HS 1: situering van psychologie als
wetenschap en van functieleer als
basisdomein in de psychologie
1.1 OORSPRONKELIJKE DEFINITIE VANUIT TRADITIONELE OPVATTINGEN
OVER HET GEEST-LICHAAM-PROBLEEM
psychologie ontstaan door samenvoeging Griekse begrippen psyche (ziel, geest) en logos (kennis)
à psychologie = zielkunde, wetenschap van de geest
opmerking over “ziel” en “geest”:
de geest werd al vroeg in filosofische geschiedenis gescheiden van het lichaam:
• vb Plato: geest niet onderhevig aan zelfde wetten als lichaam, want bestaan vrije wil
• vb Descartes: onderscheid res cogitans – res extensa
HET DUALISME
dualisme = geest en lichaam zijn van elkaar gescheiden, twee verschillende entiteiten
probleem: geest-lichaam-probleem = probleem van interactie tussen beide entiteiten; er is
wisselwerking tussen de geest en het lichaam maar hoe kan dat als ze van elkaar gescheiden zijn?
• antwoord Descartes: interactie vindt plaats in pijnappelklier (“zetel van de ziel”) centraal
gelegen in hersenen -> achterhaald
illustratie geest-lichaam-probleem: grootte pupilopening
• enerzijds: reflexmatige controle van hoeveelheid lichtinval: vergroot bij minder licht
o puur lichamelijk fenomeen onderhevig aan fysische wetten
• anderzijds: afhankelijk van interesse: vergroot bij verhoogde interesse in het waargenomene
o eerder mentaal fenomeen
§ obv inhoud van beelden
§ obv waarnemende persoon
à DUS: meetbare reactie kan fysische maar ook psychologische oorzaak hebben
HET MONISME
monisme = geest en lichaam zijn twee aspecten van eenzelfde entiteit
• materialisme:
o ontologische variant: alleen het fysische bestaat echt, alles is materie
o epistemologische variant (reductionisme): alleen het fysische kan wetenschappelijk
bestudeerd worden; psychologische verklaringen kunnen gereduceerd worden tot hun
overeenkomstige fysische processen
• idealisme
o epistemologische variant (solipsisme): werkelijkheid kan enkel gekend worden via
eigen zintuigen en eigen denken; werkelijkheid wordt beïnvloed door werking zintuigen
en denken; geen wereld buiten eigen waarneming; subjectiviteit
o ontologische variant (panpsychisme): alles in de natuur heeft een ziel
1
,belangrijke voorstander monisme: Gustav Theodor Fechner (1801)
• verwerpt dualisme, aanhanger van panpsychisme
o monistische visie: fysische en psychische als twee facetten van hetzelfde
§ beeldspraak: cirkel is van binnen uit bekeken hol en van buiten uit bekeken bol
maar het blijft dezelfde cirkel -> idem met denken: binnenin psychisch
(subjectief, geest) psychisch, buitenaf fysisch (objectief, hersenen)
• grondlegger psychofysica
o exacte wetenschap van functionele relatie tussen lichaam – geest
o belangrijke mijlpaal in ontwikkeling psychologie als wetenschap
o “Elemente der Psychophysik”
1.2 HEDENDAAGSE DEFINITIE VANUIT VISIE OP COMPLEXITEIT VAN DE
PSYCHOLOGIE
hedendaagse opvatting geest-lichaam-probleem: mentale processen zijn onvermijdelijk gebonden aan
fysische systemen maar niet reduceerbaar tot louter fysische processen; mentale processen bestaan
en moeten dus ook zo bestudeerd worden
à psychologie = wetenschap van gedrag en factoren die dit beïnvloeden (gedragsdeterminanten)
• zowel fysisch als mentaal
• zowel zichtbaar als verborgen
• vaak meerdere factoren
• vaak complexe wisselwerking
voorbeelden uit psychologie van complexe wisselwerkingen:
Rorschach inktvlekkentest
• Hermann Rorschach (1884)
• essentie: persoonlijkheid testen ahv inktvlekken; persoon projecteert elementen van eigen
persoonlijkheid in antwoorden
• veronderstelling: elke betekenis in betekenisloze prikkel moet komen van persoon zelf
• werking: belangrijke factoren in test:
o vorm: inktvlekken zijn geen duidelijke afbeelding van bestaande dingen, maar ook niet
compleet vormloos; moeten tegelijkertijd voldoende ambigue en voldoende duidelijk
zijn; associatie met visuele herinneringen van gelijkaardige vormen; hersenen gaan
voortdurend op zoek naar gekende patronen in toevallige structuren (pareidolia1:
meestal bekende mensen en dieren)
o symmetrie: indruk van toeval vernietigen; symmetrische patronen zijn makkelijker te
interpreteren
o figuur-achtergrondomkering: kleur die op voorgrond wordt gezet door je perceptie
bepaalt soms ook wat je ziet
o kleur: kan tot minder intellectuele interpretaties leiden; kleur lokt emotie en
subjectiviteit uit
o …
• conclusie: eenzelfde fenomeen – interpretatie van onduidelijke, betekenisloze prikkel – wordt
door meerdere factoren beïnvloed:
o perceptie: verwerking van input
o geheugen: oproepen van beelden van gekende voorwerpen
o emotionele reacties en eigen interpretaties ifv persoonlijkheid, verleden, drijfveren, …
• kritiek: onbetrouwbaar want andere, fundamentelere verklaringen voor resultaten dan
persoonlijkheid -> goede wetenschap moet alles in rekening brengen en eerst zoeken bij
algemene principes alvorens naar individuele bijzonderheden
o wetenschap (vooral psychologie) splitst zich hierbij op in twee soorten benaderingen:
1
pareidolia: het zien van betekenisvolle figuren in vormloze prikkels
2
, § nomothetische verklaring (algemene wetten, voor iedereen hetzelfde)
§ idiografische verklaring (specifieke factoren, individueel verschillend)
Hawthorne onderzoek
• assemblagefabriek in VS, jaren 20, normale werkomstandigheden
• essentie: testen of verbetering van arbeidsomstandigheden leidt tot verhoogde productie
• hypothese: verbeterde werkomstandigheden -> verhoogde arbeidstevredenheid -> verhoogde
arbeidsproductiviteit
o hypothese klopt, maar niet helemaal: nog steeds verhoogde productie bij
verslechtering van arbeidsomstandigheden
o verborgen variabele: stijging arbeidsproductiviteit niet het gevolg van verhoogde
arbeidstevredenheid, maar van waardering en erkenning
• conclusie: eenzelfde fenomeen – verhoging arbeidsproductiviteit – wordt door meerdere
factoren beïnvloed; plausibele verklaringen niet altijd juist, altijd controle nodig; niet enkel
zoeken naar bevestiging van hypothese maar ook hypothese proberen weerleggen (falsificatie);
verborgen factoren vaak moeilijk observeerbaar -> operationaliseren, meetbaar maken
• Hawthorne eIect = aandacht biedt gevoel van waardering en erkenning; waardering en
erkenning als verborgen psychologische factor
Betula studie
• essentie: achterhalen welke factoren bepalen of mensen succesvol ouder worden
o combinatie van longitudinaal (over langere periode, op meerdere momenten) en cross-
sectioneel (verschillende groepen op dezelfde momenten) design
o zowel cognitieve als niet-cognitieve factoren
• veel voor de hand liggende resultaten
• ook verrassende resultaten: het hebben van een eigen gebit -> mogelijke samenhang met
algemene gezondheid, opleidingsniveau, …
• conclusie: complexe samenhang tussen onafhankelijke variabelen en afhankelijke variabelen;
correlatie (loutere samenhang, omkeerbare relatie) ≠ causatie (oorzakelijk verband, niet
omkeerbare relatie)
o scheermes van Ockham: geheel van gegevens zo zuinig mogelijk verklaren, met zo
weinig mogelijk en zo eenvoudig mogelijke variabelen
psychologie: wat voor soort wetenschap?
