Histologie – B&F II
Inhoud
1. Gastro-intestinaal stelsel ................................................................................... 2
1.1 Inleiding: algemene structuur ...................................................................... 2
1.2 De mondholte ............................................................................................ 2
1.2.1 De lippen ............................................................................................ 2
1.2.2 De wangen .......................................................................................... 3
1.2.3 De tanden ........................................................................................... 3
1.2.4 De eigenlijke mondholte ....................................................................... 6
1.2.5 De tong ............................................................................................... 7
1.2.6 Speekselklieren ................................................................................. 11
1.2.7 De farynx ........................................................................................... 15
1.2.8 Gewrichten ....................................................................................... 15
1.3 De eigenlijke spijsbuis............................................................................... 17
1.3.1 De slokdarm of oesophagus ............................................................... 19
2. Het ademhalingsstelsel ................................................................................... 21
2.1 Inleiding ................................................................................................... 21
2.2 Het geleidende deel .................................................................................. 21
2.2.1 Neus en paranasale sinussen ............................................................. 21
2.2.2 Nasofarynx, orofarynx en laryngofarynx ............................................... 24
2.2.3 De larynx of het stemapparaat of het strottenhoofd .............................. 25
2.2.4 De trachea ........................................................................................ 28
1
,1. Gastro-intestinaal stelsel
1.1 Inleiding: algemene structuur
Spijsvertering = veranderen van voedsel
➪ opname stoffen in bloedcirculatie
➪ eliminatie van niet bruikbare stoffen (defecatie)
3 delen:
- de mondholte
- de eigenlijke spijsbuis (8.5m) Dunne darm: overgang naar
- de spijsverteringsklieren eenlagig epitheel voor
uitwisseling
1.2 De mondholte
Lippen, wangen, tanden, eigenlijke mondholte, tong, speekselklieren, farynx
1.2.1 De lippen
Extern deel (E):
- Epidermis: meerlagig verhoornd plaveiselepitheel
- Dermis: zweet- en sebumklieren; haartjes
Overgangszone = lippenrood (O):
- EP: minder verhoornd (daarom drogen onze lippen makkelijk uit)
- DE: veel dermale papillen
- sterke vascularisatie en innervatie (daarom kleuren lippen rood)
Intern deel = vestibulair deel (I):
- EP: niet verhoornd meerl. plaveiselepitheel
- LP: muceuze speekselkliertjes
Centrale as: m.. orbicularis oris (M.O.) + BW met veel elastine vezels
E → I: verhoorning verdwijnt omdat daar uitwisseling moet kunnen plaatsgrijpen.
Hoornlaag beschermt ook tegen uitdroging, daarom in I speekselklieren aanwezig.
Waarom speekselklieren belangrijk in de mondholte? Buffer tegen zuren, tegen
uitdroging
2
,1.2.2 De wangen
Structuur vergelijkbaar met de lippen
Extern deel: huid
Intern deel:
- meerlagig niet verhoornd plaveiselepitheel
- LP + speekselkliertjes
Centrale as: m. buccinator + elastine vezels (belangrijk bij blazen)
1.2.3 De tanden
Bestaan uit een kroon, een hals, een wortel met een centrale opening waarin de pulpa
ligt.
Glazuur wordt aangemaakt door ameloblasten. In volwassen tand verdwijnen deze,
waardoor glazuur bij beschadiging niet kan herstellen.
3
,Odontoblasten: vormen dentine. Ze hebben een streperig uitzicht door de
dentinebuisjes. In dentinebuisjes lopen de vezels van Tomes = uitlopers van de
odontoblasten. Odontoblasten liggen op de pulpa-dentine grens.
In dentinebuisjes lopen ook wat zenuwuitlopers.
Tandvlees hecht aan op laatste gedeelte van de kroon, net onder glazuur → vorming
sulcus gingivalis. Hierin stapelen bacteriën enzo op. Dit kan cariës veroorzaken.
