SAMENVATTING ROMEINS
INHOUD
INLEIDING.....................................................................................................2
HEDENDAAGSE RELEVANTIE........................................................................5
ALGEMENE KENMERKEN...........................................................................5
INVLOEDEN...............................................................................................6
ARCHITECTUUR............................................................................................7
ALGEMENE KENMERKEN...........................................................................7
VROEGE ONTWIKKELINGEN.......................................................................8
GROTE TENDENSEN..................................................................................9
BOUWORDEN............................................................................................9
ROMEINSE TOEVOEGINGEN AAN HET DECORATIESYSTEEM....................10
BOUWMATERIALEN EN-TECHNIEKEN.......................................................10
TECHNIEKEN: BOGEN EN GEWELVEN......................................................12
ARCHITECTEN..........................................................................................12
SCHARNIERMOMENTEN...........................................................................13
GEBOUWTYPES.......................................................................................14
RELIGIEUZE ARCHITECTUUR...................................................................15
SPEKTAKEL EN ONTSPANNING.................................................................16
FUNERAIRE ARCHITECTUUR....................................................................17
STADSPLANNING........................................................................................18
VROEGE ONTWIKKELING VAN ROME.......................................................18
ETRUSKISCHE ARCHEOLOGIE EN KUNST....................................................19
OMGEVING..............................................................................................19
VILLANOVA PERIODE...............................................................................20
ORIËNTALISERENDE PERIODE.................................................................21
ARCHAÏSCHE PERIODE............................................................................24
KLASSIEKE PERIODE................................................................................25
BEELDHOUWKUNST....................................................................................26
VROEGE TENDENSEN EN ONTWIKKELING...............................................26
1
, PORTRETKUNST.......................................................................................28
FUNERAIRE SCULPTUUR..........................................................................29
SARCOFAGEN EN ASKISTEN....................................................................30
BRONZEN................................................................................................30
SCHILDERKUNST........................................................................................31
BRONNEN................................................................................................31
VROEGE ONTWIKKELING EN INVLOEDEN................................................32
TECHNIEKEN...........................................................................................33
ONTWIKKELING VAN DE DECORATIESYSTEMEN......................................35
OVERZICHT VAN DE FIGURATIEVE GENRES.............................................36
MOZAÏEKKKUNST........................................................................................37
TERMINOLOGIE........................................................................................37
INVLOED EN VROEGE ONTWIKKELING.....................................................38
LATE REPUBLIEK......................................................................................40
KEIZERTIJD (ITALISCH SCHIEREILAND)....................................................41
LATE OUDHEID (ITALISCH SCHIEREILAND EN SICILIË).............................41
MOZAÏEKKUNST IN DE PROVINCIES.........................................................42
OPUS SECTILE.........................................................................................43
INLEIDING
Johann Winckelmann was de eerste geleerde die Griekse en Romeinse
kunst ging bestuderen. Hij stelde het idee dat de Grieken voorlopers waren
van de Romeinen
2
,Britten maakten vaak een tour door Europe -> Grond Tour. Hierbij gingen
ze de belangrijkste sites in Frankrijk en Italië bezoeken, het was belangrijk
voor de Europese elite generaties dat ze beïnvloed werden door de antieke
cultuur. Soms namen ze objecten mee als souvenirs
Europese aristocratie (macht in de handen van de elite)
De ets van Piranesi, van het Colosseum, gaat de Europese architecten
sterk beïnvloeden
Voor moderne archeologen zijn oude prenten heel belangrijk, zeker als ze
gedetailleerd zijn. Zo kunnen ze op basis van schetsen een idee hebben
hoe iets eruit zou hebben gezien, en soms zelfs een reconstructie doen
18de eeuw: eerste opgravingen rond de Vesuvius (Herculaneum en
Pompeji)
In de vroege 19de eeuw was een grote fascinatie voor Romeinse kunst en
archeologie, dat kwam door de ontdekken van Pompeji en Herculaneum.
Er zijn veel mensen die deze sites willen gaan bezoeken
Giuseppe Fiorelli wordt directeur van de opgravingen in Pompeji, hij legde
grote delen van de sta bloot. Deelde Pompeji in, in verschillende regio’s,
zo kan men wegwijs geraken. Hij trof holtes aan met skeletresten, en goot
gips in de holtes om ze op te vullen -> ‘Pompeji-casts’ (er bleef een skelet
over in de holte van het lichaam)
Vroeg 19de eeuw: Napoleon verwindt in Rome, hij zag dit als een groot
voorbeeld voor zijn eigen imperium. Hij ging de focus leggen op zijn
keizerrijk door o.a. triomfbogen bloot te leggen
Een Duits archeologisch instituut ging voor de eerste keer
wetenschappelijke opgravingen doen
In de 19de eeuw werden de christelijke catacomben van Rome ontdekt.