Wilhelm Dilthey (1833)
• maakte onderscheid natuurwetenschappen (‘verklaren’) – menswetenschappen (‘begrijpen’)
o natuurwetenschappen: gericht op verklaren van wetmatigheden in natuur
§ natuurfenomenen zijn te verklaren door inwerking van externe krachten op
levenloze en onveranderlijke materie; wetmatigheden kunnen vastgesteld
worden door herhaaldelijk onderzoek
o menswetenschappen: gericht op begrijpen van mens en zijn geschiedenis
§ psychologische fenomenen zijn enkel te begrijpen door uniek karakter van
bestudeerde verschijnselen (geschiedenis, cultuur, economie, religie, …)
- voortbrengsels van langdurige samenwerking tussen mensen
• implicaties voor psychologie:
o natuurwetenschappelijke benadering ongeschikt voor bestuderen menselijke
werkelijkheid; psychologie moet totale ervaring nemen die zich enkel van binnenuit laat
begrijpen en mag niet reduceren
o psychologie moet zowel proberen verklaren als begrijpen
§ binnen bep. grenzen kijken naar natuurwetenschappen, vanaf bep. punt
overschakelen op psychologische verklaringen voor gedrag
o psychologie = zowel natuurwetenschap als geesteswetenschap
3
,1.3 POSITIE VAN DE PSYCHOLOGIE NAAST ANDERE WETENSCHAPPEN
psychologie is verwant met enorm veel andere wetenschappelijke disciplines -> multidisciplinair
• psychologie als “hub science”: frequent gebruikte schakel in netwerk van wetenschap
o vaak naar psychologie verwezen vanuit andere disciplines
• hiërarchische indeling op vlak van fundamentaliteit
o wiskunde als meest zuivere wetenschap
o psychologie als slechts ‘toegepaste biologie’, ‘toegepaste chemie’, …
o maar: zeer reductionistische visie
1.4 BASISDOMEINEN VAN DE PSYCHOLOGIE
onderscheid tussen 5 basisdomeinen (Bert Duijker, 1959: Nomenclatuur en Systematiek)
1 methodenleer fundament van de psychologie waarop overige 4 basisdomeinen verder
bouwen dat aangeeft hoe psychologische fenomenen wetenschappelijk
onderzocht moeten worden
2 functieleer studie van de algemene menselijke functies en capaciteiten
(waarneming, denken, taal, leren, emotie, …)
3 persoonlijkheidsleer studie van datgene waarin het individu uniek is en zich onderscheidt van
anderen, de individuele persoonlijkheid, zowel normaal als abnormaal
4 ontwikkelingsleer studie van de ontwikkeling van de mens van geboorte tot dood in alle
aspecten (biologische functies, persoonlijkheid, gedrag, …)
5 gedragsleer studie van gedrag van mens in wisselwerking met zijn omgeving, zowel
fysisch als sociaal
ook andere (toegepaste) deeldomeinen: bedrijfspsychologie, sportpsychologie, reclamepsychologie, …
4
,1.5 GESCHIEDENIS VAN DE PSYCHOLOGIE
“psychologie kent een lang verleden maar een korte geschiedenis”: er wordt al lang nagedacht over
en onderzoek gedaan over zaken die tot de psychologie behoren, nog voor er sprake was van
psychologie als autonome wetenschappelijke discipline
psychologie als resultaat uit samengaan (en wisselwerking) van filosofie en fysiologie:
• nadruk op eeuwenlange discussies binnen epistemologie en belangrijke fysiologische
ontdekkingen met invloed op filosofie in 18e E.
o vb: Julien O?ray de la Mettrie met “L’homme machine” (1748): machine als ‘maaksel’ vs
organisme als ‘groeisel’ -> de mens als machine, zowel fysisch als mentaal
1.5.1 EMPIRISME HAALT HET VAN RATIONALISME IN 17E EN 18E E.
centraal debat in filosofie:
• rationalisme: alle kennis komt voort uit het verstand als enige bron (de ratio)
o Immanuel Kant: grondlegger
§ bestaan van aangeboren ideeën (ruimte, tijd, …)
• empirisme: alle kennis komt voort uit zintuiglijke ervaringen als enige bron (de empirie)
o John Locke (1632): grondlegger
§ mens geboren als tabula rasa = onbeschreven blad
§ “niets is in het verstand aanwezig dat niet eerst in de zintuigen was”
- geen enkel idee is aangeboren, alle ideeën komen voort uit ervaring
- gaat in tegen rationalistische visie van aangeboren ideeën
§ onderscheid tussen eenvoudige ideeën (waarneming) en complexe ideeën als
associaties tussen eenvoudige ideeën = fundamentele eenheid van de geest
o George Berkeley (1685)
§ “zijn is waargenomen worden”: immaterialisme
§ geest brengt materie voort, onze geest neemt materie waar en we vormen zo een
individuele werkelijkheid (idealisme -> solipsisme2)
§ belangrijke werken en ideeën:
- Essay towards a new theory of vision: licht en kleur zijn resultaat van
waarneming en niet van de materiële objecten zelf (frequenties en
golflengtes door brein omgezet in kleur en licht)
- visuele waarneming is gebaseerd op ervaring, geleerd door associatie
§ probleem van Molyneux: blindie die opeens kan zien neemt niet
meteen alles waar zoals wij, moet eerst associaties gaan
koppelen aan bep. waarnemingen dmv tast en andere zintuigen
- Treatise concerning the principles of human knowledge: externe wereld
bestaat enkel uit ideeën, is inherent subjectief
o David Hume (1711)
§ voorlopig hoogtepunt van empirisme, basis van psychologie
§ “A treatise of human nature”: psychologische basis van menselijke natuur
§ “An enquiry concerning human understanding”: adaptatie vorig werk,
onderscheid tussen impressies (waarneming, sensatie) – ideeën (herinnering,
verbeelding)
- belang van associaties om van simpele tot complexe ideeën te komen
- solipsisme
2
solipsisme: we kunnen de realiteit buiten ons niet met zekerheid kennen, ook aan het zelf moeten we twijfelen
5
,1.5.2 BELANGRIJKE FYSIOLOGISCHE ONTDEKKINGEN EN ANDERE ONTWIKKELINGEN IN 18E EN 19E E.