Via apicaal foramen komen BV naar binnen: liggen in gelachtige substantie = mucoïde
BW
Gingiva: parakeratose = gedeeltelijke verhoorning: je ziet nog celkernen tot helemaal
bovenaan
Tand zit vast in het bot: opgehangen in de tandalveole door vezels van Sharpey
(parodontaal ligament) => bestaat uit collageen type 1 → laat toe dat de positie van
tanden nog aangepast kan worden (orthodontie)
Cement = overgang van dentine naar parodontaal ligament
- Zelfde eigenschappen als dentine
- Wordt aangemaakt door cementocyten
- Bestaat voor 65% uit caalciumhydrroxyapatiet
+Alles was omheen de tand ligt = het parodontium
- Buitenkant: compact
- Centraal: centrale spongiosa
- Tegen parodontaal ligament aan:
eigenlijke alveolaire bot
- Bundle bone = vezelachtig uitzicht
Alveolaire processus : de corticale plaat, de centrale spongiosa en het bot dat de
alveolus omgeeft = alveolaire bot (alveolar bone proper/bundle bone)
4
, PDL: parodontaal ligament = uit collageen vezels (van tand naar tandbot) → vormt
eerste laag alveolair bot = bundle bone (primair bot)
Plaatsen waar herstel en veel druk wordt uitgeoefend: eerst primair bot
Iets wat heel compact is = wit gekleurd
Glazuur is verdwenen : voor coupes moeten we
bot eerst ontkalken (zelfde voor de tand) → kalk
is weg dus kroon is volledig opgelost, wat nog
overblijft van dentine is de collageen 1 (kleurt
sterk roze)
Gingiva: veel BW papillen, beetje verhoorning →
wijst erop dat dat deel is in mond waar veel
druk wordt uitgeoefend
Dentinebuisjes doorgesneden op 2 manieren
Op grens tandpulpa en dentine = odontoblasten
Z = zenuwvezels
C = kleine capilairtjes
Pulpa = ijl
5
Inhoud
1. Gastro-intestinaal stelsel ................................................................................... 2
1.1 Inleiding: algemene structuur ...................................................................... 2
1.2 De mondholte ............................................................................................ 2
1.2.1 De lippen ............................................................................................ 2
1.2.2 De wangen .......................................................................................... 3
1.2.3 De tanden ........................................................................................... 3
1.2.4 De eigenlijke mondholte ....................................................................... 6
1.2.5 De tong ............................................................................................... 7
1.2.6 Speekselklieren ................................................................................. 11
1.2.7 De farynx ........................................................................................... 15
1.2.8 Gewrichten ....................................................................................... 15
1.3 De eigenlijke spijsbuis............................................................................... 17
1.3.1 De slokdarm of oesophagus ............................................................... 19
2. Het ademhalingsstelsel ................................................................................... 21
2.1 Inleiding ................................................................................................... 21
2.2 Het geleidende deel .................................................................................. 21
2.2.1 Neus en paranasale sinussen ............................................................. 21
2.2.2 Nasofarynx, orofarynx en laryngofarynx ............................................... 24
2.2.3 De larynx of het stemapparaat of het strottenhoofd .............................. 25
2.2.4 De trachea ........................................................................................ 28
1
,1. Gastro-intestinaal stelsel
1.1 Inleiding: algemene structuur
Spijsvertering = veranderen van voedsel
➪ opname stoffen in bloedcirculatie
➪ eliminatie van niet bruikbare stoffen (defecatie)
3 delen:
- de mondholte
- de eigenlijke spijsbuis (8.5m) Dunne darm: overgang naar
- de spijsverteringsklieren eenlagig epitheel voor
uitwisseling
1.2 De mondholte
Lippen, wangen, tanden, eigenlijke mondholte, tong, speekselklieren, farynx
1.2.1 De lippen
Extern deel (E):
- Epidermis: meerlagig verhoornd plaveiselepitheel
- Dermis: zweet- en sebumklieren; haartjes
Overgangszone = lippenrood (O):
- EP: minder verhoornd (daarom drogen onze lippen makkelijk uit)
- DE: veel dermale papillen
- sterke vascularisatie en innervatie (daarom kleuren lippen rood)
Intern deel = vestibulair deel (I):
- EP: niet verhoornd meerl. plaveiselepitheel
- LP: muceuze speekselkliertjes
Centrale as: m.. orbicularis oris (M.O.) + BW met veel elastine vezels
E → I: verhoorning verdwijnt omdat daar uitwisseling moet kunnen plaatsgrijpen.