Archeologen gingen dit voorstellen als een heilige site
Italië had nood aan infrastructuur, dus gingen ze gigantische
bouwprojecten starten. In grote steden krijgen we gigantische
bouwprojecten, en oude buurten werden platgelegd en er werd fundering
aangelegd voor bouwprojecten. Er werden toen ook veel archeologische
gebouwen blootgelegd
Italië wou meer mogelijkheden bieden aan Italiaanse archeologen, dus
Italiaanse opgravingen mochten enkel door Italianen opgegraven worden
3
, Na WOII gaan Amerikanen opgraven rond de Middellandse zeegebied, in
de gebieden waar ze gezag over hadden gekregen door de oorlog
Er waren grootschalige opgravingen in Italië onder Mussolini. Het maakte
een link tussen de Italiaanse Nazistaat en het Romeinse rijk
In het deel tussen het Colosseum en het ‘altaar van Italië, zijn alle
woonwijken verdwenen om een boulevard aan te kunnen leggen
Augustus ging werken laten uitvoeren zoals het Mausoleum in Rome
Het idee van een recreatie van het Romeinse keizerrijk bracht veel
restanten aan het licht. Maar het bracht ook een visie op wat de Romeinse
stad zou moeten zijn
‘Meta Sudans’: fontein tussen het Colosseum en de boog van Constantijn.
Het werd afgebroken want het paste niet in het ‘perfecte plaatje’
De havenstad van Rome, Ostia werd opgegraven in de 20ste eeuw. Het is
nu nog steeds één van de belangrijkste sites in Italië
Na WOII kwam de opkomst van wettenschappelijk archeologisch
onderzoek, niet enkel ook voor de kleine dingen maar aandacht voor alles.
In Italië zijn stratigrafische opgravingen best laat in beeld gekomen
Niet invasief onderzoek: geen opgravingen, geen objecten doormidden
zagen voor informatie, … Maar o.b.v. geofysisch onderzoek inzicht gaan
krijgen
Survey technieken: surveyeren van een veld
De laatste 20 jaar zijn er grote sprongen voorwaarts gemaakt, zoals X-Ray
fluorescentie (XRF), daarmee krijg je waardevolle informatie over een
artefact. Ook bestaat er pigment-analyse, deze methode wordt vooral
gebruikt bij schilderijen
4
INHOUD
INLEIDING.....................................................................................................2
HEDENDAAGSE RELEVANTIE........................................................................5
ALGEMENE KENMERKEN...........................................................................5
INVLOEDEN...............................................................................................6
ARCHITECTUUR............................................................................................7
ALGEMENE KENMERKEN...........................................................................7
VROEGE ONTWIKKELINGEN.......................................................................8
GROTE TENDENSEN..................................................................................9
BOUWORDEN............................................................................................9
ROMEINSE TOEVOEGINGEN AAN HET DECORATIESYSTEEM....................10
BOUWMATERIALEN EN-TECHNIEKEN.......................................................10
TECHNIEKEN: BOGEN EN GEWELVEN......................................................12
ARCHITECTEN..........................................................................................12
SCHARNIERMOMENTEN...........................................................................13
GEBOUWTYPES.......................................................................................14
RELIGIEUZE ARCHITECTUUR...................................................................15
SPEKTAKEL EN ONTSPANNING.................................................................16
FUNERAIRE ARCHITECTUUR....................................................................17
STADSPLANNING........................................................................................18
VROEGE ONTWIKKELING VAN ROME.......................................................18
ETRUSKISCHE ARCHEOLOGIE EN KUNST....................................................19
OMGEVING..............................................................................................19
VILLANOVA PERIODE...............................................................................20
ORIËNTALISERENDE PERIODE.................................................................21
ARCHAÏSCHE PERIODE............................................................................24
KLASSIEKE PERIODE................................................................................25
BEELDHOUWKUNST....................................................................................26
VROEGE TENDENSEN EN ONTWIKKELING...............................................26
1
, PORTRETKUNST.......................................................................................28
FUNERAIRE SCULPTUUR..........................................................................29
SARCOFAGEN EN ASKISTEN....................................................................30
BRONZEN................................................................................................30