naast filosofische ontwikkelingen ook veel fysiologische ontdekkingen:
• Charles Bell (1774)
o onderscheid tussen sensorische – motorische zenuwbanen
o sensorische zenuwbanen (aqerent) leiden prikkels naar centraal zenuwstelsel ->
verwerking prikkels -> motorische zenuwbanen (eqerent) leiden prikkels naar spieren
o impliceert bestaan van (oncontroleerbare reflexen)
§ discussie over bewuste controle en vrije wil
• Johannes Müller (1801)
o zenuwen als bemiddelaar tussen objecten en bewustzijn
o specifieke zenuwkwaliteiten voor verschillende sensoriële kwaliteiten
§ kleurtheorie: 3 receptoren voor 3 basiskleuren
• Hermann von Helmholtz (1850)
o eerste empirische metingen van transmissiesnelheid signalen in zenuwbanen
o een van de voorvaders van experimentele psychologie
o onbewuste inferentie: waarneming impliceert onbewuste redenering
wetenschappers met veel invloed op fysiologie (en filosofie):
• Philippe Pinel (1745) als pionier van psychiatrie: beschouwde “gekken” niet langer als bezeten
door de duivel, maar als geesteszieken die geholpen moesten worden
• Franz Joseph Gall (1758) ontwikkelt frenologie: methode om iemands persoonlijkheid en
vaardigheden af te lezen via knobbels op schedel
o achterhaald, maar belangrijke redenering: elk hersendeel heeft specifieke functie(s) en
aanleg daarvoor kan gemeten worden
• Ernst Weber (1834) als voorloper van psychofysicia: meting van zintuiglijke gewaarwordingen in
verschillende zintuiglijke modaliteiten
• Friedrich Wilhelm Bessel (1784) onderzoekt interindiviuele verschillen
• Franciscus Cornelius Donders (1818)
o basis van hedendaagse cognitieve psychologie
o informatieverwerking bestaat uit verschillende discrete, seriële stappen die zicht- en
meetbaar gemaakt kunnen worden door experimentele condities met elkaar te
vergelijken -> reactietijdverschillen geven indicatie van hoe lang elke stap duurt
§ substractiemethode: identificeren van mentale basisprocessen door
vergelijking van condities die maar op één component van elkaar verschillen
§ basis voor mentale chronometrie (meting tijdsduur mentale processen)
1.5.3 ANDERE BELANGRIJKE VOORLOPERS VAN DE PSYCHOLOGIE IN 18E EN 19E E.
• Johan Friedrich Herbart (1776)
o opvolger Immanuel Kant
o introduceert met zijn boeken voor eerst psychologie als afzonderlijk vakgebied
o psychologie moet empirisch en kwantitatief zijn, niet experimenteel en fysiologisch
o geest als één groot dynamisch systeem
§ ideeën zijn dynamisch, bezitten energie (aantrekking/afstoting); ideeën vechten
voor toegang tot het bewustzijn; ideeën worden nooit vergeten, maar geraken
enkel verdrongen onder drempel van bewustzijn
o aandacht leidt tot scherpere waarneming, ideeën en herinneringen
• Ernst Mach (1838)
o “Analysis of sensations”: mijlpaal in waarnemingspsychologie
o tegelijkertijd voor- en tegenstander van Kant
§ enerzijds: tijd en ruimte zijn essentieel voor alle waarnemingen
§ anderzijds: waarneming als enige epistemologische basis voor wetenschap
o grote invloed op fenomenologie en logisch positivisme
6
, • Franz Brentano (1838)
o intentionaliteit als hoofdkenmerk van mentale fenomenen:
§ elk mentaal fenomeen heeft een inhoud en is gericht op een object;
intentionaliteit is de zingevende betrokkenheid van het subject op het object
§ psychische fenomenen zijn dus geen inhouden (structuralisme) maar
activiteiten (Aktpsychologie) en psychische fenomenen zijn inherent subjectief
- externe perceptie zegt ons niets over het bestaan van de wereld
- enkel zekerheid over interne perceptie
o uitgangspunt van fenomenologie en basis voor Gestaltpsychologie
• Edmund Husserl (1859)
o leerling Franz Brentano
o grondlegger van fenomenologie
o gekant tegen zowel empirisme als rationalisme
§ kennis vloeit voort noch uit de ervaring noch uit de rede
1.5.5 EIGENLIJKE START VAN DE PSYCHOLOGIE ALS WETENSCHAP
1879 = geboorte van de psychologie als wetenschap: Wilhelm Wundt (1832) krijgt fondsen voor
oprichting van eerste experimenteel psychologisch laboratorium
• een van belangrijkste namen binnen ontwikkeling psychologie als autonome wetenschap
o grondlegger experimentele psychologie door uitbouw eerste laboratorium
• assistent van Hermann von Helmholtz en hoogleraar filosofie, maakte kennis met werken van
Ernst Weber en Gustav Fechner
• “Grundzüge der physiologischen Psychologie”: levenswerk, doorslag psychologie als autonome
wetenschap (bedoelt hier met fysiologisch ‘experimenteel en wetenschappelijk’)
• essentie: interne, mentale processen onderzoeken door introspectie (= rechtstreeks)
o in de vorm van experimentelle Selbstbeobachtung, meer psychofysica dan filosofie
o ook onrechtstreekse studies als reactietijden, ...
• Völkerpsychologie, cross-culturele psychologie: veel aandacht voor complexere sociaal-
psychologische onderwerpen (taal, mythologie, cultuur)
• maakte onderscheid tussen experimentele psychologie en ethnopsychologie (zoals Dilthey met
geestes- en natuurwetenschappen)
• theoretische bijdragen van Wundt:
o voor bewuste waarneming zijn fysische prikkels een noodzakelijke maar geen voldoende
voorwaarde
§ noodzakelijk: zonder fysische prikkels, geen waarneming
§ niet voldoende: prikkels worden soms niet waargenomen
o maar: bewustzijn wordt niet enkel door fysische prikkels van buitenaf in werking gezet
§ ook psychische causaliteit die veranderingen in bewustzijn of psychische
ervaringen kan veroorzaken
- apperceptie = activiteit van onze geest, die van binnenuit werkt
o ook psychische factoren die bepalen of men iets opneemt uit omgeving of niet) ->
apperceptie (aandachtsfunctie) speelt centraal belang
o stream of consciousness = bewustzijn als activiteit, proces, waarbij soms iets naar
achtergrond verdwijnt en weer naar voor als aandacht erop gericht wordt
o belangrijk onderscheid tussen psychische en fysiche causaliteit:
§ fysisch: gelijke oorzaken hebben gelijke gevolgen, behoud van energie
§ psychisch: iets wat soms één eqect heeft, heeft de andere keer weer ander
eqect -> geest onderworpen aan eigen wetten en eigen mentale energie
7
,William James (1842)
• grondlegger van psychologie in Verenigde Staten
• na studie geneeskunde:
o fysiologie bij von Helmholtz
o psychologie bij Wundt
• vnl. descriptieve psychologie (“arm chair psychology”)
• gerelateerd aan associationisme, maar geen atomisme
Edward Bradford Titchener (1867)
• droeg ook bij tot uitbouw van psychologie als wetenschap
• “Outline of psychology”, “Primer of psychology”
• handboeken over correcte onderzoeksmethodologie in psychologie
o doel: natuurwetenschappelijke studie van de geest met experimentele methoden en
systematische introspectie
• zijn werken in structuralisme (dominante stroming in beginfase psychologie)
• veel minder ruimdenkend van Wundt door Britse empirische traditie van elementaire
gewaarwordingen
o >< Wundt: complexe bewustzijnsinhouden komen niet tot stand enkel door associatie
van elementaire gewaarwordingen (bewustzijn geen statisch bouwel dat steen per steen
