Samenvatting Professioneel omgaan met gedragsproblemen H1 en H2
Inleiding
Er zijn verschillende niveau’s van gedragsproblemen. Dit kan als piramide worden weergegeven, met niveau
1 als brede basis en niveau 3 als top.
Niveau’s van gedragsproblemen:
Niveau 1: Gaat om preventie. Lk belangrijkste rol door adaptief onderwijs (afstemmen onderwijs op
behoeften en mogelijkheden ll, goed klassenmngt en veilig klimaat), goed pedagogisch
klimaat (veiligheid, regels en afspraken), interessante lessen, uitdagende werkvormen en
sociaal-emotionele ondersteuning, met methode.
Niveau 2: Als ondanks adaptief, veilig, ondersteunend klimaat, de problemen verergeren.
Lk belangrijkste rol, ondersteund door professionals binnen school (ib’er, rt’er).
Door groepsplannen, differentiatie, verlengde instructie, handelingsplannen.
Niveau 3: Als probleem erg ernstig of onduidelijk is dat school het niet zelf aankan.
Geïntegreerd handelingsplan lk, ib’er en externe hulp.
Bij elk kind spelen andere beschermende- en risicofactoren een rol. Elk kind en elke groep is uniek.
Gestoorde soc-em ontwikkeling kan leiden tot geëxternaliseerd probleemgedrag (naar buiten gericht: ruzie,
vechten, conflict, brutaal) of geïnternaliseerd probleemgedrag (naar binnen gericht: stil, teruggetrokken,
depressief, angst).
Klassificatiesystemen:
1. DSM-klassificatie (Diagnostic en Statisctical Manual)
Veel gebruikt in kinder- en jeugdpsychiatrie. O.b.v. observaties. Wel of niet vertoond gedrag diagnose.
2. Klassificatie o.b.v. geëxternaliseerd- of geïnternaliseerd probleemgedrag
Meer gebaseerd op empirisch onderzoek (vragenlijsten en factoranalyses). Ook oorzaak problemen is
criterium voor indeling. Gedragsstoornis is in aanleg kind en gedragprobleem in omgevingsfactoren.
H1
Gedragsprobleem = soc-em probleem = psychosociaal probleem. Bij gedragsprobleem (zowel
geïnternaliseerd als geëxternaliseerd) gaan andere leerlingen dit kind vermijden. Kind krijgt steeds minder
sociale ervaringen en een negatief zelfbeeld kan ontstaan. Sociale en emotionele problemen kunnen niet los
van elkaar gezien worden.
Bepaalde psychiatrische en pedagogische problemen kunnen binnen de school behandeld worden. Een
samenwerking tussen lk, ib’er, rt’er en ouders is noodzakelijk. Criterium is mate van storend gedrag voor
anderen en hoe belemmerend voor lk zelf.
H2: Verschillende benaderingen
1. Psychoanalytische opvatting
Psychoanalytische school (± 1900 belangrijk) richtte zich op allesomvattende theorie van zieke en gezonde
mens. Doel was bewerkstelligen therapeutisch genezend proces bij neurotici. Oprichter was Sigmund Freud.
Psychoanalyse = Uiteenrafelen van menselijke geest (m.b.v. verschillende technieken)
Inhoud psychoanalytische school:
Ego, Super-Ego en Id (Ich, Uber-ich en Es).
Id: Onderbewuste (biologische driften) en motor achter psychische processen. Driften zoeken
bevrediging (eten, sex, etc)
Super-Ego: In engere zin: geweten. Is resultaat van opvoeding (etnische en morele kwesties). Schept
ideaalbeeld: Dat ken ik zo en zo wil ik zijn. Is o.b.v. wat men als ‘goed’ heeft leren kennen.
Ego: Representeert verstand. Houdt driften in bedwang. Controleert en reguleert Id en Super-Ego.
Zorgt voor een harmonieuze persoonlijkheid.
Problemen ontstaan bij scheefgroei van verschillende krachten. Bv. Overontwikkeling Super-Ego door te
strenge opvoeding en dreigen met hel of juist door te sterke identificatie met ouder. Gevolg: angstig,
dwangmatig, minderwaardigheidsgevoel. Ook kan Super-Ego te weinig ontwikkeld zijn door weinig eisen
, ouders zwak ontwikkeld geweten. Kind doet war het zin in heeft en wil eigen lusten bevredigen.
