1.1 De kandidaat beschrijft op centraal en Centrale overheid = het rijk
decentraal niveau welke organen belast zijn Decentrale overheid = provincies en
met de drie onderdelen van de trias politica gemeenten
Wetgevende macht
Eerste Kamer
Tweede Kamer
Regering
Provinciale staten
Gemeenteraden
Uitvoerende macht
Regering
Ministers
Rechterlijke macht
(Onafhankelijke) rechters
1.2 De kandidaat bepaalt voor een orgaan onder Rijk
welke bestuurslaag dit valt Regering: wetgeving
Ministerraad
Ministers
Staatssecretarissen
Provincie
Provinciale Staten: wetgeving
Gedeputeerde Staten: uitvoerende macht
Commissaris van de Koning: controlerende
Gemeente
Gemeenteraad
College van Burgemeesters en Wethouders
(B&W)
Burgemeesters
1.3 De kandidaat beschrijft welke Werknemersverzekeringen = UWV
(semi)overheidsinstanties belast is met de Volksverzekeringen = SVB
uitvoering van wetgeving of het treffen van Toeslagen = Belastingdienst
een voorziening op een bepaald beleidsterrein Studiefinanciering = DUO
Jeugdhulp en WMO = Gemeente
Volkshuisvesting = Woningbouwcorporaties
Ondernemersklimaat = KVK
, Vreemdelingenbeleid = IND
Rijvaardigheid = CBR
Voorkomen/verminderen crimineel gedrag =
Reclassering
Klachten overheidshandelen = Ombudsman
2.1 De kandidaat stelt in een eenvoudige situatie Het legaliteitsbeginsel staat in art. 5:4 Awb
vast op grond van welke wet en wetsartikel
een overheidsorgaan mag optreden
3.1 Een kandidaat motiveert aan de hand van een In het bestuursrecht gaat het over een actie.
wetsartikel in een eenvoudige situatie vast of Het bestuursrecht bepaalt hoe de overheid
iets in het bestuursrecht geregeld is een bestuurstaak moet uitoefenen.
Besluiten, belastingen, vergunningen
3.2 De kandidaat stelt in een eenvoudige situatie Hogere wetgeving gaat voor lagere
op basis van een algemeen principe vast welke wetgeving
regelgeving van toepassing is Bijzondere wetgeving gaat voor algemene
wetgeving
Nieuwe wetgeving gaat voor oude
wetgeving
4.1 De kandidaat stelt in een eenvoudige situatie Zorgvuldigheidsbeginsel art. 3:2 Awb
aan de hand van een wetsartikel vast welk Fairplaybeginsel art. 2:4 Awb
beginsel van behoorlijk bestuur in geding is bij Motiveringsbeginsel art. 3.46 Awb
besluitvorming door bestuursorganen Verbod misbruik bevoegdheid art. 3:3 Awb
Materieel zorgvuldigheidsbeginsel +
belangenafweging art. 3:4 lid 1 Awb
Evenredigheidsbeginsel art. 3:4 lid 2 Awb
Beginsel van willekeur art. 3:4 lid 1 Awb
5.1 De kandidaat past aan de hand van een Bestuursorgaan art. 1:1 Awb
wetsartikel in een eenvoudige situatie de Belanghebbende art. 1:2 Awb
centrale begrippen uit de Awb toe Besluit art. 1:3 lid 1 Awb
5.2 De kandidaat motiveert in een eenvoudige Feitelijke handeling schept geen recht en/of
situatie waarom er sprake is van een plicht
rechtshandeling (privaatrechtelijke of
publiekrechtelijke) of een feitelijke handeling Een privaatrechtelijke rechtshandeling
schept een recht en/of plicht in het
burgerlijk/privaatrecht (huurovereenkomst)
Een publiekrechtelijke rechtshandeling
schept een recht en/of plicht in het
publiekrecht. Dit kan alleen door een
bepaald bestuursorgaan worden verricht.