wordt ontleed), geheel van psychische ervaring is meer dan som elementaire
gewaarwordingen
1.6 BELANGRIJKSTE STROMINGEN IN DE PSYCHOLOGIE IN 19 E EN 20 E E.
stroming = visie op alle psychologische functies en manier om die te onderzoeken
doel is telkens om goed gefundeerde theorie te ontwikkelen over de interne processen en deze
toetsbaar maken ahv experimenteel onderzoek
(min of meer chronologisch)
1.6.1 STRUCTURALISME
• essentie: psychologische gehelen zijn samengesteld uit elementaire delen
• taak psycholoog is ontdekken wat de elementaire bouwstenen (= bewuste mentale inhouden)
zijn en hoe ze zijn samengesteld tot psychologische gehelen
• methodologie: systematische introspectie door getrainde observatoren
o ‘introspectie’: in jezelf kijken, de subjectieve ervaring van een prikkel beschrijven
Titchener maakt onderscheid tussen 3 soorten elementen:
(1) gewaarwordingen (sensaties)
(2) beelden (herinneringen uit geheugen)
(3) aqecten (gevoelens)
benadrukt noodzaak om stimulusfout te vermijden: introspectieve beschrijvingen moeten beperkt
worden tot analyse van inhouden van bewuste ervaringen, niet beïnvloed door kennis over aard stimulus
• als participanten weten wat de stimulus is, laten ze hun rapportage van de stimulus vaak
afhangen van hun kennis over de aard daarvan
Titchener veel minder ruimdenkend dan Wundt:
• Titchener: sterker aanleunend bij Britse empirische traditie van ‘elementaire gewaarwordingen’
en hun associaties -> definieert structuralisme itt functionalisme
• Wundt: complexe bewustzijnsinhouden komen niet enkel tot stand dmv associatie van
elementaire gewaarwordingen, geheel van psychische ervaring is meer dan de som van de
delen, bewustzijn is geen mozaïek dat steen per steen ontleed kan worden
8
,1.6.2 FUNCTIONALISME
• essentie: bewustzijn is geen passief orgaan om ervaringen op te vangen, maar een ‘toolbox’
van functies om adaptief te reageren op nieuwe situaties
• voorlopers: Franz Brentano, William James (ook Spencer, Darwin, Galton)
onderscheid onder functionalisten:
• Chicago-functionalisten
o John Dewey (1859)
§ kritiek op “The reflex arc concept in psychology” tegen de S-R-respresentatie
van de reflexboog: stimulus, sensatie, respons bestaan wel degelijk, maar zijn
niet noodzakelijk afzonderlijke gebeurtenissen
- gedrag is niet op te splitsen in een reeks reflexbogen en reflexboog is niet
op te splitsen in S-R-verbanden -> gedrag is adaptief, doelgericht geheel
o James R. Angell (1869)
§ studeerde bij John Dewey en bij William James
§ doctoraatsonderzoek in Berlijn, geen certificaat door weigering taalcorrecties
§ toch benoemd tot professor in Chicago, beroemde student: John B. Watson
§ centrale figuur binnen functionalisme:
- “Psychology: An introductory study of the structure and function of the
human consciousness” en “The province of functional psychology”
- voorzitter American Psychological Association (APA)
• Columbia-functionalisten
o Edward L. Thorndike (1874)
§ belangrijkste functionalist, doorwerking empirische bevindingen tot vandaag
§ pionier bij gebruik van dieren in experimentele psychologie
§ “Animal intelligence: an experimental study of the associative processes in
animals”: experimentele bevindingen over leerprocessen bij dieren
- trial-and-error leerproces: gedrag wordt geleidelijk aan eqiciënter;
initieel random responsen worden systematischer; de onsuccesvolle
(foutieve) responsen worden geëlimineerd en de succesvolle (correcte)
responsen worden versterkt
¨ vb: kat in puzzle box zal na verloop van tijd door hier en daar te duwen
en te trekken toevallig de juiste combinatie van responsen stellen om te
ontsnappen -> dezelfde kat in dezelfde puzzle box zal vervolgens enkel
nog de juiste responsen stellen om te kunnen ontsnappen
- law of eIect leerprincipe: responsen gevolgd door beloning (vrijheid,
voedsel, …) worden versterkt en responsen gevolgd door straf
(gevangenschap, pijn, …) worden geëlimineerd
- vormt basis van (latere) operante conditionering (cf. Skinner)
o Robert S. Woodworth (1869)
§ voerde formule S-O-R in (stimulus – organisme – respons)
§ grote voorstander van dynamische psychologie
structuralisme functionalisme
wil weten wat de geest is wil weten waar de geest voor dient
(uit welke structuren het bestaat) (welke functies het vervult)
bestudeert bewustzijnsinhouden bestudeert de werking van het bewustzijn
probeert bewustzijn in bouwstenen te ontleden bestudeert aard, werking, functies van mentale
processen
9
, een overgang
bij overgang tussen 19e en 20e E. neemt ongenoegen met structuralisme verder toe
à ontwikkeling van twee nieuwe dominante stromingen, met onderscheid tussen Europa – Amerika
(bewijs van beïnvloeding wetenschap door lokale denkwijzen en culturele traditie)
Europa
structuralisme van Wundt Gestaltpsychologie
atomistisch3 holistisch4
experiëntieel experiëntieel
Amerika
structuralisme van Titchener behaviorisme
atomistisch atomistisch
experiëntieel5 objectivistisch6
1.6.3 GESTALTPSYCHOLOGIE
vnl. een Europese traditie met wortels in de fenomenologie
aanvankelijk in Oostenrijk (Graz) en Duitsland (Berlijn, Leipzig), later uitbreiding naar Italië (Cesare
Musatti, Fabio Metelli, Gaetano Kanizsa) en België (Albert Michotte)
belangrijke historische tegenstelling:
Graz-school Berlijn-school (radicaler)
Meinong, von Ehrenfels, Benussi Wertheimer, Koqka, Köhler
“Gestalten” als emergerende kwaliteiten die “Gestalt” als op zichzelf staand geheel, een
afhankelijk zijn van objecten maar erboven eigen entiteit met eigen status (sui generis) dat
uitstijgen niet gebaseerd is op elementaire bouwstenen
de geest als een productiesysteem: het brein als een dynamisch systeem:
Gestaltkwaliteiten komen tot stand door percept vergt geen mentale act, maar
mentale acten organiseert zichzelf door wederzijdse interactie
(“the mind produces a percept”) tussen prikkels en hun fysiologische correlaten
belangrijke vertegenwoordigers van Graz-school
• Alexius Meinong (1853)
o studeerde geschiedenis en filosofie bij Brentano (Wenen)
o professor filosofie in Graz, oprichter van Psychologisch Instituut (1894)
o promotor van von Ehrenfels
o Gegenstandstheorie in “Über Gegenstandstheorie”: onderscheid tussen verschillende
soorten dingen (entiteiten met hun eigen ontologische status)
§ echt fysisch bestaan (paard)
§ louter intentioneel bestaan (eenhoorn) (object of thought: dingen die je kan
denken, maar niet waarnemen omdat ze niet fysisch bestaan)
§ “Meinong’s jungle”: exotische dierenvoorbeelden
• Christian von Ehrenfels (1859)
o studeerde bij Brentano (Wenen) en bij Meinong (Graz)
o “Über Gestaltqualitäten”: introduceert term ‘Gestalt’ in psychologie en filosofie
§ emergente eigenschappen die boven elementaire gewaarwordingen uitstijgen
3
atomistisch: het ontrafelen in elementaire bouwstenen
4
holistisch: kijken naar het gehele totaalbeeld
5
experiëntieel: nadruk op subjectieve beleving, gebruik van introspectie bij analyse bewustzijnsinhouden
6
objectivistisch: enkel wetenschappelijk observeerbare entiteiten in rekening brengen (stimuli en responsen) dus interne
processen in ‘black box’ waarover geen wetenschappelijke uitspraken mogelijk zijn
10
wetenschap en van functieleer als
basisdomein in de psychologie
1.1 OORSPRONKELIJKE DEFINITIE VANUIT TRADITIONELE OPVATTINGEN
OVER HET GEEST-LICHAAM-PROBLEEM
psychologie ontstaan door samenvoeging Griekse begrippen psyche (ziel, geest) en logos (kennis)
à psychologie = zielkunde, wetenschap van de geest
opmerking over “ziel” en “geest”:
de geest werd al vroeg in filosofische geschiedenis gescheiden van het lichaam:
• vb Plato: geest niet onderhevig aan zelfde wetten als lichaam, want bestaan vrije wil
• vb Descartes: onderscheid res cogitans – res extensa
HET DUALISME
dualisme = geest en lichaam zijn van elkaar gescheiden, twee verschillende entiteiten
probleem: geest-lichaam-probleem = probleem van interactie tussen beide entiteiten; er is
wisselwerking tussen de geest en het lichaam maar hoe kan dat als ze van elkaar gescheiden zijn?
