die voorwaarden zijn cumulatief en je moet dus aan alle
voorwaarden voldoen.
-Het kind moet liber naturalis zijn, vrijgeboren.
Vanaf de 2de eeuw (keizer Hadrianus) was het statuut van de moeder daarvoor bepalend.
Een vrije moeder kreeg een vrij kind en een onvrije moeder een onvrij kind. Vrijgeboren
betekende ook levend geboren.
-Het kind moest in het kader van een huwelijk verwekt zijn.
De moeder moest door een bruiloft met de vader verbonden zijn, samenwoning volstond
niet.
-Het kind moest erkend worden door de vader.
Kon je jouw kinderen verkopen?
Diocletianus verbood de verkoop vaan kinderen.
Constantijn vond dat het wel mocht als iemand heel arm was, onder voorwaarde dat
men het kind altijd terug kon kopen. (werd opgenomen in de codex Jus)
o Adoptie was ook mogelijk. Hierbij komt een alieni iuris in een andere familia en
komt hij dus ook onder de macht van de p.f. van de familia. Door adoptie kreeg
men alle rechten van een erfgenaam in de familia.
Late keizerrijk: Volle adoptie was alleen mogelijk als de persoon die adopteert
ascendent was. Anders was er sprake van minder volle adoptie, omdat de geadopteerde
zijn band met de oude familia behield.
Christenen: Positieve houding tegenover adoptie.
Middeleeuwen: Negatieve houding tegenover adoptie.
De romeinen zeiden vroeger “adoptio imitatur naturam”: adoptie imiteert de geboorte.
Hiermee bedoelden ze dat geadopteerde dezelfde rechten kregen als de kinderen, maar
dat werd slecht geïnterpreteerd in de ME. Daarom werd gedacht dat geadopteerde
personen van tweede rang waren.
Code civil 1804: Voerde strikte regels in, waardoor adoptie moeilijk of onvolledig bleef.
1940: Invoering kinderadoptie
Adrogatio en nexum:
Bij die fusie tussen familiae hoorde ook de fusie tussen twee vermogens, waardoor
adrogatio een heel strategische zet kon zijn. Twee vermogens samen zijn beter dan één.
De fusie werd altijd gecontroleerd door de overheid. Er waren namelijk risico’s aan
verbonden voor schuldeisers. Zeker als je fuseerde met een vermogende familia.
, We hadden het eerder over bepaalde categorieën van mensen die beschermd werden.
Schuldeisers van p.f. die gefuseerd waren, behoorden tot die beschermde categorie. Voor
hun gold dus dat de fusie nooit had plaatsgevonden (algehele restitutie) en konden ze
hun vorderingen nog steeds innen. De schuldeiser mocht procederen alsof de fusie nooit
was gebeurd.
o Buiten kinderen en een echtgenoot behoorden de schuldknechten ook tot de
familia. Schuldknechtschap (nexum) was een sanctie voor insolvente
schuldenaren, een middelmatige vermindering van civiel statuut: capitis
diminutio media.
Alle inkomsten van de nexus gingen naar de p.f. (die ook de schuldeiser was. Wanneer
zijn schulden betaald waren, veranderde hij weer van familia door een ‘bevrijding van
schuldknecht’.
De p.f. had beperkte aansprakelijkheid voor verbintenissen die door de schuldknecht
afgesloten werden. Als een schuldeiser zo’n verbintenis opeiste, moest hij zijn eis als een
rechtsvordering met de bijkomende hoedanigheid van schuldknechtschap (actio
noxalis) opstellen.
De p.f. had dan de keuze om te betalen of om de schuldknecht over te dragen naar de
familia van de eiser.
o Slaven vielen ook onder familia. Personen in mancipio kwamen in de familia
terecht door een eenvoudige mancipatio of door kind te zijn van slaven.
De p.f. was exclusief voor hen aansprakelijk en hun inkomsten vielen in de familiale
gemeenschap.
Sommigen denken dat slaven behandeld werden als dingen (res) en niet als mensen. Dit
is onjuist: slaven hadden geen vrijheidsstatuut, maar ze waren niet rechteloos.
Ze werden beschermd door het strafrecht, want daar speelden civiele categorieën niet
mee.
Ze konden ook klagen in de rechtbanken en vragen om naar een andere familia
overgedragen te worden.
Slaaf werd je op drie verschillende manieren:
-Krijgsgevangene: Als een Romein krijsgevangene werd, verloor hij zijn geheel civiel
statuut.
-Veroordeling: Hogere magistraten konden civiele voorrechten intrekken.
-Geboorte: Het kind volgde het statuut van zijn moeder.
Als de moeder tijdens haar zwangerschap één moment vrij was geweest, was het kind vrij
bij de geboorte. We noemen dat favor libertatis, ten gunste van het kind.
Een slaaf kon ook terug vrijheid krijgen door de manumissio, vrijlating.
-Manumissio vindicta, met de staf: Dit gebeurde bij de praetor en later bij de keizerlijke
rechters. Een buitenstaander eiste dan de manumisio op en als de p.f. akkoord ging werd
het geaccepteerd.
-Manumissio per testament: Een testament werd afgehandeld door de rechtbanken.
Als de p.f. blij was met de slaaf kon in het testament worden opgenomen dat de slaaf vrij
was na de dood van de p.f.
-Manumissio in sacrosanctis ecclesiis: Kerkelijke verzelfstandiging ingevoerd door
Constantijn. De bisschop kon een vrijlating spreken, maar nog steeds met keizerlijke
controle (exsequatur).
-Verjaring: Als iedereen dacht dat je vrij was, maar dat eigenlijk niet zo was, en je dat 20
jaar volhield dan was je echt vrij.
Na de manumissio kreeg je het statuut van een vrijgelatene (libertus). Je had dan nog
altijd een band met je familia en de p.f. was nu jouw patronus. Dat had gevolgen voor het
erfrecht en het voogdijrecht.
Bij grove ondankbaarheid kon de p.f. de vrijlating herroepen.
Beperkte aansprakelijkheid voor familieleden:
Al familieleden zelf verbintenissen aangingen, waren die niet afdwingbaar.
Die verbintenissen kregen namelijk het karakter van een natuurlijke verbintenis. Daar
was dus geen procesmiddel voor, waardoor ze niet afdwingbaar waren.
Een verbintenis is een rechtsband tussen een schuldeiser en een schuldenaar.