SCHILDERKUNST........................................................................................31
BRONNEN................................................................................................31
VROEGE ONTWIKKELING EN INVLOEDEN................................................32
TECHNIEKEN...........................................................................................33
ONTWIKKELING VAN DE DECORATIESYSTEMEN......................................35
OVERZICHT VAN DE FIGURATIEVE GENRES.............................................36
MOZAÏEKKKUNST........................................................................................37
TERMINOLOGIE........................................................................................37
INVLOED EN VROEGE ONTWIKKELING.....................................................38
LATE REPUBLIEK......................................................................................40
KEIZERTIJD (ITALISCH SCHIEREILAND)....................................................41
LATE OUDHEID (ITALISCH SCHIEREILAND EN SICILIË).............................41
MOZAÏEKKUNST IN DE PROVINCIES.........................................................42
OPUS SECTILE.........................................................................................43
INLEIDING
Johann Winckelmann was de eerste geleerde die Griekse en Romeinse
kunst ging bestuderen. Hij stelde het idee dat de Grieken voorlopers waren
van de Romeinen
2
,Britten maakten vaak een tour door Europe -> Grond Tour. Hierbij gingen
ze de belangrijkste sites in Frankrijk en Italië bezoeken, het was belangrijk
voor de Europese elite generaties dat ze beïnvloed werden door de antieke
cultuur. Soms namen ze objecten mee als souvenirs
Europese aristocratie (macht in de handen van de elite)
De ets van Piranesi, van het Colosseum, gaat de Europese architecten
sterk beïnvloeden
Voor moderne archeologen zijn oude prenten heel belangrijk, zeker als ze
gedetailleerd zijn. Zo kunnen ze op basis van schetsen een idee hebben
hoe iets eruit zou hebben gezien, en soms zelfs een reconstructie doen
18de eeuw: eerste opgravingen rond de Vesuvius (Herculaneum en
Pompeji)
In de vroege 19de eeuw was een grote fascinatie voor Romeinse kunst en
archeologie, dat kwam door de ontdekken van Pompeji en Herculaneum.
Er zijn veel mensen die deze sites willen gaan bezoeken
Giuseppe Fiorelli wordt directeur van de opgravingen in Pompeji, hij legde
grote delen van de sta bloot. Deelde Pompeji in, in verschillende regio’s,
zo kan men wegwijs geraken. Hij trof holtes aan met skeletresten, en goot
gips in de holtes om ze op te vullen -> ‘Pompeji-casts’ (er bleef een skelet
over in de holte van het lichaam)
Vroeg 19de eeuw: Napoleon verwindt in Rome, hij zag dit als een groot
voorbeeld voor zijn eigen imperium. Hij ging de focus leggen op zijn
keizerrijk door o.a. triomfbogen bloot te leggen
Een Duits archeologisch instituut ging voor de eerste keer
wetenschappelijke opgravingen doen
In de 19de eeuw werden de christelijke catacomben van Rome ontdekt.
Archeologen gingen dit voorstellen als een heilige site
Italië had nood aan infrastructuur, dus gingen ze gigantische
bouwprojecten starten. In grote steden krijgen we gigantische
bouwprojecten, en oude buurten werden platgelegd en er werd fundering
aangelegd voor bouwprojecten. Er werden toen ook veel archeologische
gebouwen blootgelegd
Italië wou meer mogelijkheden bieden aan Italiaanse archeologen, dus
Italiaanse opgravingen mochten enkel door Italianen opgegraven worden
3
, Na WOII gaan Amerikanen opgraven rond de Middellandse zeegebied, in
de gebieden waar ze gezag over hadden gekregen door de oorlog
Er waren grootschalige opgravingen in Italië onder Mussolini. Het maakte
een link tussen de Italiaanse Nazistaat en het Romeinse rijk
In het deel tussen het Colosseum en het ‘altaar van Italië, zijn alle
woonwijken verdwenen om een boulevard aan te kunnen leggen
Augustus ging werken laten uitvoeren zoals het Mausoleum in Rome
Het idee van een recreatie van het Romeinse keizerrijk bracht veel
restanten aan het licht. Maar het bracht ook een visie op wat de Romeinse
stad zou moeten zijn
‘Meta Sudans’: fontein tussen het Colosseum en de boog van Constantijn.
Het werd afgebroken want het paste niet in het ‘perfecte plaatje’
De havenstad van Rome, Ostia werd opgegraven in de 20ste eeuw. Het is
nu nog steeds één van de belangrijkste sites in Italië
Na WOII kwam de opkomst van wettenschappelijk archeologisch
onderzoek, niet enkel ook voor de kleine dingen maar aandacht voor alles.
In Italië zijn stratigrafische opgravingen best laat in beeld gekomen
Niet invasief onderzoek: geen opgravingen, geen objecten doormidden
zagen voor informatie, … Maar o.b.v. geofysisch onderzoek inzicht gaan
krijgen
Survey technieken: surveyeren van een veld
De laatste 20 jaar zijn er grote sprongen voorwaarts gemaakt, zoals X-Ray
fluorescentie (XRF), daarmee krijg je waardevolle informatie over een
artefact. Ook bestaat er pigment-analyse, deze methode wordt vooral
gebruikt bij schilderijen
4