• antwoord Descartes: interactie vindt plaats in pijnappelklier (“zetel van de ziel”) centraal
gelegen in hersenen -> achterhaald
illustratie geest-lichaam-probleem: grootte pupilopening
• enerzijds: reflexmatige controle van hoeveelheid lichtinval: vergroot bij minder licht
o puur lichamelijk fenomeen onderhevig aan fysische wetten
• anderzijds: afhankelijk van interesse: vergroot bij verhoogde interesse in het waargenomene
o eerder mentaal fenomeen
§ obv inhoud van beelden
§ obv waarnemende persoon
à DUS: meetbare reactie kan fysische maar ook psychologische oorzaak hebben
HET MONISME
monisme = geest en lichaam zijn twee aspecten van eenzelfde entiteit
• materialisme:
o ontologische variant: alleen het fysische bestaat echt, alles is materie
o epistemologische variant (reductionisme): alleen het fysische kan wetenschappelijk
bestudeerd worden; psychologische verklaringen kunnen gereduceerd worden tot hun
overeenkomstige fysische processen
• idealisme
o epistemologische variant (solipsisme): werkelijkheid kan enkel gekend worden via
eigen zintuigen en eigen denken; werkelijkheid wordt beïnvloed door werking zintuigen
en denken; geen wereld buiten eigen waarneming; subjectiviteit
o ontologische variant (panpsychisme): alles in de natuur heeft een ziel
1
,belangrijke voorstander monisme: Gustav Theodor Fechner (1801)
• verwerpt dualisme, aanhanger van panpsychisme
o monistische visie: fysische en psychische als twee facetten van hetzelfde
§ beeldspraak: cirkel is van binnen uit bekeken hol en van buiten uit bekeken bol
maar het blijft dezelfde cirkel -> idem met denken: binnenin psychisch
(subjectief, geest) psychisch, buitenaf fysisch (objectief, hersenen)
• grondlegger psychofysica
o exacte wetenschap van functionele relatie tussen lichaam – geest
o belangrijke mijlpaal in ontwikkeling psychologie als wetenschap
o “Elemente der Psychophysik”
1.2 HEDENDAAGSE DEFINITIE VANUIT VISIE OP COMPLEXITEIT VAN DE
PSYCHOLOGIE
hedendaagse opvatting geest-lichaam-probleem: mentale processen zijn onvermijdelijk gebonden aan
fysische systemen maar niet reduceerbaar tot louter fysische processen; mentale processen bestaan
en moeten dus ook zo bestudeerd worden
à psychologie = wetenschap van gedrag en factoren die dit beïnvloeden (gedragsdeterminanten)
• zowel fysisch als mentaal
• zowel zichtbaar als verborgen
• vaak meerdere factoren
• vaak complexe wisselwerking
voorbeelden uit psychologie van complexe wisselwerkingen:
Rorschach inktvlekkentest
• Hermann Rorschach (1884)
• essentie: persoonlijkheid testen ahv inktvlekken; persoon projecteert elementen van eigen
persoonlijkheid in antwoorden
• veronderstelling: elke betekenis in betekenisloze prikkel moet komen van persoon zelf
• werking: belangrijke factoren in test:
o vorm: inktvlekken zijn geen duidelijke afbeelding van bestaande dingen, maar ook niet
compleet vormloos; moeten tegelijkertijd voldoende ambigue en voldoende duidelijk
zijn; associatie met visuele herinneringen van gelijkaardige vormen; hersenen gaan
voortdurend op zoek naar gekende patronen in toevallige structuren (pareidolia1:
meestal bekende mensen en dieren)
o symmetrie: indruk van toeval vernietigen; symmetrische patronen zijn makkelijker te
interpreteren
o figuur-achtergrondomkering: kleur die op voorgrond wordt gezet door je perceptie
bepaalt soms ook wat je ziet
o kleur: kan tot minder intellectuele interpretaties leiden; kleur lokt emotie en
subjectiviteit uit
o …
• conclusie: eenzelfde fenomeen – interpretatie van onduidelijke, betekenisloze prikkel – wordt
door meerdere factoren beïnvloed:
o perceptie: verwerking van input
o geheugen: oproepen van beelden van gekende voorwerpen
o emotionele reacties en eigen interpretaties ifv persoonlijkheid, verleden, drijfveren, …
• kritiek: onbetrouwbaar want andere, fundamentelere verklaringen voor resultaten dan
persoonlijkheid -> goede wetenschap moet alles in rekening brengen en eerst zoeken bij
algemene principes alvorens naar individuele bijzonderheden
o wetenschap (vooral psychologie) splitst zich hierbij op in twee soorten benaderingen:
1
pareidolia: het zien van betekenisvolle figuren in vormloze prikkels
2
, § nomothetische verklaring (algemene wetten, voor iedereen hetzelfde)
§ idiografische verklaring (specifieke factoren, individueel verschillend)
Hawthorne onderzoek
• assemblagefabriek in VS, jaren 20, normale werkomstandigheden
• essentie: testen of verbetering van arbeidsomstandigheden leidt tot verhoogde productie
• hypothese: verbeterde werkomstandigheden -> verhoogde arbeidstevredenheid -> verhoogde
arbeidsproductiviteit
o hypothese klopt, maar niet helemaal: nog steeds verhoogde productie bij
verslechtering van arbeidsomstandigheden
o verborgen variabele: stijging arbeidsproductiviteit niet het gevolg van verhoogde
arbeidstevredenheid, maar van waardering en erkenning
• conclusie: eenzelfde fenomeen – verhoging arbeidsproductiviteit – wordt door meerdere
factoren beïnvloed; plausibele verklaringen niet altijd juist, altijd controle nodig; niet enkel
zoeken naar bevestiging van hypothese maar ook hypothese proberen weerleggen (falsificatie);
verborgen factoren vaak moeilijk observeerbaar -> operationaliseren, meetbaar maken
• Hawthorne eIect = aandacht biedt gevoel van waardering en erkenning; waardering en
erkenning als verborgen psychologische factor
Betula studie
• essentie: achterhalen welke factoren bepalen of mensen succesvol ouder worden
o combinatie van longitudinaal (over langere periode, op meerdere momenten) en cross-
sectioneel (verschillende groepen op dezelfde momenten) design
o zowel cognitieve als niet-cognitieve factoren
• veel voor de hand liggende resultaten
• ook verrassende resultaten: het hebben van een eigen gebit -> mogelijke samenhang met
algemene gezondheid, opleidingsniveau, …
• conclusie: complexe samenhang tussen onafhankelijke variabelen en afhankelijke variabelen;
correlatie (loutere samenhang, omkeerbare relatie) ≠ causatie (oorzakelijk verband, niet
omkeerbare relatie)
o scheermes van Ockham: geheel van gegevens zo zuinig mogelijk verklaren, met zo
weinig mogelijk en zo eenvoudig mogelijke variabelen
psychologie: wat voor soort wetenschap?
