SAMENVATTING
Voor andere samenvattingen (bachelor Sociaal Werk), mail naar
------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
------------------------
1. INLEIDING
ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGIE
1. Definitie van ontwikkelingspsychologie
=Wetenschappelijke benadering gericht op het verklaren van 1. groei, 2.
verandering en 3. stabiliteit doorheen het leven: Onderzoekt hoe denken, voelen en
gedrag groeien, veranderen en stabiel blijven in iemands leven.
Domeinen:
o Biologische ontwikkeling.
o Sociaal-emotionele ontwikkeling (zie later punt ‘2. Sociaal-emotionele
ontwikkeling’).
o Cognitieve ontwikkeling (zie later punt ‘3. Cognitieve ontwikkeling’).
o Persoonlijkheidsontwikkeling (zie later punt ‘4. Persoonlijkheidsontwikkeling’).
Levenslooppsychologie: Studie van totale levensloop.
o Mensen vertonen individuele verschillen enerzijds, maar ook universele
ontwikkelingspatronen anderzijds (bv. copingmechanismen (individueel) vs.
eerst leren zitten, dan pas lopen (universeel)).
o In jeugd focus op universele ontwikkeling (omdat er dan voornamelijk
universele ontwikkelingen plaatsvinden), in volwassenheid focus op variatie
door keuzes en ervaringen (omdat er dan voornamelijk keuzes en ervaringen
plaatsvinden die variatie doen ontstaan).
Indeling in levensfasen (in jaren):
o Prenataal: Conceptie tot geboorte
o Baby: 0–2
o Peuter en kleuter: 2–6
o Schoolkind: 6–12
o Adolescentie: 12–20
o Jongvolwassenheid: 20–35
o Middenvolwassenheid: 35–55
o Late volwassenheid: 55–65
o Oudere: 65+
2.Belangrijke vragen over ontwikkeling
2.1 Continuïteit vs Discontinuïteit
Continuïteit = Geleidelijke, continue, kwantitatieve ontwikkeling: Geen
duidelijke overgangen of fasen, maar een langzame opbouw van vaardigheden en
kennis zonder plotselinge omslagpunten.;
1 Door: Robbe Veraghtert
, oBv. kind dat steeds beter leert rekenen (van appels bij elkaar optellen tot
statistiek).
Discontinuïteit = Sprongsgewijze, discontinue ontwikkeling met stadia die
kwalitatief van elkaar verschillen: Elke fase laat nieuw gedrag zien dat
fundamenteel anders is dan het gedrag uit de vorige fase.
o Bv. ontwikkeling van objectpermanentie: Van de ene dag op de andere beseft
het kind dat objecten niet zomaar verdwenen zijn wanneer ze niet meer te zien
zijn.
⇒ De meeste psychologen erkennen een mix van beide vormen.
2.2 Nature vs. Nurture
Nature = Genetische aanleg en biologische rijping;
Nurture = Eigen opvoeding en omgeving.
-
Centrale vragen:
o Hoe beïnvloeden nature en nurture gedrag en ontwikkeling?
=Sommige eigenschappen worden meer bepaald door nature (bv.
lichaamslengte), anderen meer door de omgeving (bv. taalontwikkeling).
o Hoe verloopt de interactie tussen nature en nurture?
=Een complexe interactie die het moeilijk maakt te bepalen welke van de
twee de overhand heeft bij bepaald gedrag (bv. Een kind met een
genetische neiging tot angst dat opgroeit in een ondersteunende
omgeving waardoor het hiermee leert omgaan en alsnog veerkrachtig
wordt.).
2.3 Stabiliteit vs. Verandering
Stabiliteit = Eigenschappen blijven gedurende het leven relatief hetzelfde
(⇒Nature).
Verandering = Plasticiteit van ontwikkeling mogelijk, ook bij moeilijke start
(⇒Nurture).
Kritieke perioden vs. Gevoelige perioden:
Kritieke perioden = Cruciale, relatief korte periode waarbinnen een persoon een
vaardigheid of functie díent te ontwikkelen, omdat de ontwikkeling ervan anders
vaak blijvend verstoord raakt (bv. baby in de eerste paar maanden geen visuele
prikkels ⇒ Hersenen ontwikkelen zich niet zo goed om visuele informatie te verwerken
⇒ Blijvende, niet-inhaalbare achterstand).
o ⇒Stabiliteit.
Gevoelige perioden = Laten meer flexibiliteit toe (bv. taal leren na kleutertijd
(=beste tijd) nog mogelijk met extra moeite).
o ⇒Plasticiteit.
o De term ‘gevoelig’ verwijst naar het feit dat het gevoelig, risicovol blijft ondanks
de blijvend bestaande mogelijkheid op ontwikkeling.
2 Door: Robbe Veraghtert
, 3. Balansmodel van Bakker
Transactioneel ontwikkelingsmodel vs. Levensloopmodel
Balansmodel van Bakker is op bieden gebaseerd!
Transactioneel model:
Ontwikkeling van kinderen = Wisselwerking/voortdurende interacties tussen
kind-, ouder- en/of omgevingsfactoren.
Dynamisch proces met beschermende factoren (=dragen bij aan een positieve
ontwikkeling en opvoeding) en risicofactoren (=vereisen extra inspanning om het
opvoedingsproces op koers te houden).
Levensloopmodel:
Ontwikkeling van kinderen = Fasenmodel met proces van opeenvolgende
ontwikkelingsopgaven die gedurende het leven volbracht moeten worden (bv. Als
kind leren samen spelen en samenwerken, als baby hechten aan je ouders, als puber
een eigen identiteit vormen, als volwassene relaties aangaan, ...). ⇒ Benadrukt dat
ontwikkeling niet lineair is: Niet steeds gewoon vooruit, maar soms vastlopen op
specifieke taken en uitdagingen bij een bepaalde fase. Later kan steeds een inhaalslag
gemaakt worden, waardoor het weer vooruit gaat.
Draagkracht vs. Draaglast
Draagkracht (van opvoeding)
Competenties én beschermende factoren van ouder én kind om met draaglast
om te gaan.
Draaglast (van opvoeding)
Opvoedingstaken én verantwoordelijkheden.
⇒ Evenwicht tussen draagkracht en draaglast bepaalt opvoedingscapaciteit.
3 Door: Robbe Veraghtert