Lustprincipe wordt niet door realiteitsprincipe vervangen.
Psychoanalytici gaan uit van cruciale ontwikkelingsfasen en ontstaan van specifiek probleemgedrag. In elke
fase wordt seksuele energie (libido) op ander lichaamsdeel gericht. Kan elk lichaamsdeel worden, maar
voornamelijk mond, anus, genitaliën.
1e ontwikkelingsstadium: Mond orale fase.
2e ontwikkelingsstadium: Anus anale fase
3e ontwikkelingsstadium: Genitaliën fallische/oedipale fase en na latentieperiode genitale fase.
Probleem ontstaat bij fixatie. Bij bijvoorbeeld orale fixatie is persoon blijven hangen in orale fase, mogelijk
omdat zuigbehoefte niet bevredigd is of te weinig contact met moeder. Kind wordt oraal type: dol op
snoepen, buiten, zuigen.
Ontwikkelingsstadia
Eriksson (1977) ontwikkelde ontwikkelingsstadia. Gaat uit van 2 polen op zelfde continuüm, zoals
vertrouwen-wantrouwen, autonomie-twijfel, intimiteit-isolement, etc. Als positieve polen in loop van
ontwikkeling niet bereikt worden, ontstaan problemen. Traumatische gebeurtenissen en ernstige
verwaarlozing kunnen ontwikkeling blokkeren en leiden tot aanhoudende problemen.
Behandeling is gericht op onderliggende interne psychische conflicten (belangrijker dan uiterlijk gedrag
veranderen) Gaat om herstel evenwicht van verschillende krachten, door bepaalde systemen te versterken,
bijvoorbeeld ego-steun, of andere systemen af te zwakken, bijvoorbeeld Super-Ego-tendenties verminderen
of verlangens uit Id als lust afzwakken.
Dit is een erg therapeutische aanpak, en daardoor minder geschikt voor het onderwijs.
2. Gedragstheoretische benadering (=leertheoretische benadering)
Tot de gedragstheoretische benadering behoren klassiek en operant conditioneren en behaviorisme. Het is
een populaire theorie, want deze geeft veel handreikingen voor behandeling.
Centrale aanname gedragstheoretische benadering:
Alle gedrag is geleerd gedrag. Dus gericht toepassen van leerprincipes leidt tot het afleren van aangeleerd
probleemgedrag. Gedragsmodificatietechnieken hebben redelijk snel effect. Leren vindt plaats via
conditioneringsprocessen.
Aanvankelijk richtte men zich alleen op meetbaar gedrag in het behaviorisme. Later krijgt ook het denken
een plaats in de cognitieve gedragstheorie. Gedragstherapie is de meest effectieve vorm voor psychische
problemen (ook van kinderen). Inzichten van Behavioristen zijn voorloper van gedragstheoretische
benadering.
Klassiek conditioneren (Pavlov 1849-1936)
Sterkt verwant aan instictief gedrag. Wordt ook responsief conditioneren genoemd. Pavlov bestudeerde
speekselreflex. Voedsel (stimulus) speeksel (respond). Later produceerden honden al speeksel bij horen
voetstappen = aangeleerde reflex. Geconditioneerde reflexen zijn aangeleerde reflexen.
S1 (geluid) R1 (spitsen oren)
S2 (voedsel) R2 (speeksel afscheiden) na herhaling:
S1 (geluid) R2 (speeksel afscheiden)
Voorwaarde was dat S1 en S2 tegelijk werden toegediend (contiguïteitsprincipe) en wordt
geconditioneerde of voorwaardelijke reflex genoemd.
Aangeboren of ongeconditioneerde reflex is bij ongeconditioneerde stimulus (UCS) en ongeconditioneerde
respons (UCR). Ongeconditioneerde stimulus lokt bij alle individuen van dezelfde soort, dezelfde
ongeconditioneerde reflex op. Bv. vleespoeder speeksel afscheiden.
Als door leerproces volgens continguïteitsprincipe sprake is van een geconditioneerde reflex (dus CS CR)
kan UCS vervangen worden door CS. Dit heet stimulus-substitutie. Deze vorm van leren wordt daarom
weleens stimulus-substitutie genoemd.