Wilhelm Dilthey (1833)
• maakte onderscheid natuurwetenschappen (‘verklaren’) – menswetenschappen (‘begrijpen’)
o natuurwetenschappen: gericht op verklaren van wetmatigheden in natuur
§ natuurfenomenen zijn te verklaren door inwerking van externe krachten op
levenloze en onveranderlijke materie; wetmatigheden kunnen vastgesteld
worden door herhaaldelijk onderzoek
o menswetenschappen: gericht op begrijpen van mens en zijn geschiedenis
§ psychologische fenomenen zijn enkel te begrijpen door uniek karakter van
bestudeerde verschijnselen (geschiedenis, cultuur, economie, religie, …)
- voortbrengsels van langdurige samenwerking tussen mensen
• implicaties voor psychologie:
o natuurwetenschappelijke benadering ongeschikt voor bestuderen menselijke
werkelijkheid; psychologie moet totale ervaring nemen die zich enkel van binnenuit laat
begrijpen en mag niet reduceren
o psychologie moet zowel proberen verklaren als begrijpen
§ binnen bep. grenzen kijken naar natuurwetenschappen, vanaf bep. punt
overschakelen op psychologische verklaringen voor gedrag
o psychologie = zowel natuurwetenschap als geesteswetenschap
3
,1.3 POSITIE VAN DE PSYCHOLOGIE NAAST ANDERE WETENSCHAPPEN
psychologie is verwant met enorm veel andere wetenschappelijke disciplines -> multidisciplinair
• psychologie als “hub science”: frequent gebruikte schakel in netwerk van wetenschap
o vaak naar psychologie verwezen vanuit andere disciplines
• hiërarchische indeling op vlak van fundamentaliteit
o wiskunde als meest zuivere wetenschap
o psychologie als slechts ‘toegepaste biologie’, ‘toegepaste chemie’, …
o maar: zeer reductionistische visie
1.4 BASISDOMEINEN VAN DE PSYCHOLOGIE
onderscheid tussen 5 basisdomeinen (Bert Duijker, 1959: Nomenclatuur en Systematiek)
1 methodenleer fundament van de psychologie waarop overige 4 basisdomeinen verder
bouwen dat aangeeft hoe psychologische fenomenen wetenschappelijk
onderzocht moeten worden
2 functieleer studie van de algemene menselijke functies en capaciteiten
(waarneming, denken, taal, leren, emotie, …)
3 persoonlijkheidsleer studie van datgene waarin het individu uniek is en zich onderscheidt van
anderen, de individuele persoonlijkheid, zowel normaal als abnormaal
4 ontwikkelingsleer studie van de ontwikkeling van de mens van geboorte tot dood in alle
aspecten (biologische functies, persoonlijkheid, gedrag, …)
5 gedragsleer studie van gedrag van mens in wisselwerking met zijn omgeving, zowel
fysisch als sociaal
ook andere (toegepaste) deeldomeinen: bedrijfspsychologie, sportpsychologie, reclamepsychologie, …
4
,1.5 GESCHIEDENIS VAN DE PSYCHOLOGIE
“psychologie kent een lang verleden maar een korte geschiedenis”: er wordt al lang nagedacht over
en onderzoek gedaan over zaken die tot de psychologie behoren, nog voor er sprake was van
psychologie als autonome wetenschappelijke discipline
psychologie als resultaat uit samengaan (en wisselwerking) van filosofie en fysiologie:
• nadruk op eeuwenlange discussies binnen epistemologie en belangrijke fysiologische
ontdekkingen met invloed op filosofie in 18e E.
o vb: Julien O?ray de la Mettrie met “L’homme machine” (1748): machine als ‘maaksel’ vs
organisme als ‘groeisel’ -> de mens als machine, zowel fysisch als mentaal
1.5.1 EMPIRISME HAALT HET VAN RATIONALISME IN 17E EN 18E E.
centraal debat in filosofie:
• rationalisme: alle kennis komt voort uit het verstand als enige bron (de ratio)
o Immanuel Kant: grondlegger
§ bestaan van aangeboren ideeën (ruimte, tijd, …)
• empirisme: alle kennis komt voort uit zintuiglijke ervaringen als enige bron (de empirie)
o John Locke (1632): grondlegger
§ mens geboren als tabula rasa = onbeschreven blad
§ “niets is in het verstand aanwezig dat niet eerst in de zintuigen was”
- geen enkel idee is aangeboren, alle ideeën komen voort uit ervaring
- gaat in tegen rationalistische visie van aangeboren ideeën
§ onderscheid tussen eenvoudige ideeën (waarneming) en complexe ideeën als
associaties tussen eenvoudige ideeën = fundamentele eenheid van de geest
o George Berkeley (1685)
§ “zijn is waargenomen worden”: immaterialisme
§ geest brengt materie voort, onze geest neemt materie waar en we vormen zo een
individuele werkelijkheid (idealisme -> solipsisme2)
§ belangrijke werken en ideeën:
- Essay towards a new theory of vision: licht en kleur zijn resultaat van
waarneming en niet van de materiële objecten zelf (frequenties en
golflengtes door brein omgezet in kleur en licht)
- visuele waarneming is gebaseerd op ervaring, geleerd door associatie
§ probleem van Molyneux: blindie die opeens kan zien neemt niet
meteen alles waar zoals wij, moet eerst associaties gaan
koppelen aan bep. waarnemingen dmv tast en andere zintuigen
- Treatise concerning the principles of human knowledge: externe wereld
bestaat enkel uit ideeën, is inherent subjectief
o David Hume (1711)
§ voorlopig hoogtepunt van empirisme, basis van psychologie
§ “A treatise of human nature”: psychologische basis van menselijke natuur
§ “An enquiry concerning human understanding”: adaptatie vorig werk,
onderscheid tussen impressies (waarneming, sensatie) – ideeën (herinnering,
verbeelding)
- belang van associaties om van simpele tot complexe ideeën te komen
- solipsisme
2
solipsisme: we kunnen de realiteit buiten ons niet met zekerheid kennen, ook aan het zelf moeten we twijfelen
5
,1.5.2 BELANGRIJKE FYSIOLOGISCHE ONTDEKKINGEN EN ANDERE ONTWIKKELINGEN IN 18E EN 19E E.
