C. De standensamenleving
1. Het ontstaan van de standensamenleving (500-1000)
- Ongelijkheid bij Romeinen en Germanen: - ‘vrije mensen’ elite
gewone mensen
- slaven
- Onveiligheid eeuw na val WRR: - door: - volksverhuizingen
- voortdurende invallen
- permanente oorlogen
- lokale krijgsheer: - beschermt vrije boeren
- heeft klein leger van tientallen krijgers
- dient vaak heersende vorst
- bestuurt een bepaald gebied
- arme boeren: - gehoorzaam voor bescherming
- steunen eventueel heer in de strijd
verliezen een stuk van hun vrijheid
krijgen meer verplichtingen: - karweien
- belastingen
worden ‘horigen’ (horen bij heer)
Tweedeling maatschappij: - krijgsheren: zorgen voor veiligheid
- horigen: zorgen voor onderhoud (eten)
- Macht geestelijkheid stijgt: - door kerstening van West-Europa
- zijn geschoold (kunnen lezen en schrijven)
= nuttig voor vorsten
krijgen stukken grond en voorrechten
- vanaf jaar 1000 ingeburgerd in samenleving
indeling maatschappij = wil van God
iedereen heeft eigen taak in samenleving
- geestelijkheid/clerus = eerste stand
staat in voor het zielenheil
- adel = tweede stand
staat in voor bescherming
ook koning? Of staat erboven?
- rest van de bevolking = derde stand
samenleving van voedsel voorzien
- Rechten en plichten volgens stand: - adel + clerus: 1. veel gronden
2. veel rechten
- derde stand: vooral plichten:
1. volgens eigen regels berecht
2. kregen geen hoge functies of ambten
1
1. Het ontstaan van de standensamenleving (500-1000)
- Ongelijkheid bij Romeinen en Germanen: - ‘vrije mensen’ elite
gewone mensen
- slaven
- Onveiligheid eeuw na val WRR: - door: - volksverhuizingen
- voortdurende invallen
- permanente oorlogen
- lokale krijgsheer: - beschermt vrije boeren
- heeft klein leger van tientallen krijgers
- dient vaak heersende vorst
- bestuurt een bepaald gebied
- arme boeren: - gehoorzaam voor bescherming
- steunen eventueel heer in de strijd
verliezen een stuk van hun vrijheid
krijgen meer verplichtingen: - karweien
- belastingen
worden ‘horigen’ (horen bij heer)
Tweedeling maatschappij: - krijgsheren: zorgen voor veiligheid
- horigen: zorgen voor onderhoud (eten)
- Macht geestelijkheid stijgt: - door kerstening van West-Europa
- zijn geschoold (kunnen lezen en schrijven)
= nuttig voor vorsten
krijgen stukken grond en voorrechten
- vanaf jaar 1000 ingeburgerd in samenleving
indeling maatschappij = wil van God
iedereen heeft eigen taak in samenleving
- geestelijkheid/clerus = eerste stand
staat in voor het zielenheil
- adel = tweede stand
staat in voor bescherming
ook koning? Of staat erboven?
- rest van de bevolking = derde stand
samenleving van voedsel voorzien
- Rechten en plichten volgens stand: - adel + clerus: 1. veel gronden
2. veel rechten
- derde stand: vooral plichten:
1. volgens eigen regels berecht
2. kregen geen hoge functies of ambten
1