Hoornlaag beschermt ook tegen uitdroging, daarom in I speekselklieren aanwezig.
Waarom speekselklieren belangrijk in de mondholte? Buffer tegen zuren, tegen
uitdroging
2
,1.2.2 De wangen
Structuur vergelijkbaar met de lippen
Extern deel: huid
Intern deel:
- meerlagig niet verhoornd plaveiselepitheel
- LP + speekselkliertjes
Centrale as: m. buccinator + elastine vezels (belangrijk bij blazen)
1.2.3 De tanden
Bestaan uit een kroon, een hals, een wortel met een centrale opening waarin de pulpa
ligt.
Glazuur wordt aangemaakt door ameloblasten. In volwassen tand verdwijnen deze,
waardoor glazuur bij beschadiging niet kan herstellen.
3
,Odontoblasten: vormen dentine. Ze hebben een streperig uitzicht door de
dentinebuisjes. In dentinebuisjes lopen de vezels van Tomes = uitlopers van de
odontoblasten. Odontoblasten liggen op de pulpa-dentine grens.
In dentinebuisjes lopen ook wat zenuwuitlopers.
Tandvlees hecht aan op laatste gedeelte van de kroon, net onder glazuur → vorming
sulcus gingivalis. Hierin stapelen bacteriën enzo op. Dit kan cariës veroorzaken.
Via apicaal foramen komen BV naar binnen: liggen in gelachtige substantie = mucoïde
BW
Gingiva: parakeratose = gedeeltelijke verhoorning: je ziet nog celkernen tot helemaal
bovenaan
Tand zit vast in het bot: opgehangen in de tandalveole door vezels van Sharpey
(parodontaal ligament) => bestaat uit collageen type 1 → laat toe dat de positie van
tanden nog aangepast kan worden (orthodontie)
Cement = overgang van dentine naar parodontaal ligament
- Zelfde eigenschappen als dentine
- Wordt aangemaakt door cementocyten
- Bestaat voor 65% uit caalciumhydrroxyapatiet
+Alles was omheen de tand ligt = het parodontium
- Buitenkant: compact
- Centraal: centrale spongiosa
- Tegen parodontaal ligament aan:
eigenlijke alveolaire bot
- Bundle bone = vezelachtig uitzicht
Alveolaire processus : de corticale plaat, de centrale spongiosa en het bot dat de
alveolus omgeeft = alveolaire bot (alveolar bone proper/bundle bone)
4
, PDL: parodontaal ligament = uit collageen vezels (van tand naar tandbot) → vormt
eerste laag alveolair bot = bundle bone (primair bot)
Plaatsen waar herstel en veel druk wordt uitgeoefend: eerst primair bot
Iets wat heel compact is = wit gekleurd
Glazuur is verdwenen : voor coupes moeten we
bot eerst ontkalken (zelfde voor de tand) → kalk
is weg dus kroon is volledig opgelost, wat nog
overblijft van dentine is de collageen 1 (kleurt
sterk roze)
Gingiva: veel BW papillen, beetje verhoorning →
wijst erop dat dat deel is in mond waar veel
druk wordt uitgeoefend
Dentinebuisjes doorgesneden op 2 manieren
Op grens tandpulpa en dentine = odontoblasten
Z = zenuwvezels
C = kleine capilairtjes
Pulpa = ijl
5