naast filosofische ontwikkelingen ook veel fysiologische ontdekkingen:
• Charles Bell (1774)
o onderscheid tussen sensorische – motorische zenuwbanen
o sensorische zenuwbanen (aqerent) leiden prikkels naar centraal zenuwstelsel ->
verwerking prikkels -> motorische zenuwbanen (eqerent) leiden prikkels naar spieren
o impliceert bestaan van (oncontroleerbare reflexen)
§ discussie over bewuste controle en vrije wil
• Johannes Müller (1801)
o zenuwen als bemiddelaar tussen objecten en bewustzijn
o specifieke zenuwkwaliteiten voor verschillende sensoriële kwaliteiten
§ kleurtheorie: 3 receptoren voor 3 basiskleuren
• Hermann von Helmholtz (1850)
o eerste empirische metingen van transmissiesnelheid signalen in zenuwbanen
o een van de voorvaders van experimentele psychologie
o onbewuste inferentie: waarneming impliceert onbewuste redenering
wetenschappers met veel invloed op fysiologie (en filosofie):
• Philippe Pinel (1745) als pionier van psychiatrie: beschouwde “gekken” niet langer als bezeten
door de duivel, maar als geesteszieken die geholpen moesten worden
• Franz Joseph Gall (1758) ontwikkelt frenologie: methode om iemands persoonlijkheid en
vaardigheden af te lezen via knobbels op schedel
o achterhaald, maar belangrijke redenering: elk hersendeel heeft specifieke functie(s) en
aanleg daarvoor kan gemeten worden
• Ernst Weber (1834) als voorloper van psychofysicia: meting van zintuiglijke gewaarwordingen in
verschillende zintuiglijke modaliteiten
• Friedrich Wilhelm Bessel (1784) onderzoekt interindiviuele verschillen
• Franciscus Cornelius Donders (1818)
o basis van hedendaagse cognitieve psychologie
o informatieverwerking bestaat uit verschillende discrete, seriële stappen die zicht- en
meetbaar gemaakt kunnen worden door experimentele condities met elkaar te
vergelijken -> reactietijdverschillen geven indicatie van hoe lang elke stap duurt
§ substractiemethode: identificeren van mentale basisprocessen door
vergelijking van condities die maar op één component van elkaar verschillen
§ basis voor mentale chronometrie (meting tijdsduur mentale processen)
1.5.3 ANDERE BELANGRIJKE VOORLOPERS VAN DE PSYCHOLOGIE IN 18E EN 19E E.
• Johan Friedrich Herbart (1776)
o opvolger Immanuel Kant
o introduceert met zijn boeken voor eerst psychologie als afzonderlijk vakgebied
o psychologie moet empirisch en kwantitatief zijn, niet experimenteel en fysiologisch
o geest als één groot dynamisch systeem
§ ideeën zijn dynamisch, bezitten energie (aantrekking/afstoting); ideeën vechten
voor toegang tot het bewustzijn; ideeën worden nooit vergeten, maar geraken
enkel verdrongen onder drempel van bewustzijn
o aandacht leidt tot scherpere waarneming, ideeën en herinneringen
• Ernst Mach (1838)
o “Analysis of sensations”: mijlpaal in waarnemingspsychologie
o tegelijkertijd voor- en tegenstander van Kant
§ enerzijds: tijd en ruimte zijn essentieel voor alle waarnemingen
§ anderzijds: waarneming als enige epistemologische basis voor wetenschap
o grote invloed op fenomenologie en logisch positivisme
6
, • Franz Brentano (1838)
o intentionaliteit als hoofdkenmerk van mentale fenomenen:
§ elk mentaal fenomeen heeft een inhoud en is gericht op een object;
intentionaliteit is de zingevende betrokkenheid van het subject op het object
§ psychische fenomenen zijn dus geen inhouden (structuralisme) maar
activiteiten (Aktpsychologie) en psychische fenomenen zijn inherent subjectief
- externe perceptie zegt ons niets over het bestaan van de wereld
- enkel zekerheid over interne perceptie
o uitgangspunt van fenomenologie en basis voor Gestaltpsychologie
• Edmund Husserl (1859)
o leerling Franz Brentano
o grondlegger van fenomenologie
o gekant tegen zowel empirisme als rationalisme
§ kennis vloeit voort noch uit de ervaring noch uit de rede
1.5.5 EIGENLIJKE START VAN DE PSYCHOLOGIE ALS WETENSCHAP
1879 = geboorte van de psychologie als wetenschap: Wilhelm Wundt (1832) krijgt fondsen voor
oprichting van eerste experimenteel psychologisch laboratorium
• een van belangrijkste namen binnen ontwikkeling psychologie als autonome wetenschap
o grondlegger experimentele psychologie door uitbouw eerste laboratorium
• assistent van Hermann von Helmholtz en hoogleraar filosofie, maakte kennis met werken van
Ernst Weber en Gustav Fechner
• “Grundzüge der physiologischen Psychologie”: levenswerk, doorslag psychologie als autonome
wetenschap (bedoelt hier met fysiologisch ‘experimenteel en wetenschappelijk’)
• essentie: interne, mentale processen onderzoeken door introspectie (= rechtstreeks)
o in de vorm van experimentelle Selbstbeobachtung, meer psychofysica dan filosofie
o ook onrechtstreekse studies als reactietijden, ...
• Völkerpsychologie, cross-culturele psychologie: veel aandacht voor complexere sociaal-
psychologische onderwerpen (taal, mythologie, cultuur)
• maakte onderscheid tussen experimentele psychologie en ethnopsychologie (zoals Dilthey met
geestes- en natuurwetenschappen)
• theoretische bijdragen van Wundt:
o voor bewuste waarneming zijn fysische prikkels een noodzakelijke maar geen voldoende
voorwaarde
§ noodzakelijk: zonder fysische prikkels, geen waarneming
§ niet voldoende: prikkels worden soms niet waargenomen
o maar: bewustzijn wordt niet enkel door fysische prikkels van buitenaf in werking gezet
§ ook psychische causaliteit die veranderingen in bewustzijn of psychische
ervaringen kan veroorzaken
- apperceptie = activiteit van onze geest, die van binnenuit werkt
o ook psychische factoren die bepalen of men iets opneemt uit omgeving of niet) ->
apperceptie (aandachtsfunctie) speelt centraal belang
o stream of consciousness = bewustzijn als activiteit, proces, waarbij soms iets naar
achtergrond verdwijnt en weer naar voor als aandacht erop gericht wordt
o belangrijk onderscheid tussen psychische en fysiche causaliteit:
§ fysisch: gelijke oorzaken hebben gelijke gevolgen, behoud van energie
§ psychisch: iets wat soms één eqect heeft, heeft de andere keer weer ander
eqect -> geest onderworpen aan eigen wetten en eigen mentale energie
7
,William James (1842)
• grondlegger van psychologie in Verenigde Staten
• na studie geneeskunde:
o fysiologie bij von Helmholtz
o psychologie bij Wundt
• vnl. descriptieve psychologie (“arm chair psychology”)
• gerelateerd aan associationisme, maar geen atomisme
Edward Bradford Titchener (1867)
• droeg ook bij tot uitbouw van psychologie als wetenschap
• “Outline of psychology”, “Primer of psychology”
• handboeken over correcte onderzoeksmethodologie in psychologie
o doel: natuurwetenschappelijke studie van de geest met experimentele methoden en
systematische introspectie
• zijn werken in structuralisme (dominante stroming in beginfase psychologie)
• veel minder ruimdenkend van Wundt door Britse empirische traditie van elementaire
gewaarwordingen
o >< Wundt: complexe bewustzijnsinhouden komen niet tot stand enkel door associatie
van elementaire gewaarwordingen (bewustzijn geen statisch bouwel dat steen per steen