Inleiding
Er zijn verschillende niveau’s van gedragsproblemen. Dit kan als piramide worden weergegeven, met niveau
1 als brede basis en niveau 3 als top.
Niveau’s van gedragsproblemen:
Niveau 1: Gaat om preventie. Lk belangrijkste rol door adaptief onderwijs (afstemmen onderwijs op
behoeften en mogelijkheden ll, goed klassenmngt en veilig klimaat), goed pedagogisch
klimaat (veiligheid, regels en afspraken), interessante lessen, uitdagende werkvormen en
sociaal-emotionele ondersteuning, met methode.
Niveau 2: Als ondanks adaptief, veilig, ondersteunend klimaat, de problemen verergeren.
Lk belangrijkste rol, ondersteund door professionals binnen school (ib’er, rt’er).
Door groepsplannen, differentiatie, verlengde instructie, handelingsplannen.
Niveau 3: Als probleem erg ernstig of onduidelijk is dat school het niet zelf aankan.
Geïntegreerd handelingsplan lk, ib’er en externe hulp.
Bij elk kind spelen andere beschermende- en risicofactoren een rol. Elk kind en elke groep is uniek.
Gestoorde soc-em ontwikkeling kan leiden tot geëxternaliseerd probleemgedrag (naar buiten gericht: ruzie,
vechten, conflict, brutaal) of geïnternaliseerd probleemgedrag (naar binnen gericht: stil, teruggetrokken,
depressief, angst).
Klassificatiesystemen:
1. DSM-klassificatie (Diagnostic en Statisctical Manual)
Veel gebruikt in kinder- en jeugdpsychiatrie. O.b.v. observaties. Wel of niet vertoond gedrag diagnose.
2. Klassificatie o.b.v. geëxternaliseerd- of geïnternaliseerd probleemgedrag
Meer gebaseerd op empirisch onderzoek (vragenlijsten en factoranalyses). Ook oorzaak problemen is
criterium voor indeling. Gedragsstoornis is in aanleg kind en gedragprobleem in omgevingsfactoren.
H1
Gedragsprobleem = soc-em probleem = psychosociaal probleem. Bij gedragsprobleem (zowel
geïnternaliseerd als geëxternaliseerd) gaan andere leerlingen dit kind vermijden. Kind krijgt steeds minder
sociale ervaringen en een negatief zelfbeeld kan ontstaan. Sociale en emotionele problemen kunnen niet los
van elkaar gezien worden.
Bepaalde psychiatrische en pedagogische problemen kunnen binnen de school behandeld worden. Een
samenwerking tussen lk, ib’er, rt’er en ouders is noodzakelijk. Criterium is mate van storend gedrag voor
anderen en hoe belemmerend voor lk zelf.
H2: Verschillende benaderingen
1. Psychoanalytische opvatting
Psychoanalytische school (± 1900 belangrijk) richtte zich op allesomvattende theorie van zieke en gezonde
mens. Doel was bewerkstelligen therapeutisch genezend proces bij neurotici. Oprichter was Sigmund Freud.
Psychoanalyse = Uiteenrafelen van menselijke geest (m.b.v. verschillende technieken)
Inhoud psychoanalytische school:
Ego, Super-Ego en Id (Ich, Uber-ich en Es).
Id: Onderbewuste (biologische driften) en motor achter psychische processen. Driften zoeken
bevrediging (eten, sex, etc)
Super-Ego: In engere zin: geweten. Is resultaat van opvoeding (etnische en morele kwesties). Schept
ideaalbeeld: Dat ken ik zo en zo wil ik zijn. Is o.b.v. wat men als ‘goed’ heeft leren kennen.
Ego: Representeert verstand. Houdt driften in bedwang. Controleert en reguleert Id en Super-Ego.
Zorgt voor een harmonieuze persoonlijkheid.
Problemen ontstaan bij scheefgroei van verschillende krachten. Bv. Overontwikkeling Super-Ego door te
strenge opvoeding en dreigen met hel of juist door te sterke identificatie met ouder. Gevolg: angstig,
dwangmatig, minderwaardigheidsgevoel. Ook kan Super-Ego te weinig ontwikkeld zijn door weinig eisen
, ouders zwak ontwikkeld geweten. Kind doet war het zin in heeft en wil eigen lusten bevredigen.
