Antwoorden + UITGEBREIDE uitleg SWK 6
1. B – Superdiversiteit verwijst naar diversiteit binnen diversiteit
Superdiversiteit betekent niet alleen dat er veel culturele groepen zijn, maar dat elke groep zélf ook
intern divers is. Migratieachtergronden, sociaaleconomische positie, gender, religie, taal en
migratieroutes verschillen voortdurend. Daarom is het begrip dynamisch en altijd in ontwikkeling.
2. B – Intersectionaliteit kijkt naar kruispunten van machtsposities
Intersectionaliteit bekijkt identiteiten (gender, afkomst, SES, beperking, seksualiteit) niet los van
elkaar maar in combinatie. Problemen ontstaan vaak door overlappende kwetsbaarheden. Dit verklaart
waarom sommige mensen meer achterstelling ervaren dan anderen.
3. C – Armoede is niet objectief en universeel
Armoede wordt relatief (ten opzichte van anderen), gradueel (verschillende niveaus) én
meerdimensionaal gezien (gezondheid, onderwijs, huisvesting). Het is dus geen universeel meetbaar
begrip met één objectief criterium.
4. A – Bonding sociaal kapitaal = verbinding met mensen die op jou lijken
Bonding is sociaal kapitaal binnen de “eigen groep” (zelfde achtergrond). Het versterkt onderlinge
steun, maar biedt weinig toegang tot nieuwe kansen (dat is bridging of linking).
5. C – Capabilities zijn de reële keuzemogelijkheden die iemand heeft
In de Capability Approach gaat het niet om middelen, maar om daadwerkelijke vrijheid om een
betekenisvol leven te leiden. Bijvoorbeeld: een Cruyff Court is een resource; plezier beleven of
meedoen is een functioning; maar de mogelijkheid (durven, kunnen, voelen) om mee te doen is een
capability.
6. A – Ouderschap is nooit af (Van der Pas)
Van der Pas verwerpt lineaire ontwikkelingsmodellen. Ouderschap is geen vast proces met begin- en
eindpunt – het blijft levenslang veranderen en groeit mee met de ouder en het kind.
7. B – Een metapositie is boven de situatie hangen en reflecteren
Een ouder die afstand neemt en nadenkt over eigen gedrag, neemt een metapositie in. Dit is een
cruciaal bufferproces dat ouders helpt hun emoties en handelen te reguleren.
8. B – Solidaire gemeenschap = steun, erkenning, hulpbronnen
Een ouder hoeft het niet alleen te doen. Een solidaire omgeving (familie, buurt, voorzieningen) zorgt
voor emotionele steun, praktische hulp en erkenning van kwetsbaarheid in ouderschap.
9. A – Ontwikkelingsgeschiedenis bevat persoonlijke eigenschappen van ouders
Bij Belsky hoort de persoonlijkheid van ouders bij hun ontwikkelingsgeschiedenis (eigen opvoeding,
eigen ervaringen), die vormt hoe ze hun ouderrol invullen.
10. A – Equifinaliteit = verschillende oorzaken kunnen tot dezelfde uitkomst leiden
In systemen kun je nooit één oorzaak aanwijzen. Bijvoorbeeld: schooluitval kan komen door armoede,
pesten, thuissituatie of angst → maar de uitkomst is dezelfde.
11. A – Symmetrische communicatie is een machts- of gelijkwaardigheidsstrijd
Beide partijen proberen gelijk te zijn of de ander te overtreffen (“jij moet beginnen!” – “nee jij!”). Er
is geen hiërarchie of rolverdeling.
12. B – Analoge communicatie = non-verbaal
Watzlawick onderscheidt: digitaal: woorden analoog: lichaamstaal, intonatie, mimiek
Analoog geeft de relatieboodschap weer — meestal krachtiger dan woorden.
1. B – Superdiversiteit verwijst naar diversiteit binnen diversiteit
Superdiversiteit betekent niet alleen dat er veel culturele groepen zijn, maar dat elke groep zélf ook
intern divers is. Migratieachtergronden, sociaaleconomische positie, gender, religie, taal en
migratieroutes verschillen voortdurend. Daarom is het begrip dynamisch en altijd in ontwikkeling.
2. B – Intersectionaliteit kijkt naar kruispunten van machtsposities
Intersectionaliteit bekijkt identiteiten (gender, afkomst, SES, beperking, seksualiteit) niet los van
elkaar maar in combinatie. Problemen ontstaan vaak door overlappende kwetsbaarheden. Dit verklaart
waarom sommige mensen meer achterstelling ervaren dan anderen.
3. C – Armoede is niet objectief en universeel
Armoede wordt relatief (ten opzichte van anderen), gradueel (verschillende niveaus) én
meerdimensionaal gezien (gezondheid, onderwijs, huisvesting). Het is dus geen universeel meetbaar
begrip met één objectief criterium.
4. A – Bonding sociaal kapitaal = verbinding met mensen die op jou lijken
Bonding is sociaal kapitaal binnen de “eigen groep” (zelfde achtergrond). Het versterkt onderlinge
steun, maar biedt weinig toegang tot nieuwe kansen (dat is bridging of linking).
5. C – Capabilities zijn de reële keuzemogelijkheden die iemand heeft
In de Capability Approach gaat het niet om middelen, maar om daadwerkelijke vrijheid om een
betekenisvol leven te leiden. Bijvoorbeeld: een Cruyff Court is een resource; plezier beleven of
meedoen is een functioning; maar de mogelijkheid (durven, kunnen, voelen) om mee te doen is een
capability.
6. A – Ouderschap is nooit af (Van der Pas)
Van der Pas verwerpt lineaire ontwikkelingsmodellen. Ouderschap is geen vast proces met begin- en
eindpunt – het blijft levenslang veranderen en groeit mee met de ouder en het kind.
7. B – Een metapositie is boven de situatie hangen en reflecteren
Een ouder die afstand neemt en nadenkt over eigen gedrag, neemt een metapositie in. Dit is een
cruciaal bufferproces dat ouders helpt hun emoties en handelen te reguleren.
8. B – Solidaire gemeenschap = steun, erkenning, hulpbronnen
Een ouder hoeft het niet alleen te doen. Een solidaire omgeving (familie, buurt, voorzieningen) zorgt
voor emotionele steun, praktische hulp en erkenning van kwetsbaarheid in ouderschap.
9. A – Ontwikkelingsgeschiedenis bevat persoonlijke eigenschappen van ouders
Bij Belsky hoort de persoonlijkheid van ouders bij hun ontwikkelingsgeschiedenis (eigen opvoeding,
eigen ervaringen), die vormt hoe ze hun ouderrol invullen.
10. A – Equifinaliteit = verschillende oorzaken kunnen tot dezelfde uitkomst leiden
In systemen kun je nooit één oorzaak aanwijzen. Bijvoorbeeld: schooluitval kan komen door armoede,
pesten, thuissituatie of angst → maar de uitkomst is dezelfde.
11. A – Symmetrische communicatie is een machts- of gelijkwaardigheidsstrijd
Beide partijen proberen gelijk te zijn of de ander te overtreffen (“jij moet beginnen!” – “nee jij!”). Er
is geen hiërarchie of rolverdeling.
12. B – Analoge communicatie = non-verbaal
Watzlawick onderscheidt: digitaal: woorden analoog: lichaamstaal, intonatie, mimiek
Analoog geeft de relatieboodschap weer — meestal krachtiger dan woorden.