wordt ontleed), geheel van psychische ervaring is meer dan som elementaire
gewaarwordingen
1.6 BELANGRIJKSTE STROMINGEN IN DE PSYCHOLOGIE IN 19 E EN 20 E E.
stroming = visie op alle psychologische functies en manier om die te onderzoeken
doel is telkens om goed gefundeerde theorie te ontwikkelen over de interne processen en deze
toetsbaar maken ahv experimenteel onderzoek
(min of meer chronologisch)
1.6.1 STRUCTURALISME
• essentie: psychologische gehelen zijn samengesteld uit elementaire delen
• taak psycholoog is ontdekken wat de elementaire bouwstenen (= bewuste mentale inhouden)
zijn en hoe ze zijn samengesteld tot psychologische gehelen
• methodologie: systematische introspectie door getrainde observatoren
o ‘introspectie’: in jezelf kijken, de subjectieve ervaring van een prikkel beschrijven
Titchener maakt onderscheid tussen 3 soorten elementen:
(1) gewaarwordingen (sensaties)
(2) beelden (herinneringen uit geheugen)
(3) aqecten (gevoelens)
benadrukt noodzaak om stimulusfout te vermijden: introspectieve beschrijvingen moeten beperkt
worden tot analyse van inhouden van bewuste ervaringen, niet beïnvloed door kennis over aard stimulus
• als participanten weten wat de stimulus is, laten ze hun rapportage van de stimulus vaak
afhangen van hun kennis over de aard daarvan
Titchener veel minder ruimdenkend dan Wundt:
• Titchener: sterker aanleunend bij Britse empirische traditie van ‘elementaire gewaarwordingen’
en hun associaties -> definieert structuralisme itt functionalisme
• Wundt: complexe bewustzijnsinhouden komen niet enkel tot stand dmv associatie van
elementaire gewaarwordingen, geheel van psychische ervaring is meer dan de som van de
delen, bewustzijn is geen mozaïek dat steen per steen ontleed kan worden
8
,1.6.2 FUNCTIONALISME
• essentie: bewustzijn is geen passief orgaan om ervaringen op te vangen, maar een ‘toolbox’
van functies om adaptief te reageren op nieuwe situaties
• voorlopers: Franz Brentano, William James (ook Spencer, Darwin, Galton)
onderscheid onder functionalisten:
• Chicago-functionalisten
o John Dewey (1859)
§ kritiek op “The reflex arc concept in psychology” tegen de S-R-respresentatie
van de reflexboog: stimulus, sensatie, respons bestaan wel degelijk, maar zijn
niet noodzakelijk afzonderlijke gebeurtenissen
- gedrag is niet op te splitsen in een reeks reflexbogen en reflexboog is niet
op te splitsen in S-R-verbanden -> gedrag is adaptief, doelgericht geheel
o James R. Angell (1869)
§ studeerde bij John Dewey en bij William James
§ doctoraatsonderzoek in Berlijn, geen certificaat door weigering taalcorrecties
§ toch benoemd tot professor in Chicago, beroemde student: John B. Watson
§ centrale figuur binnen functionalisme:
- “Psychology: An introductory study of the structure and function of the
human consciousness” en “The province of functional psychology”
- voorzitter American Psychological Association (APA)
• Columbia-functionalisten
o Edward L. Thorndike (1874)
§ belangrijkste functionalist, doorwerking empirische bevindingen tot vandaag
§ pionier bij gebruik van dieren in experimentele psychologie
§ “Animal intelligence: an experimental study of the associative processes in
animals”: experimentele bevindingen over leerprocessen bij dieren
- trial-and-error leerproces: gedrag wordt geleidelijk aan eqiciënter;
initieel random responsen worden systematischer; de onsuccesvolle
(foutieve) responsen worden geëlimineerd en de succesvolle (correcte)
responsen worden versterkt
¨ vb: kat in puzzle box zal na verloop van tijd door hier en daar te duwen
en te trekken toevallig de juiste combinatie van responsen stellen om te
ontsnappen -> dezelfde kat in dezelfde puzzle box zal vervolgens enkel
nog de juiste responsen stellen om te kunnen ontsnappen
- law of eIect leerprincipe: responsen gevolgd door beloning (vrijheid,
voedsel, …) worden versterkt en responsen gevolgd door straf
(gevangenschap, pijn, …) worden geëlimineerd
- vormt basis van (latere) operante conditionering (cf. Skinner)
o Robert S. Woodworth (1869)
§ voerde formule S-O-R in (stimulus – organisme – respons)
§ grote voorstander van dynamische psychologie
structuralisme functionalisme
wil weten wat de geest is wil weten waar de geest voor dient
(uit welke structuren het bestaat) (welke functies het vervult)
bestudeert bewustzijnsinhouden bestudeert de werking van het bewustzijn
probeert bewustzijn in bouwstenen te ontleden bestudeert aard, werking, functies van mentale
processen
9
, een overgang
bij overgang tussen 19e en 20e E. neemt ongenoegen met structuralisme verder toe
à ontwikkeling van twee nieuwe dominante stromingen, met onderscheid tussen Europa – Amerika
(bewijs van beïnvloeding wetenschap door lokale denkwijzen en culturele traditie)
Europa
structuralisme van Wundt Gestaltpsychologie
atomistisch3 holistisch4
experiëntieel experiëntieel
Amerika
structuralisme van Titchener behaviorisme
atomistisch atomistisch
experiëntieel5 objectivistisch6
1.6.3 GESTALTPSYCHOLOGIE
vnl. een Europese traditie met wortels in de fenomenologie
aanvankelijk in Oostenrijk (Graz) en Duitsland (Berlijn, Leipzig), later uitbreiding naar Italië (Cesare
Musatti, Fabio Metelli, Gaetano Kanizsa) en België (Albert Michotte)
belangrijke historische tegenstelling:
Graz-school Berlijn-school (radicaler)
Meinong, von Ehrenfels, Benussi Wertheimer, Koqka, Köhler
“Gestalten” als emergerende kwaliteiten die “Gestalt” als op zichzelf staand geheel, een
afhankelijk zijn van objecten maar erboven eigen entiteit met eigen status (sui generis) dat
uitstijgen niet gebaseerd is op elementaire bouwstenen
de geest als een productiesysteem: het brein als een dynamisch systeem:
Gestaltkwaliteiten komen tot stand door percept vergt geen mentale act, maar
mentale acten organiseert zichzelf door wederzijdse interactie
(“the mind produces a percept”) tussen prikkels en hun fysiologische correlaten
belangrijke vertegenwoordigers van Graz-school
• Alexius Meinong (1853)
o studeerde geschiedenis en filosofie bij Brentano (Wenen)
o professor filosofie in Graz, oprichter van Psychologisch Instituut (1894)
o promotor van von Ehrenfels
o Gegenstandstheorie in “Über Gegenstandstheorie”: onderscheid tussen verschillende
soorten dingen (entiteiten met hun eigen ontologische status)
§ echt fysisch bestaan (paard)
§ louter intentioneel bestaan (eenhoorn) (object of thought: dingen die je kan
denken, maar niet waarnemen omdat ze niet fysisch bestaan)
§ “Meinong’s jungle”: exotische dierenvoorbeelden
• Christian von Ehrenfels (1859)
o studeerde bij Brentano (Wenen) en bij Meinong (Graz)
o “Über Gestaltqualitäten”: introduceert term ‘Gestalt’ in psychologie en filosofie
§ emergente eigenschappen die boven elementaire gewaarwordingen uitstijgen
3
atomistisch: het ontrafelen in elementaire bouwstenen
4
holistisch: kijken naar het gehele totaalbeeld
5
experiëntieel: nadruk op subjectieve beleving, gebruik van introspectie bij analyse bewustzijnsinhouden
6
objectivistisch: enkel wetenschappelijk observeerbare entiteiten in rekening brengen (stimuli en responsen) dus interne
processen in ‘black box’ waarover geen wetenschappelijke uitspraken mogelijk zijn
10