Lustprincipe wordt niet door realiteitsprincipe vervangen.
Psychoanalytici gaan uit van cruciale ontwikkelingsfasen en ontstaan van specifiek probleemgedrag. In elke
fase wordt seksuele energie (libido) op ander lichaamsdeel gericht. Kan elk lichaamsdeel worden, maar
voornamelijk mond, anus, genitaliën.
1e ontwikkelingsstadium: Mond orale fase.
2e ontwikkelingsstadium: Anus anale fase
3e ontwikkelingsstadium: Genitaliën fallische/oedipale fase en na latentieperiode genitale fase.
Probleem ontstaat bij fixatie. Bij bijvoorbeeld orale fixatie is persoon blijven hangen in orale fase, mogelijk
omdat zuigbehoefte niet bevredigd is of te weinig contact met moeder. Kind wordt oraal type: dol op
snoepen, buiten, zuigen.
Ontwikkelingsstadia
Eriksson (1977) ontwikkelde ontwikkelingsstadia. Gaat uit van 2 polen op zelfde continuüm, zoals
vertrouwen-wantrouwen, autonomie-twijfel, intimiteit-isolement, etc. Als positieve polen in loop van
ontwikkeling niet bereikt worden, ontstaan problemen. Traumatische gebeurtenissen en ernstige
verwaarlozing kunnen ontwikkeling blokkeren en leiden tot aanhoudende problemen.
Behandeling is gericht op onderliggende interne psychische conflicten (belangrijker dan uiterlijk gedrag
veranderen) Gaat om herstel evenwicht van verschillende krachten, door bepaalde systemen te versterken,
bijvoorbeeld ego-steun, of andere systemen af te zwakken, bijvoorbeeld Super-Ego-tendenties verminderen
of verlangens uit Id als lust afzwakken.
Dit is een erg therapeutische aanpak, en daardoor minder geschikt voor het onderwijs.
2. Gedragstheoretische benadering (=leertheoretische benadering)
Tot de gedragstheoretische benadering behoren klassiek en operant conditioneren en behaviorisme. Het is
een populaire theorie, want deze geeft veel handreikingen voor behandeling.
Centrale aanname gedragstheoretische benadering:
Alle gedrag is geleerd gedrag. Dus gericht toepassen van leerprincipes leidt tot het afleren van aangeleerd
probleemgedrag. Gedragsmodificatietechnieken hebben redelijk snel effect. Leren vindt plaats via
conditioneringsprocessen.
Aanvankelijk richtte men zich alleen op meetbaar gedrag in het behaviorisme. Later krijgt ook het denken
een plaats in de cognitieve gedragstheorie. Gedragstherapie is de meest effectieve vorm voor psychische
problemen (ook van kinderen). Inzichten van Behavioristen zijn voorloper van gedragstheoretische
benadering.
Klassiek conditioneren (Pavlov 1849-1936)
Sterkt verwant aan instictief gedrag. Wordt ook responsief conditioneren genoemd. Pavlov bestudeerde
speekselreflex. Voedsel (stimulus) speeksel (respond). Later produceerden honden al speeksel bij horen
voetstappen = aangeleerde reflex. Geconditioneerde reflexen zijn aangeleerde reflexen.
S1 (geluid) R1 (spitsen oren)
S2 (voedsel) R2 (speeksel afscheiden) na herhaling:
S1 (geluid) R2 (speeksel afscheiden)
Voorwaarde was dat S1 en S2 tegelijk werden toegediend (contiguïteitsprincipe) en wordt
geconditioneerde of voorwaardelijke reflex genoemd.
Aangeboren of ongeconditioneerde reflex is bij ongeconditioneerde stimulus (UCS) en ongeconditioneerde
respons (UCR). Ongeconditioneerde stimulus lokt bij alle individuen van dezelfde soort, dezelfde
ongeconditioneerde reflex op. Bv. vleespoeder speeksel afscheiden.
Als door leerproces volgens continguïteitsprincipe sprake is van een geconditioneerde reflex (dus CS CR)
kan UCS vervangen worden door CS. Dit heet stimulus-substitutie. Deze vorm van leren wordt daarom
weleens stimulus-substitutie genoemd.